Posts tonen met het label omgang. Alle posts tonen
Posts tonen met het label omgang. Alle posts tonen

donderdag, november 15, 2012

562. EO De Vijfde Dag - Wanhopige strijd om kind - Pieter wil zijn zoon weer zien

Uitzending van EO - De Vijfde Dag op donderdagavond 15 november 2012 om 21.05 uur op Nederland 2

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


Pieter is boos op Jeugdzorg, omdat hij vindt dat ze hem tegen werken in het contact met zijn zoon. Sinds 2008 heeft Pieter zijn zoon door toedoen van jeugdzorg en de moeder niet meer gesproken. De Vijfde Dag over een vader die al ruim 10 jaar vecht voor een normale omgang met zijn zoon en in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek vrijwel op alle punten gelijk krijgt, maar desondanks nog steeds met lege handen staat.

Je zult het contact met je eigen kind verliezen. Jaarlijks overkomt dat vele duizenden ouders in Nederland. De Vijfde Dag volgt Pieter, die sinds zijn scheiding in 2001 een wanhopige strijd voert om zijn zoon Max te mogen zien.

Pieter heeft een omgangsregeling die hem het recht geeft om Max eens in de zoveel tijd te zien, maar zijn ex-vrouw weigert daar aan mee te werken. Als Pieter Max eens bij haar op komt halen, zegt zij dat hij ziek is. Wanneer hij zijn zoon toch meeneemt, belt zij de politie om aangifte te doen van ontvoering. Pieter wordt klemgereden door vier politieauto's en moet mee naar het bureau.

Ook de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg maakt niet dat Pieter zijn zoon vaker kan zien. Integendeel: in 2011 wordt het hem zelfs verboden om zijn zoon nog langer te zien. Volgens Jeugdzorg is dat om rust voor Max te creëren. Maar een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de rechter stelt Pieter in bijna alle punten in het gelijk. Jeugdzorg heeft gefaald, want de problemen van Max zijn alleen maar toegenomen tijdens hun bemoeienis.

De weg lijkt vrij voor Pieter om weer contact met Max op te nemen. Maar dat blijkt ingewikkelder dan het lijkt. En wil Max zijn vader eigenlijk wel zien?

Studiodiscussie
In de studio discussiëren Jan Dirk Sprokkereef van Jeugdzorg Nederland en familieadvocaat Resit Kaya met elkaar over de vraag hoe Bureau Jeugdzorg de waarheid kan achterhalen wanneer beide ouders elkaar tegenspreken. En hoe sterk moet de mening van het kind worden meegewogen?

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
EO - De Vijfde Dag : 14-11-2012

Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem.

Ouders die problemen ondervinden met een omgangsregeling, omdat de andere ouder niet meewerkt, kunnen een tweetal wegen bewandelen. Ze kunnen naar een advocaat stappen, die een civiele procedure start, maar ze kunnen ook naar de politie stappen en aangifte doen. Die laatste route blijkt door de opstelling van politie en justitie echter zelden succesvol. Ze verwijzen doorgaans terug naar het civiel recht.

Ten onrechte, volgens Benjamin Wondergem, die als recherchekundige én ervaringsdeskundige onderzoek deed onder politie en justitie naar hoe aangiftes bij omgangsproblemen worden behandeld. ,,Ik heb in mijn onderzoek gemerkt dat er veel te weinig kennis is, zowel bij de politie als bij justitie, over wat de strafrechtelijke mogelijkheden zijn als iemand weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Daardoor zijn agenten, maar ook officieren van justitie weinig geneigd om aangiftes op te nemen en te vervolgen.’’

Kinderen de dupe
De route via de familierechter is vaak een lange, geldverslindende procedure die soms jarenlang duurt, volgens Wondergem. ,,Daardoor worden kinderen onnodig gedupeerd. Hoe langer zoiets duurt, hoe moeilijker de situatie komt te liggen. Omdat kinderen steeds meer loyaliteit ervaren richting de ouder bij wie ze wonen en daardoor bij ruzie tussen de ouders ook steeds meer vervreemd raken van de andere ouder. Er moet dus snel gehandeld worden.’’

Het strafrecht biedt mogelijkheden om snel en effectief te handelen, volgens Wondergem. Toch biedt het geen garantie op succes: ,,Als je een ouder- veroordeelt, geeft dat nog geen garantie dat de andere ouder daarna het kind wel kan zien. Maar het is in ieder geval een belangrijk signaal naar ouders toe, dat ze niet zomaar ongestraft niét mee kunnen werken aan een omgangsregeling.’’

Mediation
De echte oplossing zit er volgens Wondergem in dat ouders beseffen wat ze hun kind aandoen, door voortdurend confrontaties te zoeken en niet mee te werken. ,,Als politie en justitie snel handelen en de zaak voor de rechter komt, moet er eigenlijk direct mediation komen. Verplichte behandeling! Een ouder moet inzien wat hij of zij een kind aandoet door het van de andere ouder weg te houden en daarmee het kind in een conflictsituatie te plaatsen.’’

+ Handleiding Aangifte Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij niet nakomen omgang bij gezamenlijk gezag van het Vader Kennis Centrum

Bij deze reportage

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem hier.


VADER KENNIS CENTRUM
Informatie en kennis die eraan bijdraagt om de rol van beide ouders bij de opvoeding van, de zorg voor en het onderwijs aan kinderen op waarde te schatten en met overheidsbeleid te ondersteunen. Zie hier.

Samenvatting kijkersreacties: Kijker overwoog zelfmoord door omgangsproblemen
Een samenvatting van de bijna tweehonderd reacties leverde de reportage over omgangsproblemen op, die De Vijfde Dag op donderdag 15 november 2012 uitzond. Sommige kijkers hebben zelfs zelfmoord overwogen vanwege de omgangsproblemen. U leest de samenvatting hier.

Wat kun je doen als je ex-partner niet meewerkt aan een omgangsregeling?
Je ex-partner staat je niet toe je kind te blijven zien. De afgesproken omgangsregeling wordt niet nageleefd. Wat kun je dan doen? De Vijfde Dag zet het hier op een rijtje.

Waarom Max onherkenbaar is gemaakt
De Vijfde Dag heeft er bewust voor gekozen om ‘Max’ onherkenbaar in beeld te brengen. Dit omdat de minderjarige jongen al slachtoffer is van de situatie waarin hij zich bevindt en hij niet ook nog eens ‘slachtoffer’ moet worden van een uitzending waarin de ruzie tussen zijn ouders centraal staat. Zie verder hier.


dinsdag, januari 04, 2011

400. Zitting over gezamenlijk gezag en de verdeling van de zorg en opvoedtaken na scheiding bij de Rechtbank Utrecht (Video)

Bron: EO – programma De Rechtbank – Aflevering 5 - Player omroep.nl - Dinsdag 4 januari 2011 om 22:35

Video (familierechtzaak begint vanaf min. 4:20):

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

1. Bedreigingszaak van een ambtenaar in functie bij de politierechter
Strafrechter Paola Bernini treft tijdens haar zitting verdachte B. tegen over zich. Hij heeft agenten uitgescholden en bedreigd, en zit nu in voorarrest. De verdachte B. kan zich weinig herinneren van het voorval. Een grote hoeveelheid bier is daar debet aan. Advocaat mr. Labee houdt zijn hart vast of zijn cliënt zich kan beheersen tijdens de zitting.

2. Familierechtzaak inzake gezamenlijk gezag en de verdeling van de zorg en opvoedtaken na scheiding bij de Rechtbank Utrecht (vanaf min. 4:20)
Elf jaar waren ze samen,de heer en mevrouw Orij-Hazeleger. Inmiddels is de liefde dusdanig bekoeld dat ze elkaar, voor het eerst sinds een jaar, weer treffen in de rechtbank. Inzet is het ouderlijk gezag en een omgangsregeling betreffende de kinderen. Voor zowel de vader als moeder is het een beladen zitting. Aan familierechter Bart van Meegen om zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen in de, inmiddels niet meer leefbare, situatie.

3. Verkeersovertredingen bij de kantonrechter
Voor kantonrechter Sjef de Laat staat de ochtend in het kader van verkeersovertredingen. Een vrouw ontvangt een bekeuring voor te hard rijden, maar heeft zelf niet achter het stuur gezeten. Ze weigert te betalen. Haar zoon blijkt meer te weten van de overtreding.

donderdag, januari 22, 2009

228. Persaankondiging - Moeder voor de eerste keer vervolgd voor niet nakomen omgangsregeling na scheiding

Persbericht: Utrecht, 21 januari 2009

A.s. donderdag 22 januari, 13.00 uur bij de rechtbank Leeuwarden:

Moeder vervolgd voor niet nakomen omgangsregeling na scheiding

Voor de eerste keer in Nederland moet een moeder zich voor de strafrechter verantwoorden, omdat ze jarenlang elke medewerking aan contact en omgang tussen vader en zoon weigerde en de beschikte omgangsregeling niet nakwam. De uitspraak is vooral van belang voor de vele vaders die door hun ex belemmerd worden in de door de rechtbank beschikte omgang met hun kinderen, zonder dat daar tot nu toe veel aan werd gedaan. Daar lijkt nu verandering in te komen.

De moeder in deze zaak wordt vervolgd en gedagvaard door het Openbaar Ministerie op aangifte van vader van onttrekking aan het ouderlijk gezag (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) en moet zich nu komende donderdag 22 januari om 13.00 uur voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Leeuwarden verantwoorden. Uitspraak volgt twee weken later. Veel gescheiden vaders maken hetzelfde door en als gevolg daarvan rolt deze zaak nu ook als een sneeuwbal door het hele land. Het gevolg is dat op 20 februari in Maastricht een gelijksoortige zaak voor de politierechter komt en dat overal in Nederland aangiftes worden gedaan op basis van Art. 279.

Voorgeschiedenis:

Handleiding van Vaderkenniscentrum voor aangifte “Onttrekking Ouderlijk Gezag (WvS, Art 279)” bij niet-nakoming omgangsregeling bij gezamenlijk gezag

25 september 2005 - Vaderkenniscentrum – Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 6 – Belangrijke uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005 voor omgangsouders met gezamenlijk gezag : Het niet-nakomen van de (voorlopige) omgangsregeling bij gezamenlijk gezag is onttrekking aan ouderlijk gezag en strafbaar

25 september 2005 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 7 - Stappenplan aangifte (1)

14 oktober 2005 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 13 - Stappenplan aangifte (2)

21 februari 2007 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding, Bericht 110 - Aanbeveling Nationale Ombudsman aan Politie (Rapport 2007/034)

In 2001 wordt de scheiding tussen moeder en vader uitgesproken. Er volgen enkele mislukte bemiddelingspogingen bij de mediator en de kinderbescherming over de omgang tussen vader en zoon. Moeder weigert echter acht jaar lang elke medewerking. In maart 2007 bepaalt het gerechtshof in Leeuwarden dat er omgang tussen zoon en vader moet komen: “Wij kunnen geen enkele reden bedenken waarom het kind zijn vader niet zou kunnen zien.” Moeder geeft echter meteen aan het kind niet voor te zullen bereiden op omgang en wenst hieraan ook verder niet mee te werken. Het Gerechtshof bepaalt dan tevens dat vader m.b.v. de sterke arm van politie/justitie de uitvoering van het vonnis kan afdwingen. Toen vader zich echter na hernieuwde weigering van moeder uiteindelijk bij het politiebureau meldde, werd dit vonnis van het gerechtshof afgeserveerd als “civiele kwestie” en weigerde de politie actie te ondernemen!

Vanaf mei 2007 doet vader dan na elke gemiste omgang bij de politie aangifte van “onttrekking aan het ouderlijk gezag” (WvS, Art. 279). Eerst na veel aandringen bij, en briefwisselingen met, politie en justitie neemt de politie uiteindelijk deze aangifte op. In december 2008 wordt moeder eerst gedagvaard voor de politierechter. Al snel trekt de officier van Justitie de zaak terug en wordt de zaak nu komende donderdag voorgelegd aan de meervoudige strafkamer[1].

Vader

Vader Peter Brons uit Burgum (Frl) zag na 8 jaar wachten geen andere uitweg meer dan aangifte. Hij zegt: “Ik wil als vader graag deel uit blijven maken van het leven van mijn zoon, hem waar nodig helpen bij school en schoolkeuze, hem terzijde staan in verdriet en succes.” “Omdat er in Nederland t.a.v. FAMILY LIFE na scheiding echter tot nu toe geen enkele rechtshandhaving plaatsvindt, bepaald de moeder in feite naar eigen bevinden of een rechtsuitspraak wel of niet wordt nageleefd. In de praktijk heeft de rechtspraak dus geen enkele praktische betekenis. Als het gaat om moeders die verzoeken om rechtshandhaving, is de politie echter niets te dol en zet men klakkeloos het zwaailicht aan.”

Zittingsgegevens Rechtbank Leeuwarden

Tijdstip: donderdag 22 januari om 13.00 uur; Locatie: Rechtbank Leeuwarden, Zaailand 102 te Leeuwarden (Graag bij de balie aanmelden voor de zaak Norbruis - Zaal A)

Verdere inlichtingen bij:

Peter Brons (de vader in deze zaak), e. pbrons@chello.nl

Drs. Peter A.N. Tromp (Vaderkenniscentrum), t. 030-238 3636, e. vaderkenniscentrum@gmail.com



[1] Vanwege het unieke karakter en belang van deze zaak heeft het OM de zaak nu voorgelegd aan de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank. En vanwege de verwachte publieke belangstelling heeft de Rechtbank Leeuwarden de zitting van de donderdagmorgen naar de middag verplaatst. Verder besteed NOVA in haar uitzending van donderdagavond a.s. ook aandacht aan deze zaak.

Zie verder ook


dinsdag, april 08, 2008

187. Bevel Hoge Raad aan Bureau Jeugdzorg mee te werken aan vastgestelde omgang met onder toezicht gestelde minderjarige (LJN: BC0261)

Bureau Jeugdzorg in de fout
Jurofoon - Publicatiedatum: 9 april 2008

Bureau Jeugdzorg dient op te treden in het belang van het kind. Door een rechterlijk vonnis naast zich neer te leggen, heeft de instantie niet in dit belang opgetreden en bovendien onrechtmatig gehandeld naar de moeder toe, aldus de Hoge Raad.

Bureau Jeugdzorg

Bureau Jeugdzorg (BJZ) geldt in Nederland als de toegangspoort voor de gehele jeugdzorg. Het is een stichting waarvan de belangrijkste wettelijke taken zijn: indicatiestelling, uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Het belang van het kind staat daarbij centraal. Althans, dat is het uitgangspunt.

Medewerkers

De medewerkers van BJZ beoordelen elk verzoek om hulp en indien nodig ondernemen ze ongevraagd actie. Ze stellen vast welke zorg in een concrete situatie nodig is. Ze begeleiden kinderen, jongeren en ouders of verwijzen hen door naar andere hulpverleners. Dat daarin wel eens wat fout gaat, blijkt uit de volgende zaak die tot aan de Hoge Raad werd uitgevochten.

De zaak

Het ging in deze zaak om de vraag of de moeder die het gezag over haar kind niet meer had, rechten kon ontlenen aan een beslissing van de rechter op het verzoek van BJZ om de omgangsregeling tussen de moeder en haar zoon te wijzigen.

Na de scheiding in 1999 komt de nu nog minderjarige zoon van een echtpaar bij de gezaghebbende vader te wonen. Sinds 2004 staat de zoon onder toezicht van BJZ. De rechter heeft in datzelfde jaar een omgangsregeling tussen de moeder en de zoon vastgesteld.

BJZ heeft vervolgens tegen de ouders bij de rechtbank een procedure ingesteld om de omgangsregeling op te schorten. De rechter schortte daarop de omgangsregeling tussen de moeder en zoon voor de duur van drie maanden op. Daarna heeft de rechter opnieuw voor drie maanden de omgang opgeschort. De vrouw vecht deze beslissing aan en krijgt van de rechter gelijk: er was geen grond voor verdere opschorting van de omgangsregeling en de rechter bepaalde dat BJZ haar medewerking moest verlenen aan de regeling.

Weigering BJZ

BJZ kondigde echter schriftelijk aan niet mee te zullen werken aan de vastgestelde omgangsregeling. Zij was van mening dat de begeleiding van de omgang op deskundige, zorgvuldige en neutrale wijze dient plaats te vinden en dat zij een andere instantie ingeschakeld had om de omgang voor te bereiden en te begeleiden.

Daarop dagvaardde de moeder BJZ in kort geding en vorderde dat BJZ werd veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling zoals door de rechter was bepaald. Tevens verzocht ze BJZ een dwangsom van € 10.000,- op te leggen indien ze geen medewerking zou verlenen.

De moeder geeft aan dat het in het belang van de zoon is dat hij contact heeft met zijn moeder, dat BJZ gehouden is het vonnis van de rechter na te komen en dat er geen enkele reden is om een andere instantie in te schakelen. BJZ was het daar niet mee eens en voerde onder meer aan dat de belangen van de zoon voldoende moeten worden gewaarborgd.

Hoger beroep

De voorzieningenrechter bepaalde dat BJZ (opnieuw) haar medewerking diende te verlenen aan de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-.

BJZ stelde hoger beroep in en het Hof vernietigde het bestreden vonnis en wees het verzoek van de moeder af.

De moeder stelt cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Zij klaagde dat het Hof heeft miskend dat het geschil de uitvoering betreft van het vonnis van de rechtbank. Daarnaast zou het oordeel van het Hof dat BJZ geen procespartij is in het geschil tussen de moeder en de vader over de omgangsregeling, niet van beslissende betekenis zijn.

De Hoge Raad

BJZ was de verzoeker in de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van de omgangsregeling door de rechtbank. De rechtbank heeft tevens voorzien in maatregelen waaraan BJZ haar medewerking diende te verlenen. De opvatting van het Hof dat dit deel van het vonnis niet bindend zou zijn voor BJZ, klopte volgens de Raad niet.

Indien BJZ van oordeel was dat in het vonnis van de rechtbank aan haar ten onrechte verplichtingen werden opgelegd, of zij op een ander manier tegen de opgelegde verplichtingen bezwaar had, had zij deze bezwaren in hoger beroep aan het Hof kunnen voorleggen, maar zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad vernietigde het vonnis van het Hof en BJZ werd veroordeeld in de proceskosten.


Jeugdzorg verzet zich niet (meer) tegen omgangsregeling
Noordhollands Dagblad – Haarlem - 01 april 2008

Haarlem - Bureau Jeugdzorg Noord-Holland verzet zich niet meer tegen de omgangsregeling van een gescheiden moeder uit Alkmaar en haar zoontje. Dat meldt een woordvoerder van Bureau Jeugdzorg naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad deze week.

De Hoge Raad besliste de in de zaak die al drie jaar sleept, dat de moeder haar kind mag zien. Bij de scheiding in 1999 ging de destijds 4-jarige jongen bij zijn vader wonen. In 2004 besliste de rechter al dat het kind recht had op een omgangsregeling. Jeugdzorg procedeerde om de regeling op te schorten.

Meer in het Noordhollands Dagblad van woensdag 2 april 2008


LJN: BC0261, Hoge Raad , C06/230HR

Datum uitspraak: 21-03-2008
Datum publicatie: 21-03-2008
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie: Familierecht. Kort geding; vordering van moeder tot bevel aan Bureau Jeugdzorg mee te werken aan door rechter vastgestelde omgangsregeling met haar onder toezicht gesteld minderjarig kind; gebondenheid van BJZ aan dictum eerdere beschikking.

Uitspraak 21 maart 2008

Eerste Kamer
Nr. C06/230HR
MK/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De moeder],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-HOLLAND,
gevestigd te Haarlem,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en BJZ.

1. Het geding in feitelijke instanties

De moeder heeft bij exploot van 29 november 2005 BJZ in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar en gevorderd, kort gezegd, BJZ te bevelen haar medewerking te verlenen aan de door de rechtbank Alkmaar bij beschikking van 16 november 2005 bepaalde omgangsregeling tussen de moeder en haar minderjarige zoon [de zoon], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

BJZ heeft de vordering bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 6 december 2005 BJZ bevolen haar medewerking te verlenen aan de door de rechtbank Alkmaar bij beschikking van 16 november 2005 bepaalde omgangsregeling, in die zin dat het eerste herstelcontact zal plaatsvinden op woensdag 7 december 2005 van 12.15 uur tot 15.45 uur, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Tegen dit vonnis heeft BJZ hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 8 juni 2006 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de moeder alsnog afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen BJZ is verstek verleend.

De zaak is voor de moeder toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en afdoening als onder 3.16 van de conclusie aangegeven.

3. Beoordeling van het middel

3.1Het gaat in cassatie om het volgende.

(i) De moeder is gehuwd geweest met [de vader]. Dit huwelijk is in 1999 door echtscheiding ontbonden.

(ii) Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 1995 de thans nog minderjarige zoon [de zoon] geboren.

(iii) [De zoon] verblijft sinds de echtscheiding bij de vader en deze is belast met het gezag over hem.

(iv) Sedert november 2004 staat [de zoon] onder toezicht van BJZ. Daarbij fungeert [betrokkene 1] als gezinsvoogd.

(v) Tussen de moeder en de vader is een aantal procedures aanhangig geweest omtrent een omgangsregeling tussen de moeder en [de zoon]. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 22 juli 2004, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald

"[...] dat [de zoon] en de moeder recht op omgang met elkaar hebben, onder begeleiding van de gezinsvoogd(es) of een vervanger onder de voorwaarde dat [de zoon] onder neutrale door de gezinsvoogd(es) te bepalen therapeutische behandeling zal worden gesteld, inhoudende:

- dat gedurende de eerste drie keer, op 8 september 2004, 22 september 2004 en 7 oktober 2004 één maal per veertien dagen op woensdag van 11.30 uur tot 15.00 uur omgang zal plaatsvinden, waarbij de gezinsvoogd of diens vervanger [de zoon] zal halen en brengen;

- dat daarna de omgangsregeling zal worden uitgebreid, waarbij de invulling in handen is van de gezinsvoogdij-instelling met inachtneming van de advisering van de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar in deze en met dien verstande dat gestreefd dient te worden naar een omgangsregeling van uiteindelijk één weekend per veertien dagen;

- gelast de vader de aanwijzingen van de gezinsvoogd(es) ten aanzien van de omgangsregeling zonder het stellen van enige voorwaarde stipt op te volgen en [de zoon] op positieve wijze voor te bereiden op het contact met zijn moeder."

(vi) Vervolgens heeft BJZ tegen de moeder en de vader een procedure bij de rechtbank te Alkmaar aanhangig gemaakt om de omgangsregeling op te schorten. De rechtbank heeft bij beschikking van 6 april 2005 de omgangsregeling tussen de moeder en [de zoon] opgeschort voor de duur van drie maanden. In een proces-verbaal van 5 juli 2005 is vastgelegd dat de rechtbank de omgang nogmaals voor drie maanden heeft opgeschort. Bij beschikking van 16 november 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden was voor verdere opschorting van de omgangsregeling zoals deze door het hof is vastgelegd op 22 juli 2004. Het dictum van deze beschikking luidt als volgt:

" De rechtbank: Wijst het verzoek van BJZ af, in die zin dat de omgangsregeling zal plaatsvinden als volgt:

- drie herstelcontacten van eenmaal per veertien dagen op woensdagmiddag van 11.30 uur tot 15.00 uur, welke door de gezinsvoogd (eventueel met behulp van de Raad voor de Kinderbescherming) zullen worden gefaciliteerd en voor het eerst zullen plaatsvinden op 30 november 2005;

- daarna een uitbreiding van de omgangsregeling waaraan de gezinsvoogd invulling zal geven (met inachtneming van de advisering van de Raad in deze) en met dien verstande dat gestreefd dient te worden naar een omgangsregeling van uiteindelijk een weekend per veertien dagen;

- de vader dient de aanwijzingen van de gezinsvoogd ten aanzien van de omgangsregeling stipt op te volgen zonder het stellen van enige voorwaarde en [de zoon] op positieve wijze voor te bereiden op het contact met zijn moeder.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad."

(viii) BJZ heeft aangekondigd niet te zullen meewerken aan de in de voormelde beschikking vastgestelde omgangsregeling. Bij brief van 25 november 2005 gericht aan de ouders van [de zoon] heeft BJZ meegedeeld dat zij de omgang geleidelijker wenste op te bouwen dan de rechtbank had bepaald en dat zij Bureau [A] had ingeschakeld om de omgang voor te bereiden en te begeleiden. De eerste omgang onder begeleiding zou volgens BJZ dienen plaats te vinden op 7 december 2005 van 19.00 tot 20.00 uur.

(ix) Bij de onderhavige procedure inleidende dagvaarding van 29 november 2005 heeft de moeder BJZ in kort geding gedagvaard voor de rechtbank en gevorderd dat BJZ zou worden veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling zoals bepaald in de beschikking van 16 november 2005, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat BJZ daarmee in gebreke blijft.

(x) De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen, met dien verstande dat hij heeft bepaald dat het eerste herstelcontact zou plaatsvinden op 7 december 2005 van 12.15 tot 15.45 uur.

(xi) Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering van de moeder alsnog afgewezen.

3.2 Het hof heeft daartoe, verkort weergegeven, het volgende overwogen.

(1) BJZ is geen procespartij in het geschil tussen de moeder en de vader over de omgangsregeling, in welk geschil ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis laatstelijk op 22 juli 2004 door het hof een beschikking was gegeven.

(2) In de positie van BJZ is geen verandering gekomen door de beschikking van de rechtbank van 16 november 2005 in de zaak die BJZ tegen de moeder en de vader aanhangig had gemaakt. Het dictum van die uitspraak houdt slechts in dat het verzoek van BJZ tot nadere opschorting van de omgangsregeling tussen de moeder en [de zoon] wordt afgewezen. Ten overvloede bevat het dictum (kennelijk uit praktische overwegingen) een actualisering van de door het hof op 22 juli 2004 bepaalde omgangsregeling. Dat de beschikking niet anders kan worden uitgelegd volgt ook uit de laatste overweging van de rechtbank, waarin naar de beschikking van 22 juli 2004 wordt verwezen.

(3) De voorzieningenrechter heeft derhalve in het bestreden vonnis van 6 december 2005 ten onrechte geoordeeld en aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat uit de beschikking van 16 november 2005 voor BJZ jegens de moeder (rechtens afdwingbare) verplichtingen voortvloeien.

3.3 In het midden kan blijven of BJZ gebonden was aan de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2004. In de procedure die geleid heeft tot de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 16 november 2005 was BJZ immers verzoeker. In het dictum heeft de rechtbank mede voorzien in maatregelen waaraan BJZ haar medewerking diende te verlenen. De opvatting van het hof dat dit deel van het dictum als ten overvloede gegeven en daarom niet BJZ bindend moet worden beschouwd, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Anders dan het hof heeft aangenomen, kan de overweging van de rechtbank dat "er naar het oordeel van de rechtbank geen reden [is] voor verder opschorting van de omgangsregeling zoals deze door het Hof is vastgelegd op 22 juli 2004" voor deze opvatting ook geen steun bieden.

Indien BJZ van oordeel was dat in de beschikking van de rechtbank aan haar ten onrechte verplichtingen werden opgelegd, of zij anderszins tegen de opgelegde verplichtingen bezwaar had, had zij deze bezwaren in hoger beroep aan het gerechtshof te Amsterdam kunnen voorleggen, maar zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het middel, dat op dit een en ander gerichte klachten bevat, slaagt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 8 juni 2006;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt BJZ in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de moeder begroot op € 3014,05 in totaal, waarvan € 2857,34 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 62,-- aan de moeder.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 21 maart 2008.


Conclusie

Rolnr. C06/230HR

Mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 26 oktober 2007

Conclusie inzake:

[De moeder]

tegen

De stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland

Het gaat in deze zaak om de vraag of de niet met het gezag belaste moeder rechten jegens Bureau Jeugdzorg als gezinsvoogdij-instelling kan ontlenen aan een door de kinderrechter gegeven beslissing op het verzoek van BJZ tot wijziging van de omgangsregeling tussen haar en haar zoon.

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Eiseres tot cassatie, [de moeder], hierna ook: de moeder, is gehuwd geweest met [de vader], hierna ook: de vader. Bij beschikking van 15 juli 1999 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken.

1.2 Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 1995 de thans nog minderjarige zoon [de zoon], hierna [de zoon], geboren.

1.3 [De zoon] verblijft sinds de echtscheiding bij zijn vader. Bij beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 24 augustus 2000 is de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar bekrachtigd waarbij de vader is belast met het gezag over [de zoon](3).

Sedert november 2004 staat [de zoon] onder toezicht van verweerster in cassatie, BJZ. Daarbij fungeert [betrokkene 1] als gezinsvoogd.

1.4 In een van de procedures tussen [de moeder] en [de vader] over de omgangsregeling tussen [de zoon] en zijn moeder heeft het gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 22 juli 2004(4) bepaald dat [de zoon] en zijn moeder recht op omgang met elkaar hebben onder begeleiding van de gezinsvoogd of een vervanger en onder de voorwaarde dat [de zoon] onder neutrale therapeutische behandeling wordt gesteld, en heeft het hof, uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling vastgesteld.

1.5 BJZ heeft vervolgens tegen [de moeder] en [de vader] bij de rechtbank te Alkmaar een procedure aanhangig gemaakt om de omgangsregeling op te schorten. De rechtbank heeft bij beschikking van 6 april 2005(5) de omgangsregeling tussen [de moeder] en [de zoon] voor de duur van drie maanden opgeschort. In een proces-verbaal van 5 juli 2005 is vastgelegd dat de rechtbank de omgang nogmaals voor drie maanden heeft opgeschort.

1.6 Bij beschikking van 16 november 2005(6) heeft de rechtbank het verzoek van BJZ afgewezen en uitvoerbaar bij voorraad een omgangsregeling bepaald.

1.7 BJZ heeft aangekondigd niet te zullen meewerken aan de in de voormelde beschikking vastgestelde omgangsregeling. Bij brief van 25 november 2005 gericht aan de ouders van [de zoon] heeft BJZ meegedeeld van mening te zijn dat de begeleiding van de omgang op deskundige, zorgvuldige en neutrale wijze dient plaats te vinden en dat zij Bureau [A] heeft ingeschakeld om de omgang voor te bereiden en te begeleiden; de eerste omgang zou volgens BJZ dienen plaats te vinden op 7 december 2005 van 19.00 tot 20.00 uur.

1.8 Bij inleidende dagvaarding van 29 november 2005 heeft [de moeder] BJZ in kort geding gedagvaard voor de rechtbank te Alkmaar en gevorderd dat BJZ wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling zoals bepaald in de beschikking van 16 november 2005 op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat BJZ daarmee in gebreke blijft.

1.9 [De moeder] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat het in het belang van [de zoon] is dat hij contact heeft met zijn moeder, dat BJZ gehouden is de beschikking van 16 november 2005 na te komen en dat er geen enkele reden is om Bureau [A] in te schakelen.

1.10 BJZ heeft de vordering bestreden en onder meer aangevoerd dat de belangen van [de zoon] voldoende gewaarborgd moeten worden, hetgeen meebrengt dat de bezoekregeling van [de zoon] met zijn moeder niet alleen zorgvuldig maar ook geleidelijk wordt opgebouwd.

1.11 Na behandeling van de zaak ter zitting van 5 december 2005 heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 6 december 2005, uitvoerbaar bij voorraad, BJZ bevolen haar medewerking te verlenen aan de door de rechtbank op 16 november 2005 bepaalde omgangsregeling met nevenvorderingen, in die zin dat het eerste herstelcontact zal plaatsvinden op woensdag 7 december 2005 van 12.15 uur tot 15.45 uur, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat BJZ in gebreke blijft met de nakoming van dit vonnis.

1.12 BJZ is, onder aanvoering van zes grieven, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam en heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden kort gedingvonnis, en tot afwijzing van de vorderingen van [de moeder].

1.13 [De moeder] heeft de grieven bestreden en - klaarblijkelijk - geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter.

Ter zitting van 24 maart 2006 heeft BJZ haar standpunt doen toelichten(7) en bij monde van [betrokkene 2], teamleider, desgevraagd nog nadere inlichtingen verstrekt.

[De moeder] is ter zitting niet verschenen.

1.14 Bij arrest van 8 juni 2006 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter te Alkmaar van 6 december 2005 vernietigd, de vorderingen van [de moeder] alsnog afgewezen en [de moeder] veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep ter grootte van € 4.071,60.

1.15 [De moeder] heeft tegen dit arrest tijdig(8) cassatieberoep ingesteld.

Tegen BJZ is verstek verleend.

[De moeder] heeft het cassatieberoep schriftelijk toegelicht.

2. Ontvankelijkheid

2.1 In de schriftelijke toelichting heeft [de moeder] - onder 25-27 - vermeld dat inmiddels in zoverre uitvoering is gegeven aan de beschikking van de rechtbank van 16 november dat herstelcontacten zijn gehouden op 21 december 2005, 18 januari 2006 en 8 februari 2006 (onder begeleiding van Bureau [A]).

2.2 Dit doet de vraag rijzen of [de moeder] nog belang heeft bij haar cassatieberoep.

Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord nu zij in de proceskosten (van beide instanties) is veroordeeld en in ieder geval om die reden belang heeft bij de vernietiging van de bestreden uitspraak(9).

2.3 [De moeder] is mitsdien ontvankelijk in haar cassatieberoep.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het middel is gericht tegen rechtsoverweging 4.9, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"In de grieven van BJZ ligt besloten het standpunt dat [de moeder] jegens haar geen rechten kan ontlenen aan de uitspraak van de rechtbank van 16 november 2005. Dit standpunt acht het hof juist. Immers, BJZ is geen procespartij in het geschil tussen [de moeder] en [de vader] over de omgangsregeling, in welk geschil ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis laatstelijk op 22 juli 2004 door dit hof een beschikking was gegeven.

In de positie van BJZ is geen verandering gekomen door de beschikking van de rechtbank van 16 november 2005 in de zaak die BJZ tegen [de moeder] en [de vader] aanhangig had gemaakt. Het dictum van die uitspraak houdt slechts in dat het verzoek van BJZ tot nadere opschorting van de omgangsregeling tussen [de moeder] en [de vader] wordt afgewezen. Ten overvloede bevat het dictum (kennelijk uit praktische overwegingen) een actualisering van de door het hof op 22 juli 2004 bepaalde omgangsregeling. Dat de beschikking niet anders kan worden uitgelegd volgt ook uit de laatste overweging van de rechtbank, waarin naar de beschikking van 22 juli 2004 wordt verwezen. Derhalve heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis van 6 december 2005 ten onrechte geoordeeld en aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat uit de beschikking van 16 november 2005 voor BJZ jegens [de moeder] (rechtens afdwingbare) verplichtingen voortvloeien."

3.2 Kern van het middel is de klacht dat het hof heeft miskend dat het onderhavige geschil de uitvoering betreft van de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 16 november 2005 die BJZ zelf heeft uitgelokt en dat het oordeel van het hof dat BJZ geen procespartij is in het geschil tussen de moeder en de vader over de omgangsregeling niet van beslissende betekenis is.

Juridisch kader

3.3 Zoals hiervoor onder 1.3 vermeld staat [de zoon] sinds november 2004 onder toezicht van BJZ. BJZ fungeert in dezen als gezinsvoogdij-instelling(10) als bedoeld in art. 1:254 BW en is mitsdien verantwoordelijk voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De taak van BJZ als gezinsvoogdij-instelling is omschreven in art. 1:257 BW: toezicht houden op de minderjarige en hulp en steun bieden aan de ouder die met het gezag is bekleed, afhankelijk van de omstandigheden. In de praktijk wordt de zorg in het kader van de gezinsvoogdij aangeboden door de gezinsvoogdijwerker in dienst van de stichting die het BJZ in stand houdt(11).

3.4 Dat de ondertoezichtstelling geen vrijblijvend karakter heeft, blijkt uit het feit dat de ouder niet vrij is de hem geboden hulp te weigeren. Zo kan BJZ ingevolge art. 1:258 BW de ouder aanwijzingen geven die hij dient op te volgen. Het in ernstige mate veronachtzamen van dergelijke aanwijzingen kan voor de kinderrechter aanleiding zijn een ouder zijn gezag over het kind te ontnemen (art. 1:269 lid 1 onder d BW)(12). Een van de aanwijzingen die de gezinsvoogdij-instelling kan geven betreft de beperking van de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind (art. 1: 263a BW).

3.5 Ook ten opzichte van de niet met gezag belaste ouder kan de gezinsvoogdij-instelling met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling ingrijpen in de uitoefening van het omgangsrecht. Art. 1:263b BW biedt hiervoor de grondslag. In een dergelijk geval dient echter de kinderrechter te worden ingeschakeld(13).

3.6 De art. 1:263a en 263b BW zijn bij Nota van Wijziging(14) in het Wetsvoorstel tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen opgenomen naar aanleiding van opmerkingen van de CDA-fractie in de Tweede Kamer dat een aanwijzing van de gezinsvoogdij-instelling die betrekking heeft op de omgang, ten opzichte van alle belanghebbenden zou moeten werken. De Staatssecretaris van Justitie antwoordde daarop als volgt:

"Dat de gezinsvoogdij-instelling het contact tussen de met gezag belaste ouder en het kind kan beperken door het geven van een schriftelijke aanwijzing valt af te leiden uit HR 4 juni 1971, NJ 1971, 391. Het is juist dat een aanwijzing die betrekking heeft op de omgang, reeds thans, alleen door de met gezag belaste ouder en het kind behoeft te worden opgevolgd. Ingevolge het wetsvoorstel kunnen de ouder en het kind zich tot de rechter wenden met het verzoek de aanwijzing in te trekken. Ten aanzien van andere belanghebbenden is de positie van gezinsvoogdij-instelling anders. Met name kan zij een door de rechter ten behoeve van de niet met het gezag belaste ouder of een andere belanghebbende vastgestelde omgangsregeling niet opzij zetten. Ik onderschrijf echter de vaststelling van de CDA-leden dat beperking van de omgang in de ondertoezichtstelling-praktijk een regelmatig voorkomend fenomeen is en dat daarbij ook anderen dan de met gezag belaste ouder bij worden betrokken.

Ik acht het dan ook bij nader inzien wenselijk om daarvoor een grondslag in het onderhavige wetsvoorstel op te nemen. De bedreigde positie van het kind, die een kinderbeschermingsmaatregel nodig maakte, kan rechtvaardigen dat een rechterlijke beslissing over omgangsrecht op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling wordt gewijzigd. Daartoe wordt bij nota van wijziging een bepaling voorgesteld op grond waarvan wijziging van een omgangsregeling door de kinderrechter mogelijk is voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling."(15)

3.7 In de Nota naar aanleiding van het eindverslag herhaalde de Staatssecretaris nog eens dat de gezinsvoogdij-instelling niet de bevoegdheid heeft een door de rechter vastgestelde omgangsregeling opzij te zetten, maar dat zij de rechter kan verzoeken een bestaande omgangsregeling te wijzigen op de voet van art. 1:263b BW(16).

De onderhavige zaak

3.8 Uit de beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 6 april 2005 blijkt dat BJZ bij ter griffie van de rechtbank op 11 januari 2005 ingekomen verzoekschrift heeft verzocht de door het gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 22 juli 2004 vastgestelde omgangsregeling tussen [de zoon] en zijn moeder met een jaar uit te stellen.

Ik veronderstel - de stukken geven geen informatie, laat staan uitsluitsel op dit punt - dat BJZ de onder 3.5 genoemde wetsbepaling aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd.

3.9 BJZ was de verzoekende procespartij in genoemde procedure, de moeder en de vader zijn beiden als gerequestreerden aangemerkt. De procedure was mitsdien een driepartijen-geschil.

3.10 De rechtbank heeft de omgangsregeling tweemaal voor een periode van drie maanden geschorst en ten slotte bij beschikking van 16 november 2005 verdere schorsing afgewezen en als volgt beslist:

"De rechtbank:

Wijst het verzoek van BJZ af, in die zin dat de omgangsregeling zal plaatsvinden als volgt:

- drie herstelcontacten van een maal per veertien dagen op woensdagmiddag van 11.30 uur tot 15.00 uur, welke door de gezinsvoogd (eventueel met behulp van de Raad voor de Kinderbescherming) zullen worden gefaciliteerd en voor het eerst zullen plaatsvinden op 30 november 2005;

- daarna een uitbreiding van de omgangsregeling waaraan de gezinsvoogd invulling zal geven (met inachtneming van de advisering van de Raad in deze) en met dien verstande dat gestreefd dient te worden naar een omgangsregeling van uiteindelijk een weekend per veertien dagen;

- de vader dient de aanwijzingen van de gezinsvoogd ten aanzien van de omgangsregeling stipt op te volgen zonder het stellen van enige voorwaarde en [de zoon] op positieve wijze voor te bereiden op het contact met zijn moeder.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad."

3.11 BJZ is van deze beschikking niet in hoger beroep gekomen, doch heeft aangekondigd niet te zullen meewerken aan de in deze beschikking vastgestelde omgangsregeling.

In haar memorie van grieven in de onderhavige zaak stelt BJZ dienaangaande(17) dat de rechtbank haar een onduidelijke taak heeft gegeven, die bovendien wettelijk niet bestaat.

M.i. mist deze stelling feitelijke grondslag. Weliswaar bevat de wet geen bepaling volgens welke de gezinsvoogdij-instelling of de Raad voor de Kinderbescherming kan worden verplicht een door de rechter vastgestelde omgangsregeling te begeleiden(18), maar dat heeft de rechtbank BJZ ook niet opgedragen. Er wordt immers over faciliteren gesproken.

3.12 Ik wijs voorts op het volgende. Het hof Amsterdam heeft reeds in zijn beschikking van 22 juli 2004 begeleiding van de omgang tussen [de zoon] en zijn moeder door de gezinsvoogd of een vervanger opgelegd, hetgeen daar wordt gespecificeerd als halen en brengen van [de zoon] door de gezinsvoogd of diens vervanger. De door het hof vastgestelde omgangsregeling luidt:

"- dat gedurende de eerste drie keer, op 8 september 2004, 22 september 2004 en 7 oktober 2004 één maal per veertien dagen op woensdag van 11.30 uur tot 15.00 uur omgang zal plaatsvinden, waarbij de gezinsvoogd of diens vervanger [de zoon] zal halen en brengen;

- dat daarna de omgangsregeling zal worden uitgebreid, waarbij de invulling in handen is van de gezinsvoogdij-instelling met inachtneming van de advisering van de Raad in deze en met dien verstande dat gestreefd dient te worden naar een omgangsregeling van uiteindelijk één weekend per veertien dagen;

- gelast de vader de aanwijzingen van de gezinsvoogd(es) ten aanzien van de omgangsregeling zonder het stellen van enige voorwaarde stipt op te volgen en [de zoon] op positieve wijze voor te bereiden op het contact met zijn moeder."

3.13 De overgelegde stukken geven geen inzicht in de reactie van BJZ op deze vaststelling. Met name kan ik niet uit de beschikking van de rechtbank van 16 november 2005 afleiden dat BJZ haar verzoek tot schorsing van de door het hof opgelegde omgangsregeling heeft ingediend, omdat haar een rol als begeleider was gegeven.

Bovendien ziet het hof zelf de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling onder begeleiding van BJZ als een actualisering van zijn eigen omgangsregeling van 22 juli 2004(19).

3.14 Wat daarvan zij, BJZ had haar in haar memorie van grieven in de onderhavige zaak genoemd bezwaar of enig andere grief tegen voornoemde beschikking van de rechtbank Alkmaar van 16 november 2005 naar voren moeten brengen in een tegen deze beschikking ingesteld hoger beroep. Het is onaanvaardbaar, in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en in strijd met de parlementaire geschiedenis van art. 1:263b BW dat BJZ het instellen van hoger beroep achterwege laat en bij brief meedeelt niet te zullen meewerken aan een door de rechter vastgestelde omgangsregeling.

3.15 M.i. stond voor de moeder onder deze omstandigheden dan ook geen andere weg open dan het aanspannen van een executiegeschil/kort geding tegen BJZ.

Het oordeel van het hof dat uit de beschikking van de rechtbank van 16 november 2005 voor BJZ jegens [de moeder] geen verplichtingen voortvloeien, acht ik derhalve onjuist.

3.16 Aan zijn oordelen heeft het hof de gevolgtrekkingen verbonden dat de vordering van [de moeder] alsnog dient te worden afgewezen - bedoeld zal zijn: dat [de moeder] alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard - en dat zij wordt veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep. Nu de door de rechtbank opgelegde begeleide proefcontacten inmiddels hebben plaatsgevonden, kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door met vernietiging van het arrest in zoverre, de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te bevestigen en BJZ te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en afdoening als onder 3.16 aangegeven.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie het vonnis van de voorzieningenrechter van 6 december 2005 onder 2.1 t/m 2.7, van welke feiten ook het hof is uitgegaan (zie het arrest van het hof Amsterdam van 8 juni 2006 onder 3).

2 Zie het bestreden arrest onder 4.1 t/m 4.7.

3 Zie de als prod. 1 bij de memorie van antwoord overgelegde beschikking van het hof Amsterdam van 22 juli 2004 onder 2.2.

4 Als prod. 1 bij memorie van antwoord overgelegd.

5 Zie de bijlage bij de s.t.

6 Prod. 2 bij memorie van antwoord.

7 Pleitnota en bijbehorende producties ontbreken in het procesdossier.

8 De cassatiedagvaarding is op 7 juli 2006 uitgebracht, derhalve binnen de door art. 402 lid 2 Rv. in verbinding met art. 339 lid 2 Rv. bepaalde termijn.

9 Zie laatstelijk o.a. HR 22 september 2006, RvdW 2006, 875; HR 30 september 2005 (R03/147HR) LJN: AS8376.

10 Wetsvoorstel 23 003, Staatsblad 1995, 255, nr. 3, p. 12; ingevolge de Wet op de Jeugdzorg van 22 april 2004 zijn in de betreffende bepalingen de woorden "de gezinsvoogdij-instelling" telkens vervangen door "de stichting als bedoeld in art. 1 onder f van de Wet op de Jeugdzorg."

11 Personen- en familierecht (Kluwer Losbladige ed.), Doek, art. 257, aant. 4.

12 Personen- en familierecht (Kluwer Losbladige ed.), Doek, art. 257, aant. 2.

13 Zie hierover Personen- en familierecht (Kluwer Losbladige ed.), Doek, art. 263b, aant. 1 en 2.

14 Kamerstukken II, vergaderjaar 1993-1994, 23 003, nr. 6.

15 Kamerstukken II, vergaderjaar 1993-1994, 23 003, nr. 5, p. 8.

16 Kamerstukken II, vergaderjaar 1993-1994, 23 003, nr. 8, p. 2.

17 Bijv. toelichting op grief 1en grief 5.

18 Verg. HR 29 juni 2001, NJ 2001, 598 m.nt. Sylvia Wortmann.

19 Anders dan het hof acht ik deze actualisering niet ten overvloede, maar uit praktische overwegingen gegeven: de eerdere data waren inmiddels verstreken.

<><><><>

maandag, maart 31, 2008

184. Valse beschuldigingen moeder :: Nationale Ombudsman wijst Bureau Jeugdzorg als gezinsvoogd op redelijkheidsvereiste bij nastreven omgang

Rapport 2007/001

Nationale Ombudsman; datum: 4-1-2007

Samenvatting
Nationale Ombudsman, Rapportnummer: 2007/0001

Verzoeker en zijn ex-echtgenote hebben samen een kind. Dit kind werd in 2004 onder toezicht gesteld van het Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (BJZNH). Enkele maanden nadat het kind onder toezicht was gesteld beschuldigde de ex-echtgenote verzoeker ervan het kind seksueel te hebben misbruikt en weigerde zij nog langer mee te werken aan de door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling. Na verloop van tijd deed zij ook bij de politie aangifte van seksueel misbruik van het kind door verzoeker.

Verzoeker klaagt erover dat het BJZNH zich onvoldoende heeft ingespannen om nakoming van de door de rechter vastgestelde omgangsregeling te realiseren.

De Nationale ombudsman overwoog dat de verantwoordelijkheid voor naleving van een door de rechter vastgestelde omgangsregeling primair ligt bij de ouders van het kind. Van een gezinsvoogd mag echter in beginsel worden verwacht dat hij zich inspant om de naleving van een vastgestelde omgangsregeling in goede banen te leiden. Daarbij heeft hij primair de taak om te waken over de belangen van het desbetreffende kind. De mogelijkheid om naleving van een omgangsregeling af te dwingen zijn voor een gezinsvoogd nogal beperkt. De Nationale ombudsman overwoog voorts dat in dit geval het BJZNH kon afzien van het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder om de omgangsregeling na te leven omdat het BJZNH door de beschuldigingen van seksueel misbruik niet meer de overtuiging had dat omgang tussen verzoeker en zijn kind in het belang van dit kind was. Aangezien verzoeker de mogelijkheid had om langs de juridische weg naleving van de omgangsregeling af te dwingen kon het BJZNH afzien van het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de ex-echtgenote. De Nationale ombudsman overwoog echter ook dat het op de weg van het BJZNH lag om zo snel mogelijk uit te zoeken of omgang tussen het kind en verzoeker wel in het belang van het kind was. De Nationale ombudsman oordeelde dat het BJZNH hierin was tekortgeschoten door voorrang te verlenen aan de uitvoering van een politieonderzoek in plaats van aan een persoonlijkheidsonderzoek.

Door prioriteit te geven aan de uitvoering van het politieonderzoek in plaats van aan het persoonlijkheidsonderzoek handelde het BJZNH in strijd met het redelijkheidsvereiste. De Nationale ombudsman achtte daarom de klacht in zoverre gegrond.

Overige klachtonderdelen:
- niet reageren op een faxbericht


BEOORDELING EN CONCLUSIE

(Opmerking vooraf: Inkleuring van tekst is door Vaderkenniscentrum ongebracht)

Algemeen

I. Bevindingen

Op grond van artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW; zie Achtergrond, onder 1.) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen (OTS) van een gezinsvoogdijinstelling indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd. De kinderrechter bepaalt de duur van de ondertoezichtstelling op ten hoogste een jaar, en hij kan deze telkens voor ten hoogste een jaar verlengen (artikel 1:256 BW; zie Achtergrond, onder 1.). De gezinsvoogdijinstelling kan ter uitvoering van haar taak de met het gezag belaste ouder en de minderjarige schriftelijk aanwijzingen geven met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen (artikel 1: 258 BW; zie Achtergrond, onder 1.).
De gezinsvoogdijinstelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun wordt geboden ten einde de bedoelde bedreiging af te wenden en bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige (artikel 1:257 BW; zie Achtergrond, onder 1.). Indien dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijk gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdijinstelling machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen (artikel 1:261 BW; zie Achtergrond, onder 1.).

I. Met betrekking tot de omgangsregeling

I. Bevindingen

1. In 1999 werd uit de relatie tussen verzoeker en zijn toenmalige partner een dochter, Y., geboren. Enige tijd later trouwde het paar. In september 2002 werd het huwelijk ontbonden. Verzoeker en zijn ex-echtgenote behielden gezamenlijk het gezag over Y., die sinds haar geboorte bij verzoeker woonde.

2. Medio februari 2004 ontving de Rechtbank te Haarlem een verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming strekkende tot ondertoezichtstelling van Y. De Raad motiveerde dit verzoek als volgt:

"...Uit het onderzoek is gebleken dat Y. (...) bedreigd (wordt; N.o.) in (haar; N.o.) ontwikkeling. Het is noodzakelijk dat er hulpverlening komt waarbij de ouders begeleiding krijgen in de opvoeding van hun (kind; N.o.). De raad is van mening dat de hulp vanuit een gedwongen kader moet plaatsvinden omdat gebleken is dat de ouders niet in staat zijn om hun onderlinge problemen en wantrouwen ten opzichte van elkaar opzij te kunnen zetten in het belang van (het kind; N.o.).

(...)

11.1 Juridische vertaling
De Raad is na onderzoek van mening dat (Y. wordt; N.o.) bedreigd in (haar; N.o.) ontwikkeling daar (haar; N.o.) leef- en opvoedingssituatie onrustig was en nog steeds instabiel is vanwege de slechte communicatie van ouders. Vrijwillige hulpverlening voor (dit kind; N.o.) zal na voorzien niet op gang komen vanwege de bovengenoemde problematiek.
De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de veiligheid en stabiliteit in de leef- en opvoedingssituatie van (dit kind; N.o.) te kunnen garanderen en om de continuïteit van de hulpverlening te kunnen waarborgen.

11.2 Vertaling voor de hulpverlening
Vanuit de ondertoezichtstelling zal de hulpverlening zich moeten richten op de begeleiding van de ouders in de opvoedingssituatie van Y.
Hulpverleningsdoelen:
- woon- leefsituatie van Y. veilig en stabiel maken;
- aandacht en begeleiding voor de ontwikkelingsachterstand en gedragsproblemen van Y.;
- er moet duidelijkheid komen over de vorm van onderwijs die Y. gaat volgen;
- er moet duidelijkheid komen over haar hoofdverblijfplaats en omgangsregeling;
- bemiddeling en begeleiding van ouders in hun onderlinge communicatie..."

3. Bij beschikking van 9 maart 2004 stelde de kinderrechter te Haarlem Y. met onmiddellijke ingang onder toezicht (OTS) van het Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (BJZNH) voor de duur van een jaar.

4. Medio april 2004 verhuisde Y. van het huishouden van verzoeker naar dat van zijn ex-echtgenote. Daarnaast werd een omgangsregeling tussen Y. en verzoeker afgesproken, welke ongeveer twee maanden later iets werd gewijzigd.

5. Bij beschikking van 31 augustus 2004 stelde de Rechtbank te Haarlem vast dat het hoofdverblijf van Y. bij haar moeder zou zijn. Verder stelde de Rechtbank de eerder overeengekomen omgangsregeling vast.

6. Op 27 augustus 2004 beschuldigde de ex-echtgenote verzoeker ervan Y. seksueel te hebben misbruikt. Op advies van een door haar ingeschakelde therapeute, V., weigerde de ex-echtgenote verder mee te werken aan de omgangsregeling tussen verzoeker en Y. Verzoeker ontkende Y. (seksueel) te hebben misbruikt. In overleg met het BJZNH werd afgesproken dat de tenuitvoerlegging van de omgangsregeling tijdelijk zou worden gestopt, in afwachting van de rapportage van V.

7. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat V. haar rapportage omstreeks 20 oktober 2004 afrondde en concludeerde dat Y. een (zorgwekkende) gedragsverandering vertoonde. V. adviseerde daarom geen omgang tussen Y. en verzoeker te laten plaatsvinden. V. vond geen aanwijzingen voor (seksueel) misbruik van Y. door verzoeker.

8. Toen bleek dat de omgangsregeling na het verschijnen van de rapportage van V. niet werd hervat, en het BJZNH hem op 8 november 2004 duidelijk had gemaakt dat het BJZNH zijn ex-echtgenote (ondanks een eerdere toezegging) geen schriftelijke aanwijzing zou geven om mee te werken aan de vastgestelde omgangsregeling en bovendien meedeelde dat de omgangsregeling "opgeschort" bleef in afwachting van een door het BJZNH aan te vragen onderzoek, spande verzoeker een Kort Geding aan bij de Rechtbank te Haarlem om omgang met Y. af te dwingen.

9. Medio december 2004 vroeg het BJZNH een persoonlijkheidsonderzoek aan bij de Stichting Ambulante Zorg (SAZ-onderzoek) om te achterhalen wat ten grondslag lag aan de gedragsproblemen die bij Y. waren geconstateerd, en of er sprake was van seksueel misbruik. In het aanvraagformulier Persoonlijkheids Onderzoek van 13 december 2004 vermeldde het BJZNH onder meer:

"3. Voor welke te nemen beslissing(en) moet het onderzoek informatie bijdragen? Kan Y. een omgangsregeling met vader hebben in de situatie dat zij bij moeder woont? Zo niet, is er dan wel een andere omgangsregeling mogelijk? Hoe worden de mogelijkheden van vader en van moeder ingeschat om een omgangsregeling te hanteren?
4. Welke (maximaal 3) vragen moeten beantwoord worden? 1. Hoe is de sociale, emotionele, cognitieve en psycheseksuele ontwikkeling van Y. verlopen? Zijn er aanwijzingen voor seksueel misbruik? 2. Hoe is de relatie tussen Y. en vader en hoe is de relatie tussen Y. en moeder? Hoe interpreteert u de uitkomsten van de interactie tussen moeder en Y. en tussen vader en Y? 3. Welke ondersteuning/hulpverlening is nodig om een omgangsregeling goed te laten verlopen?"

10. Begin januari 2005 deed de ex-echtgenote bij de politie aangifte van seksueel misbruik van Y. door verzoeker.

11. Bij vonnis van 7 februari 2005 bepaalde de voozieningenrechter te Haarlem in Kort Geding onder meer dat verzoeker eens in de veertien dagen een aantal uur met Y. mocht omgaan, met ingang van 12 februari 2005 en eindigend op het moment dat een eindbeslissing zou zijn gegeven in de bodemzaak, welke op 24 januari 2005 door de ex-echtgenote was gestart met het doel om de op 31 augustus 2004 vastgestelde omgangsregeling te laten beëindigen. Tevens beval de voorzieningenrechter de ex-echtgenote mee te werken aan de genoemde voorlopige omgangsregeling en bepaalde dat zij, iedere keer dat zij in gebreke zou blijven, een dwangsom zou verbeuren.

12. Bij beschikking van 10 februari 2005 verlengde de kinderrechter te Haarlem de OTS met een jaar omdat hij het voldoende aannemelijk achtte dat de gronden waarop de OTS in eerste instantie was uitgesproken nog altijd aanwezig waren.

13. De omgangsregeling kwam echter niet op gang. Bij arrest van 4 augustus 2005 bepaalde de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam in een tussenbeschikking in het kader van de hoger beroepsprocedure tegen de beschikking van 7 februari 2005, dat verzoeker in de maanden september en oktober 2005 viermaal begeleide omgang met Y. mocht hebben en dat de ex-echtgenote een dwangsom van ? 1.000 verbeurde, elke keer dat zij niet meewerkte aan de omgangsregeling. De omgang diende plaats te vinden in een zogeheten omgangshuis te Zaandam. Daarnaast bepaalde het Hof dat verzoeker en zijn ex-echtgenote in november 2005 opnieuw dienden te verschijnen om inlichtingen te verstrekken over het verloop van deze tijdelijke omgangsregeling, waarna het Hof een verdere beslissing op het geschil zou nemen. Uit het arrest komt naar voren dat het Hof op dat moment de beschuldigingen met betrekking tot het gestelde seksueel misbruik onvoldoende aannemelijk achtte en dat het Hof het ook niet aannemelijk achtte dat bij Y. een angst voor haar vader bestond van zodanige aard dat daardoor de omgang nog altijd (volledig) zou moeten uitblijven. Het Hof achtte daarom voldoende termen aanwezig om in afwachting van de uitkomst van het SAZ-onderzoek en het inmiddels lopende politieonderzoek een begin te maken met de omgang.

14. Bij tussenbeschikking van 13 september 2005 in een door de ex-echtgenote op 24 januari 2005 gestarte bodemprocedure overwoog de Rechtbank te Haarlem onder meer:

"Naar het oordeel van de rechtbank is op dit moment onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van het gevreesde seksueel misbruik. Op grond van de door de moeder overgelegde gegevens kan voorts niet worden afgeleid dat de angst van Y., die de rechtbank wel aanneemt, zodanig is dat er in het geheel geen omgang zou moeten plaatsvinden. De rechtbank betrekt daarbij dat het evenmin duidelijk is geworden dat de angst van Y. te maken zou hebben met het gestelde misbruik. De rechtbank is van oordeel dat het uitblijven van omgang niet in het belang is van Y. en eerder een negatieve invloed zal hebben op de angst van Y. voor haar vader. In het licht van het feit dat de vader jarenlang de zorg heeft gehad voor Y. dient er weer contact te zijn, zij het op dit moment in beperkte vorm, zulks in afwachting van de uitkomsten van het SAZ-onderzoek en het politieonderzoek naar de aangifte van de moeder. De rechtbank is van oordeel dat de oorspronkelijke omgangsregeling niet onverkort doorgang kan vinden, maar acht geen aanleiding aanwezig om de omgang geheel op te schorten."
Ook de rechtbank bepaalde dat verzoeker voorlopig recht had op begeleide omgang met zijn dochter, eens in de veertien dagen, in het omgangshuis te Zaandam. De rechtbank bepaalde tevens dat de ex-echtgenote een dwangsom zou verbeuren voor elke keer dat zij medewerking aan de uitvoering van deze voorlopige omgangsregeling zou weigeren.

15. Verzoeker klaagt erover dat het BJZNH zich onvoldoende heeft ingespannen om nakoming van de door de rechter vastgestelde omgangsregelingen te realiseren. Verzoeker is van mening dat het BJZNH de uitspraken van de rechters dient te respecteren en zich meer dient in te spannen om de geldende omgangsregeling op gang te brengen. Het aangewezen middel daartoe zou een schriftelijke aanwijzing aan zijn ex-echtgenote zijn.

16.1. In reactie op de klacht deelde de Stichting die het Bureau Jeugdzorg in de provincie Noord-Holland in stand houdt (de Stichting) mee dat het BJZNH bij de uitvoering van de OTS als wettelijke taak heeft om toezicht op de minderjarige te houden en om de minderjarige en de ouders met gezag hulp te bieden om zodoende de bedreiging van de minderjarige af te wenden. Het BJZNH richtte zich bij de uitvoering van de OTS op het belang van het kind en handelde vanuit het belang van het kind, hetwelk bij de uitvoering van de OTS centraal diende te staan. Dit betekende onder meer dat het BJZNH omgang slechts dan facilieerde, indien dit in het belang van het kind werd geacht, zonder dat het BJZNH zich mengde in de strijd tussen ouders over de omgang met het kind. Het BJZNH had zich vanaf het begin als taak gesteld om de omgang tussen verzoeker en Y. te ondersteunen. Zo was in het eerste plan van aanpak van april 2004 als begeleidingsdoel geformuleerd dat Y. omgang zou hebben met haar vader en dat zij contact zou hebben met haar beide ouders, zonder last te hebben van hun problemen met elkaar. Het BJZNH herhaalde dit begeleidingsdoel ook in de halfjaarlijkse evaluatie van juli 2004.
De Stichting had het BJZNH in de periode tussen 18 september 2004 en 13 januari 2005 aan verzoeker en zijn ex-echtgenote laten weten dat de rechtbank een beschikking had afgegeven met betrekking tot de omgangsregeling en dat de verantwoordelijkheid bij hen lag om daaraan mee te werken of om deze aan te vechten.

16.2. De Stichting meldde verder dat de aangifte door de ex-echtgenote van seksueel misbruik door verzoeker leidde tot een politieonderzoek. Op verzoek van de politie was het SAZ-onderzoek, dat was aangevraagd omdat het BJZNH het onderzoek van V. te weinig concreet en onvoldoende onderbouwd vond, nog niet gestart omdat het politieonderzoek het SAZ-onderzoek zou kunnen doorkruisen. In mei 2005 had Y. in het kader van het politieonderzoek een zogeheten studioverhoor ondergaan, waarna het SAZ-onderzoek weer kon worden gestart.

16.3. De Stichting deelde voorts mee dat het BJZNH zich in de periode tussen januari 2005 tot mei 2005 op het standpunt had gesteld dat, gezien de zorgen die men had om Y., haar ontwikkelingsachterstand en de behoorlijke gedragsproblemen die zij vertoonde, eerst de bevindingen uit het SAZ-onderzoek dienden te worden afgewacht voordat het BJZNH een standpunt zou innemen ten aanzien van de omgang tussen verzoeker en Y.

16.4. Reeds op 8 november 2004 had het BJZNH aan verzoeker uitgelegd dat het BJZNH geen schriftelijke aanwijzing aan de moeder zou geven. De reden hiervoor was dat het belang van Y. moeilijk was aan te geven en verzoeker en zijn ex-echtgenote goed in staat waren om de juridische wegen te bewandelen. Het BJZNH vond in die tijd dat een begeleide omgang tussen verzoeker en Y. een goed alternatief zou zijn geweest, maar ook daaraan wenste de moeder van Y. niet mee te werken. De gezinsvoogd had bemerkt dat het onderwerp "omgang met haar vader" voor Y. een beladen onderwerp was, hetgeen ook een reden vormde om geen schriftelijke aanwijzing te geven. Daarbij kwam ook nog dat het niet-opvolgen van een schriftelijke aanwijzing uithuisplaatsing van het kind ten gevolge diende te hebben, welke sanctie het BJZNH evenmin in het belang van Y. achtte.

16.5. In het najaar van 2005 startte het SAZ-onderzoek en in januari 2006 werd het afgerond. Het onderzoek leidde tot de conclusie dat er geen contra-indicaties bestonden ten aanzien van omgang tussen verzoeker en Y. In december 2005 was duidelijk geworden dat de aangifte van seksueel misbruik van Y. door verzoeker was geseponeerd. Na de uitslag van het SAZ-onderzoek had het BJZNH er bij verzoekers ex-echtgenote op aangedrongen om mee te werken aan een begeleide omgang tussen verzoeker en Y. in een opvanghuis.

17.1. Uit het contactjournaal dat het BJZNH bijhield met betrekking tot Y. komt naar voren dat het BJZNH van het begin af aan bedenkingen had bij de beschuldigingen die verzoekers ex-echtgenote over het misbruik van Y. uitte. Zo had verzoekers ex-echtgenote een twijfelachtige reputatie op het gebied van het uiten van beschuldigingen. Bovendien had zij Y., op dezelfde dag dat zij de beschuldigingen uitte, bij verzoeker gebracht in het kader van de omgangsregeling. Daarbij kwam nog dat op dat moment de omgangsregeling onderwerp van discussie was. Anderzijds waren haar beschuldigingen gedetailleerd en had de politie na een eerste gehoor geen uitspraak durven doen over het waarheidsgehalte. Teneinde de ex-echtgenote verantwoordelijkheid te laten nemen voor haar beschuldigingen en om via het politie onderzoek duidelijkheid te krijgen over de vraag of het wijs was om de omgangsregeling doorgang te laten vinden, drong het BJZNH sinds medio september 2004 er bij de moeder van Y. op aan dat zij aangifte zou doen. Kort daarop liet de politie het BJZNH weten niets te zien in een aangifte vanwege het te verwachten resultaat van het onderzoek, namelijk dat er niets zou kunnen worden aangetoond. Het BJZNH liet de politie in reactie daarop weten dat de aangifte voor het BJZNH wel belangrijk was om te kunnen zien hoe serieus de ex-echtgenote met haar beschuldigingen was. Mocht zij weigeren aangifte te doen, dan zou dat een reden zijn om kritisch naar de ex-echtgenote te kijken. Voorts zou de afhandeling van de aangifte een duidelijke termijn opleveren waarin het BJZNH niet op uitvoering van de omgangsregeling zou aandringen. Verder blijkt uit het contactjournaal dat Y. inmiddels een gedragsverandering vertoonde, dat Y. inmiddels een flinke weerstand tegen verzoeker had en dat de door de ex-echtgenote ingeschakelde therapeut, V., had aangeraden om de omgangsregeling tijdelijk te stoppen. Tevens blijkt uit het contactjournaal dat de ex-echtgenote het BJZNH had laten weten geen aangifte te willen doen totdat V. haar onderzoek zou hebben afgerond.

17.2. Eind oktober 2004 bracht V. haar rapport uit en oordeelde het BJZNH dat er gebreken kleefden aan het door V. uitgevoerde onderzoek. Tevens concludeerde het BJZNH dat het gestelde seksueel misbruik geen reden meer vormde om de omgang tussen verzoeker en Y. nog langer stop te zetten en dat de omgangsregeling zo snel mogelijk weer moest worden opgestart. Ondanks het rapport was er toch nog voldoende reden voor zorg en het BJZNH achtte aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Uit aantekeningen in het contactjournaal blijkt dat de ex-echtgenote het BJZNH liet weten wel mee te willen werken aan het onderzoek, maar niet aan het opstarten van de omgangsregeling. Begin november 2004 deelde de gezinsvoogd verzoeker mee zijn ex-echtgenote een schriftelijke aanwijzing te zullen geven teneinde de omgangsregeling weer op gang te brengen. Echter, enkele dagen later trok het BJZNH deze mededeling weer in en deelde het aan verzoeker mee dat het zich zou inzetten voor een begeleide omgang tussen verzoeker en Y., op het kantoor van het BJZNH. De ex-echtgenote weigerde echter ook om aan een begeleide omgang mee te werken. Uit het contactjournaal blijkt voorts dat het BJZNH verzoeker medio november 2004 meedeelde dat een schriftelijke aanwijzing in dit geval niet de weg was en dat verzoeker nakoming van de omgangsregeling kon afdwingen via een rechterlijke uitspraak waarbij aan de ex-echtgenote een dwangsom werd opgelegd. Voorts blijkt uit een aantekening in het contactjournaal dat het BJZNH de weigering van de ex-echtgenote om mee te werken aan een begeleide omgang opvatte als een teken dat zij de omgang frustreerde.

17.3. Uit een aantekening in het contactjournaal op 10 januari 2005 blijkt dat het SAZ-onderzoek naar verwachting zo'n twee maanden in beslag zou nemen, afhankelijk van de medewerking van betrokkenen. Eind januari kreeg het BJZNH bericht dat het SAZ-onderzoek in de tweede helft van februari zou starten.
Enkele dagen daarna lieten zowel verzoeker als zijn ex-echtgenote weten bezorgd te zijn over de belasting die het SAZ-onderzoek en politieonderzoek voor Y. zou meebrengen. Het BJZNH kreeg een dag later van de politie het verzoek om het SAZ-onderzoek tijdelijk te stoppen omdat de Officier van Justitie naar verwachting niet blij zou zijn met een gelijktijdige uitvoering van de beide onderzoeken. Het BJZNH zocht daarop contact met zowel verzoeker als zijn ex-echtgenote en beiden gingen akkoord met uitstel van het SAZ-onderzoek totdat duidelijk zou zijn of Y. zou worden verhoord door de politie. Als dit het geval zou zijn, dan zouden ze eerst de resultaten afwachten. Het BJZNH zette hierop eind januari 2005 het SAZ-onderzoek stop.

17.4. Op 10 februari 2005 sprak de gezinsvoogd met verzoeker. De voorzieningenrechter had enkele dagen daarvoor bepaald dat de onbegeleide omgang diende te worden hervat. Uit de aantekeningen van de gezinsvoogd in het contactjournaal komt naar voren dat verzoeker haar had laten weten de meerwaarde van de OTS niet te zien als het BJZNH zijn ex-echtgenote geen schriftelijke aanwijzing zou geven. De gezinsvoogd had hem hierop geantwoord dat op dat moment een schriftelijke aanwijzing niet aan de orde was omdat de consequentie bij niet-naleving, een uithuisplaatsing van Y., niet relevant en niet in het belang van Y. was. Afgezien van de omstandigheid dat Y. mogelijk van verzoeker vervreemdde, verzorgde zijn ex-echtgenote Y. goed. De gezinsvoogd had verzoeker daarom gewezen op de inmiddels uitgesproken dwangsom welke zijn ex-echtgenote verbeurde door de omgangsregeling niet na te leven.
Uit latere aantekeningen van de gezinsvoogd komt naar voren dat de ex-echtgenote de gezinsvoogd liet weten niet te zullen meewerken aan de omgangsregeling, ook niet onder begeleiding. Medio februari 2005 bracht de gezinsvoogd de politie op de hoogte omtrent de stand van zaken met betrekking tot de omgang(sregeling) en drong aan op een snelle afhandeling van het politieonderzoek.
Op 22 februari 2005 overlegden de gezinsvoogd, een aantal collega's en een jurist van het BJZNH over de situatie. De uitkomst van dit overleg was dat aan de ex-echtgenote geen schriftelijke aanwijzing zou worden gegeven omdat men bij niet-naleving niet bereid was om Y. uit huis te plaatsen, terwijl men een schriftelijke aanwijzing als statement ook niet zinvol vond. Het BJZNH besloot daarom af te wachten tot de uitslag van het onderzoek, mede omdat Y. last had van stress en baat zou hebben bij rust en veiligheid.

17.5. Op 18 april 2005 vernam het BJZNH dat de politie toestemming had gekregen om Y. een studioverhoor af te nemen.

17.6. Begin mei 2005 werd Y. door de politie in een studio verhoord. Blijkens het contactjournaal rappelleerde de gezinsvoogd eind mei en begin juni 2005 bij de politie en hoorde zij dat de betrokken politieambtenaar wegens ziekte voor een onbekende periode afwezig zou zijn. Medio juli 2005 vernam de gezinsvoogd van de politie dat er geen bezwaren meer bestonden tegen het starten van het SAZ-onderzoek.

17.7. Uit het contactjournaal komt voorts naar voren dat verzoeker begin september 2005 een deurwaarder inschakelde om bij zijn ex-echtgenote de verbeurde dwangsommen te innen. Ook werd in die tijd duidelijk dat het omgangshuis pas in januari 2006 plek zou hebben en dat het SAZ Y. nog niet had ingepland voor onderzoek. Op 22 september 2005 vond overleg plaats tussen de gezinsvoogd en een jurist van het BJZNH. Uit de aantekeningen komt naar voren dat het BJZNH zich realiseerde dat in de rechterlijke uitspraak geen rol voor het Bureau was weggelegd en dat men een schriftelijke aanwijzing zou willen overwegen mits men goed kon beargumenteren dat omgang tussen Y. en verzoeker in Y.'s belang zou zijn en de ex-echtgenote niet daaraan zou willen meewerken. Mocht de ex-echtgenote na een schriftelijke aanwijzing niet willen meewerken, dan had het BJZNH nog altijd de vrijheid om de sanctie niet in te roepen. Uit het contactjournaal komt verder naar voren dat de gezinsvoogd verzoeker op 24 september 2005 aansprak op het inschakelen van de deurwaarder: het zou onder meer het al dan niet meewerken van zijn ex-echtgenote aan de omgangsregeling verdoezelen. Verder komt uit het contactjournaal naar voren dat de gezinsvoogd verzoeker ook meedeelde dat er in de rechterlijke uitspraak geen rol voor het BJZNH was weggelegd, en voorts dat de gezinsvoogd hem vroeg waarom hij zelf niet alle kosten voor een privé-plek (in plaats van een gesubsidieerde plek) in een omgangshuis betaalde als omgang met zijn dochter op korte termijn zo belangrijk voor hem was.
Uit een aantekening van enkele dagen later bleek dat het SAZ het BJZNH liet weten dat de datum waarop het onderzoek naar Y. zou beginnen nog niet bekend was.

17.8. Uit een aantekening uit het contactjournaal van 2 december 2005 blijkt dat Y. inmiddels twee gesprekken met het SAZ had gehad. Uit een aantekening van 28 december 2005 blijkt dat het SAZ inmiddels een (concept) rapport had opgesteld.

18. In reactie op het standpunt van het BJZNH van 30 januari 2006 ten aanzien van zijn klacht deelde verzoeker onder meer mee dat het BJZNH op 9 december 2005 in een soortgelijke situatie wel een schriftelijke aanwijzing had gegeven terwijl het BJZNH op dat moment ook geen enkel sanctiemiddel had (zie Achtergrond, onder 2.). Enkel omdat het BJZNH vanwege de dreiging van een dwangsom onder druk was gezet, was het BJZNH in de andere zaak wel tot het geven van een schriftelijke aanwijzing overgegaan. Verzoeker verweet het BJZNH daarom met twee maten te meten.

