woensdag, maart 15, 2006

57. De gevolgen van ouderverstoting en vaderloos opgroeien voor onze kinderen

Over de negatieve gevolgen van (echt)scheiding en het belang van het behoud van beide ouders bij de zorg voor de kinderen na een scheiding

Vader Kennis Centrum (VKC); drs. Pieter A.N. Tromp, 15 maart 2006

Het gaat niet goed met scheidingskinderen. Uit grootschalig Zweeds bevolkingsonderzoek over de periode [1], gepubliceerd bij het gezaghebbende internationale medische vakblad The Lancet uitgegeven bij Elsevier, komt naar voren dat kinderen vaderloos opgroeiend in eenoudergezinnen meer depressieklachten hebben, eerder drugs gebruiken, meer ongelukken krijgen en vaker zelfmoord plegen dan kinderen uit tweeoudergezinnen.


En in haar metastudie ‘Experiments in living: the fatherless family’[2] komt onderzoekster Rebecca O’Neill van Civitas, het Engelse Instituut voor Samenlevingsstudies, op grond van ruim 75 onderliggende onderzoeken en databronnen in september 2002 tot de volgende conclusies over de gevolgen van het vaderloos opgroeien voor onze kinderen, tieners en adolescenten:

- Kinderen (0-12) opgroeiend in vaderloze gezinnen lopen meer risico om in armoede te leven, lopen meer risico op fysiek, emotioneel en seksueel misbruik, lopen eerder van huis weg, lopen meer risico op gezondheidsklachten en hebben meer problemen op school en in de omgang met anderen.


- Tieners opgroeiend in vaderloze gezinnen lopen meer kans op tienerzwangerschap, in de criminaliteit te belanden, te roken, alcohol en drugs te gebruiken, te spijbelen, geschorst te worden, op jonge leeftijd school te verlaten en aanpassingsproblemen te hebben.

- Jong volwassenen opgegroeid/opgroeiend in vaderloze gezinnen hebben meer moeite opleidingen af te maken, werk te vinden, hebben vaker een laag inkomen en een uitkering, lopen meer risico dak- en thuisloos te raken, lopen meer risico in de criminaliteit te belanden, hebben eerder chronisch emotionele en psychische problemen, ontwikkelen vaker gezondheidsklachten, gaan sneller relaties aan waar ze ook sneller mee gaan samenwonen, en gaan eerder scheiden en hebben vaker buitenechtelijke kinderen.

Rebecca O’Neill concludeert daarnaast dat de afwezige vader ook voor de algehele samenleving geen goede zaak is: geweld en criminaliteit nemen toe, de sociale cohesie neemt af, de scheidingscultuur neemt toe, de vaderloosheid wordt een vicieuze cirkel en er wordt een groter beroep op sociale voorzieningen gedaan.

Op de Eerste Europese Vaderconferentie, in september 2004 gehouden in Wenen, bleek uit daar gepresenteerd Duits ontwikkelingspsychologisch onderzoek (zgn. “Triadenforschung”) dat vaders in de driehoeksverhouding vader-moeder-kind voor hun kinderen onmisbaar zijn voor een gezonde ontwikkelingsgang naar zelfstandigheid, met name ook waar het er om gaat zich in hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en autonomie goed los te kunnen maken van hun moeders.

Wezenlijk is dat kinderen na een scheiding van beide ouders moeten mogen blijven houden zegt de Nederlandse familietherapeute Else Marie van den Eerenbeemt hierover. Kinderen zelf willen ook niets liever dan hun beide ouders na een scheiding behouden en geven zelf aan de afwezigheid van hun vaders een enorm gemis te vinden. Zo blijkt uit een surveyonderzoek in 2004 door het tienerblad Bliss [3] onder 2000 Britse tienermeisjes dat zij zich gestresst en overbelast voelden door de scheidingsproblemen van hun ouders en vooral door het beroep dat op hen gedaan wordt door de verzorgende ouder, in 90% van de gevallen de moeder, voor steun in de met de andere ouder na de scheiding gevoerde strijd over de kinderen.

Kinderen uit nog intacte tweeoudergezinnen doen het erg veel beter dan kinderen van gescheiden ouders, zo is uit talloze onderzoeken inmiddels klip en klaar gebleken. Scheiden gaat dus per definitie ten koste van onze kinderen. Uit de metastudie “Child Adjustment in Joint-Custody Versus Sole-Custody: A Meta-Analytic Review” [4] van psycholoog Robert Bauserman, gepubliceerd door de American Psychological Association (APA), bleek echter dat kinderen, die na de scheiding opgroeien in co-ouderschapsarrangementen, het wel veel beter deden qua ontwikkeling en aanpassing aan de nieuwe situatie, dan kinderen opgegroeid in eenoudergezinnen. Zoveel beter, dat door het co-ouderschap de ideale situatie van een tweeoudergezin nog het best benaderd werd.

