maandag, november 13, 2006

101. Adviseur Rene Diekstra benadrukt in Staatscourant het belang van meer vaderbetrokkenheid bij het jeugdbeleid

Belangrijke vaders
Staatscourant; Rene Diekstra; 31 oktober 2006

Onlangs had ik, in het kader van mijn werk als adviseur Jeugdbeleid, een overleg met vertegenwoordigers van consultatiebureau’s. Verschillende keren lieten ze de term OKZ, ouder-kind zorg, vallen. Op een gegeven moment vroeg ik hoeveel van de ouders in hun OKZ vaders zijn. Het antwoord was: een (heel) kleine minderheid.

Een paar dagen later had ik een overleg met medewerkers van een aantal GGD’s die oudercursussen verzorgen of coördineren. Ik vroeg hen hoeveel van de ouders die aan de cursussen deelnemen vaders zijn. Het antwoord was: een (heel) kleine minderheid.

Op mijn vragen aan beide groepen of het geringe bereiken van vaders hen niet verontrustte en of ze inmiddels strategieën hadden ontworpen of in onderzoek hadden om meer vaders te bereiken, was het antwoord op de eerste ‘ja’, op de tweede eigenlijk ‘nee’. Eigenlijk, want ze hebben het er wel eens met elkaar over, maar tot gerichte actie of onderzoek leidt dat niet of nauwelijks. Als het gaat om ouder-kind zorg en opvoedingsondersteuning hebben de verantwoordelijke instanties zich er blijkbaar al lang bij neergelegd dat dit voornamelijk moeder-kind zorg en ‘moeder’ondersteuning is.

Ik heb het donkerbruine vermoeden dat ze dat in de dagelijkse uitvoering ook niet slecht uitkomt. Sterker nog, de cultuur van de betreffende instellingen is voornamelijk een ‘moeder’cultuur. Wat dat betreft was het tekenend dat bij de overleggen, waar ik het over had, in totaal op de ongeveer 30 vrouwen, zegge en schrijve één man aanwezig was (mezelf niet meegerekend).

Het is natuurlijk onwaarschijnlijk dat een moederbastion voor vaders een aantrekkelijke plaats is om zich naar te begeven, zeker als het gaat om zulke gevoelige en vaak subtiele kwesties als verzorging en opvoeding van kinderen. Zoals dat omgekeerd ook het geval zou zijn. Bovendien werken veel vrouwelijke hulpverleners gewoonlijk liever met vrouwen dan met mannen.

Het verontrustende aan deze situatie is dat het volstrekt voorbij gaat aan de grote invloed die vaders hebben op de ontwikkeling van hun kinderen, een invloed die, zoals wetenschappelijk onderzoek laat zien, niet onderdoet voor en op bepaalde punten mogelijk zelfs groter is dan die van moeders.

Zo blijkt het verband tussen de ontwikkeling van kinderen, in cognitief, sociaal en moreel opzicht en het gedrag/opvattingen van vader ietwat sterker dan verband tussen die ontwikkeling en het gedrag/opvattingen van moeders. En, minstens zo belangrijk, dat geldt over de hele leeftijdsperiode van 0-18 jaar, en het geldt voor kinderen ongeacht cultuur, etnische afkomst en sociale klasse.

Opmerkelijk is verder dat de samenhang tussen ontwikkeling van kinderen en gedrag van vaders niet of nauwelijks afhankelijk is van de biologische relatie tussen vader en kind. Ook vervangende vaders, pleegvaders of stiefvaders, blijken invloedrijk. Maar waarschijnlijk toch wel het meest verrassend is de bevinding dat vaders niet alleen heel belangrijk zijn voor zonen, maar ook voor dochters. Hoe dochters hun vader zien en ervaren blijkt zowel van invloed op hun sociale en intellectuele ontwikkeling als op het beeld dat ze van mannen hebben en de wijze waarop ze daar relaties mee aangaan.

De conclusie? Mocht er na de verkiezingen inderdaad een minister voor Jeugdzaken komen, dan zou die bewindspersoon vaderbetrokkenheid tot speerpunt van beleid dienen te maken. Ook of zelfs juist als een vrouw het wordt.

René F.W. Diekstra

EINDE

Geen opmerkingen:

Een reactie posten