II. Beoordeling

19. De verantwoordelijkheid voor naleving van een door de rechter vastgestelde omgangsregeling ligt primair bij betrokkenen, in dit geval verzoeker en zijn ex-echtgenote. Van een gezinsvoogd mag in beginsel worden verwacht dat hij zich inspant om de naleving van een vastgestelde omgangsregeling tussen het onder toezicht gestelde kind en de niet-verzorgende ouder in goede banen te leiden en om in dat verband - indien nodig - een bemiddelende rol te vervullen. De gezinsvoogd heeft daarbij primair de taak te waken over de belangen van de betrokken minderjarige. De mogelijkheden van een gezinsvoogd om daadwerkelijk naleving van een omgangsregeling af te dwingen, zijn in de praktijk nogal beperkt. Een Bureau Jeugdzorg kan aan een ouder een schriftelijke aanwijzing geven (zie Achtergrond, onder 1.), maar heeft beleidsvrijheid ten aanzien van de inzet van dit instrument.

20. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat bestuursorganen de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

21. De Nationale ombudsman constateert dat het BJZNH sinds begin december 2004 niet meer de overtuiging had dat omgang tussen Y. en verzoeker ook in het belang was van Y. en zich daarom afzijdig hield in het geschil tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote over de naleving van de omgangsregeling. Gelet op de mogelijkheden die verzoeker had om de omgang tussen hem en Y. tegenover zijn ex-echtgenote af te dwingen, alsook gelet op de onduidelijkheid die was ontstaan over de wenselijkheid van omgang tussen verzoeker en Y. na de beschuldigingen van seksueel misbruik, kon het BJZNH afzien van het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de ex-echtgenote om mee te werken aan de vastgestelde omgangsregeling.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

22. De Nationale ombudsman is echter wel van oordeel dat het op de weg van een Bureau Jeugdzorg ligt om, in geval van onduidelijkheid over de vraag of omgang tussen de niet-verzorgende ouder en kind gewenst is, die vraag zo snel mogelijk te (laten) beantwoorden.

23. Uit het onderzoek is gebleken dat deze vraag zich voordeed. Het BJZNH vroeg daarom medio december 2004 een persoonlijkheidsonderzoek aan bij de SAZ en besloot om zijn standpunt ten aanzien van de omgang tussen verzoeker en Y. pas na afronding van dit onderzoek te bepalen. De Nationale ombudsman kan zich tot zover in deze werkwijze vinden.

24. De Nationale ombudsman kan zich echter niet vinden in de handelwijze van het BJZNH naar aanleiding van het verzoek van de politie eind januari 2005 om het SAZ-onderzoek tijdelijk te stoppen. Immers, op dat moment was de aanvraag om een SAZ-onderzoek enkele weken eerder ingediend en was door de SAZ de verwachting uitgesproken dat het onderzoek in de tweede helft van februari 2005 zou aanvangen en eind april 2005 afgerond zou kunnen zijn. Het onderzoek moest antwoorden geven op de vragen of Y. seksueel was misbruikt en of Y. in de toekomst kon omgaan met elk van haar ouders, en zo ja, hoe. Toen de politie eind januari 2005 contact opnam met het BJZNH was nog niet bekend of Y. in het kader van het politieonderzoek aan een studioverhoor zou worden onderworpen, wanneer een eventueel onderzoek zou plaatsvinden of wanneer dat onderzoek zou zijn afgerond. Een dergelijk onderzoek zou, uit de aard van de zaak, zich alleen richten op het vinden van mogelijk bewijs ter onderbouwing van de aangifte.

25. Gelet op het voorgaande is de Nationale ombudsman van oordeel dat het op de weg van het BJZNH had gelegen om (op zijn minst te proberen om) de onderzoeken zodanig te laten plannen dat deze enerzijds voor Y. niet te belastend zouden zijn en anderzijds de onderzoeken met zo min mogelijk vertraging konden worden uitgevoerd. Uit het onderzoek is echter niet gebleken dat het BJZNH hiervoor enige inspanning heeft gepleegd.

26. Gelet op het voorgaande kon het BJZNH in redelijkheid niet tot de beslissing komen om aan de uitvoering van het politieonderzoek voorrang te verlenen boven de uitvoering van het SAZ-onderzoek. Door onder de bovengenoemde omstandigheden in te stemmen met het verzoek om opschorting van het SAZ-onderzoek, heeft het BJZNH gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

27. De keuze van het BJZNH van januari 2005 was des te ongelukkiger nu is gebleken dat het BJZNH pas medio juli 2005, tweeëneenhalve maand nadat het SAZ-onderzoek afgerond had kunnen zijn, van de politie vernam dat er geen bezwaar meer bestond tegen het starten van het SAZ-onderzoek en dit SAZ-onderzoek uiteindelijk pas in januari 2006 werd afgerond. Naar het zich laat aanzien heeft de handelwijze van het BJZNH in januari 2005 ertoe geleid dat het acht maanden langer in onzekerheid verkeerde dan het geval zou zijn geweest bij ongestoorde doorgang van het SAZ-onderzoek; als gevolg van die onzekerheid spande het BJZNH zich niet in om de omgang tussen Y. en verzoeker te bevorderen. Gelet op de jeugdige leeftijd van Y. toentertijd is dit te lang geweest.

28. Voorts merkt de Nationale ombudsman het volgende op. Het BJZNH heeft verzoeker meerdere keren gezegd dat hij de omgang met zijn kind via de kinderrechter moest afdwingen, middels een uitspraak met dwangsom. Het BJZNH merkte in het kader van het onderzoek door de Nationale ombudsman ook op dat beide ouders goed in staat waren om de juridische wegen te bewandelen. De Nationale ombudsman constateert dat verzoeker meerdere malen heeft geprocedeerd en meerdere uitspraken van de rechter heeft gekregen waarin hem het recht op omgang met zijn kind werd toegekend en waarbij aan zijn ex-echtgenote een verplichting tot medewerking op straffe van het verbeuren van een dwangsom werd opgelegd.
De Nationale ombudsman constateert voorts dat het BJZNH op de hoogte was van deze rechterlijke uitspraken en wist dat de ex-echtgenote niet gevoelig was voor de dreiging van verbeurde dwangsommen. Gelet op de zelfgekozen afzijdige houding van het BJZNH en de welbewuste keuze van het BJZNH om de naleving van de omgangsregeling geheel aan verzoeker over te laten, vindt de Nationale ombudsman het pijnlijk om te moeten constateren dat de gezinsvoogd verzoeker eind september 2005, ruim een jaar na het laatste contact met Y., aansprak op de uitoefening van zijn recht om de door zijn ex-echtgenote verbeurde dwangsommen te innen. Dit is des te pijnlijker nu gebleken is dat het BJZNH twee dagen daarvoor nog intern had geconstateerd dat de rechter het BJZNH geen rol had toebedeeld in deze kwestie en dat het alleen genegen was een schriftelijke aanwijzing in overweging te nemen na een goede argumentatie (van de gezinsvoogd) ten behoeve van een schriftelijke aanwijzing.

II. Met betrekking tot het faxbericht

I. Bevindingen

1. Verzoeker zond op 11 oktober 2005 een faxbericht naar de gezinsvoogd waarin hij de gezinsvoogd herinnerde aan beloften die zijn ex-echtgenote en de toenmalige gezinsvoogd ter zitting op 19 juli 2005 aan de rechtbank hadden gedaan over de omgang tussen Y. en haar halfzusjes van vaderszijde. Inmiddels waren alweer drie maanden verstreken zonder dat de gezinsvoogd enige uitvoering had gegeven aan deze beloften, terwijl de rechtbank in zijn uitspraak van 13 september 2005 wel had aangegeven ervan uit te gaan dat de gezinsvoogd dat zou doen.
Verzoeker besloot zijn brief met de opmerking dat hij graag een schriftelijke bevestiging van het standpunt van het BJZNH in deze aangelegenheid zou krijgen en zijn standpunten ook nog mondeling zou toelichten.

2. Bij faxbericht van 17 november 2005 herinnerde verzoeker de gezinsvoogd aan zijn faxbericht van 11 oktober 2005 en merkte hij op dat hij daarop nog geen reactie had ontvangen.

3. Bij brief van 28 november 2005 reageerde de gezinsvoogd alsnog schriftelijk naar aanleiding van het faxbericht van 10 oktober 2005. In de brief is onder meer vermeld:

"Allereerst mijn excuus voor de late reactie op uw brief van 11-10-2005. Ik was er (namelijk; N.o.) van uit gegaan dat mijn bezoek aan u van 31 oktober het een en ander wel zou verduidelijken. Blijkbaar is dit toch niet het geval.

(...)
Binnen het kader van de OTS behoort het tot mijn taken om te kijken of er mogelijkheden zijn om tot omgang te komen tussen Y. en haar halfzusjes. Dit zal ik dan ook zeker doen.
Blijft natuurlijk wel staan dat ik in deze afhankelijk ben van de medewerking van de moeder van Y. en de wil van Y. om contact te hebben met haar halfzusjes.
Dit zijn zaken die ik zeker van plan ben te onderzoeken, en die ik ook gezien mijn taak, moet onderzoeken."

4. De Stichting reageerde in zijn brief aan de Nationale ombudsman van 30 januari 2006 niet op dit klachtonderdeel.

II. Beoordeling

5. Het vereiste van administratieve nauwkeurigheid houdt in dat bestuursorganen secuur werken.

6. Uit het onderzoek is gebleken dat de omgang tussen Y. en haar halfzusjes op 31 oktober 2005, bijna drie weken na de verzending van het faxbericht van 11 oktober 2005 en elf dagen voor het faxbericht van 17 november 2005, onderwerp van gesprek is geweest tussen de gezinsvoogd en verzoeker. In zoverre kan niet worden gezegd dat het BJZNH op 23 november 2005 nog niet had gereageerd op het faxbericht van 11 oktober 2005.

7. Echter, verzoeker vroeg in zijn faxbericht van 11 oktober 2005 om een schriftelijke bevestiging van het standpunt van het BJZNH. Uit de brief van de gezinsvoogd van 28 november 2005 bleek echter dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij met het gesprek van 31 oktober 2005 voldoende duidelijkheid aan verzoeker had gegeven en daarmee aan diens verzoek tegemoet gekomen was.

8. Aangezien verzoeker expliciet om een schriftelijke bevestiging van het standpunt van het BJZNH had gevraagd, had het op de weg van de gezinsvoogd gelegen om hetzij meteen een schriftelijke reactie daarop te geven, hetzij zich, na afloop van het gesprek op 31 oktober 2005, ervan te vergewissen of met dit gesprek een schriftelijke reactie van het BJZNH overbodig was geworden en, ingeval een schriftelijke reactie nog steeds gewenst was, deze alsnog te geven.
Nu dit niet is gebeurd, heeft het BJZNH in strijd gehandeld met het vereiste van administratieve nauwkeurigheid.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

CONCLUSIE
De klacht over de onderzochte gedraging van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland te Haarlem, is gegrond:
- voor wat betreft de beslissing om het SAZ-onderzoek in januari 2005 tijdelijk te stoppen, wegens handelen in strijd met het redelijkheidsvereiste; - voor wat betreft de reactie op het faxbericht van 11 oktober 2005, wegens strijd met het vereiste van administratieve nauwkeurigheid.

De klacht over de onderzochte gedraging van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland te Haarlem is niet gegrond voor wat betreft de beslissing om aan de ex-echtgenote geen schriftelijke aanwijzing te geven.