De kinderen opgroeiend in co-ouderschapsarrangementen bleken emotioneel en qua gedragsproblemen veel beter en meer positief aangepast zowel aan de scheidingssituatie zelf als meer in het algemeen, zij hadden meer zelfvertrouwen en konden makkelijker en beter relaties aangaan en onderhouden zowel binnen de familie als daarbuiten. Daarnaast bleken er in co-ouderschapsarrangementen ook veel minder conflicten voor de kinderen te bestaan dan in eenoudergezins- en zorgsituaties.

Co-ouderschap en gedeelde zorg tussen beide ouders na de scheiding bleek voor het welzijn van kinderen na een scheiding daarom van groot belang. In tegenstelling tot boven aangehaald onderzoek wordt in Nederland echter ten onrechte en tegen het belang van scheidingskinderen in, in slechts een schamele 3% van de scheidingen daadwerkelijk gedeeld co-ouderschap door de rechtbanken aan de beide ouders toegewezen: In verreweg het merendeel van de scheidingsbeschikkingen worden de kinderen door de rechtbank toewezen aan de alleenzorg van een van de ouders, meestal de moeder. En het toch al geringe aantal co-ouders wordt vervolgens door gebrek aan beleidsmatige ondersteuning en zelfs regelrechte tegenwerking van instanties en overheden het co-ouderschap vervolgens nog weer praktisch onmogelijk gemaakt in plaats dat het in het belang van de ontwikkeling van onze kinderen wordt ondersteund en bevorderd.

Als gevolg van de scheidingspraktijk bij Nederlandse familierechtbanken van toewijzing van de kinderen aan de moeder, groeien in Nederland nu ca. twee op elke vijf kinderen op onder de alleenzorg en betrokkenheid van slechts een van de beide ouders. Men spreekt hierbij inmiddels van eenouderghetto’s waar onze kinderen opgroeien. Door aansluitende falende en gebrekkige bescherming van het omgangsrecht van kinderen met de door de rechtbank buiten spel gezette andere ouder, bijna altijd de vader, is in Nederland daarnaast de noodlottige situatie voor kinderen ontstaan dat een op elk vijfde kind als gevolg van een scheiding van de ouders helemaal geen contact meer heeft met vader en zijn kant van de familie.

Het gaat hierbij om grote aantallen, geschat wordt dat in Nederland nu ca. 560.000 kinderen geheel vaderloos opgroeien terwijl nog eens ca. 560.000 Nederlandse scheidingskinderen slechts sporadisch contact hebben met vader in het kader van een zogenaamde omgangsregeling. De Nederlandse overheid heeft echter tot nu toe systematisch geweigerd om deze noodlottige situatie en praktijk en de gevolgen daarvan voor onze kinderen voor de Nederlandse situatie deugdelijk en onafhankelijk te laten onderzoeken en documenteren. Dat wordt de hoogste tijd.

Drs. Pieter A.N. Tromp is pedagoog/onderwijskundige en als coördinator verbonden aan het Vader Kennis Centrum van Stichting Kind en Omgangsrecht

Voetnoten en bronnen:

[1] Zweeds bevolkingsonderzoek naar de gevolgen van eenoudergezinnen voor kinderen:
Mortality, severe morbidity, and injury in children living with single parents in Sweden: a population-based study
Gunilla Ringbäck Weitoft, Anders Hjern, Bengt Haglund, Mans Rosén, The Lancet, Elsevier, Volume 361, Number 9354, 25, January 2003

[2] Metastudie naar de gevolgen voor kinderen wanneer zij vaderloos opgroeien:
Experiments in Living: The Fatherless Family, A Meta-analytic study
Rebecca O'Neill, Civitas Institute for the Study of Civil Society, September 2002
Meta-studie op grond van 75 onderliggende onderzoeken.

[3] Bliss Survey 2005: Girls take strain of parents' split
The Times and The Sunday Times Online - Britain, UK news, By Alexandra Frean, Social Affairs Correspondent; February 24, 2005


[4] Metastudie naar voor- en nadelen van gedeelde ouderlijke zorg (coöuderschap) na scheiding:
Child Adjustment in Joint-Custody Versus Sole-Custody: A Meta-Analytic Review
Robert Bauserman, Journal of Family Psychology by the American Psychological Association, Inc.2002, Vol. 16, No. 1, 91-102

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen