maandag, december 10, 2007

172. Klein groepje moeder- en justitielobbyisten tegen gelijkwaardig ouderschap maakt feitelijk dienst uit in familie- en scheidingsrecht

Een klein groepje machtige, als "moedermaffia" bekend staande feministische juristen en doctorandussen uit het Ministerie van Justitie, rechterlijke macht, kinderbescherming en universitaire wereld houdt het Nederlandse familie- en scheidingsrecht nu al decennia lang in een ijzeren wurggreep gevangen en blokkeert elke ontwikkeling naar een meer gelijkwaardig en gedeeld ouderschap na de scheiding.

Men deinst er daarbij niet voor terug om de Tweede Kamer als wetgever openlijk de les te leren en haar wetgevingsinitiatieven te frustreren en tegen te werken.

Steeds dezelfde namen duiken daarbij op en het groepje blijkt over een uitstekend georganiseerde politieke en juridische lobby te beschikken.

Zo verklaart justitieambtenaar Jeanette Kok van de Directie Wetgeving van het Ministerie van Justitie in het oktobernummer van het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, spreekbuis van de rechtspraak in het familierecht, over het in uitvoering nemen van het op 12 juni 2007 door de Tweede Kamer aangenomen Wetsvoorstel 30145 op de "Bevordering van het voortgezet ouderschap na scheiding" nu al openlijk:

"Ik ga er graag vanuit dat de rechtspraak wel wijzer zal zijn en de norm niet op deze wijze zal gaan uitleggen!"

Haar openlijke oproep aan de rechtspraak tot het terzijde leggen van de wetgeving van de Tweede Kamer wordt daarop door kompanen uit het machtsgroepje zoals de oud-rechter Nanneke Quik-Schuijt in de Eerste Kamer overgenomen om de minister van justitie Hirsch-Ballin tot de uitspraak te dwingen dat het gelijkwaardig ouderschap door de rechterlijke macht niet in uitvoering zal hoeven te worden genomen. (Meer over de activiteiten van Quik-Schuijt op dit vlak in volgende bijdragen.)

Zo maakt dit machtsgroepje in het Nederlandse familie- en scheidingsrecht feitelijk de dienst uit en zet men keer op keer de voltallige gekozen volksvertegenwoordiging in de Tweede Kamer en de minister van justitie met de rug tegen de muur.

Lees het volledige tot dissidentie oproepende editorial van de justitieambtenaar Jeanette Kok in het oktobernummer van het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht of zie voor een digitale weergave hieronder:

Gelijkwaardig ouderschap

Editorial uit het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, Jaargang 2007, nummer 10, oktober 2007

Mevrouw mr. drs. Jeanette Kok - Raadadviseur bij de Directie wetgeving, sector privaatrecht, van het Ministerie van Justitie

Op 12 juni 2007 is het wetsvoorstel bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30145) dat onder meer het ouderschapsplan introduceert en de flitsscheiding afschaft, door de Tweede Kamer aanvaard. Het is de Ministers van Justitie en voor Jeugd en Gezin gelukt om het wetsvoorstel door de Tweede Kamer te loodsen ondanks de kritiek dat een procedure voor een administratieve echtscheiding ter vervanging van de flitsscheiding in het wetsvoorstel ontbreekt. Bij amendement De Wit (nr. 26) is het zogenoemde gelijkwaardig ouderschap na scheiding in de wet vastgelegd. Het is de vraag welke betekenis deze nieuwe norm gaat krijgen.

De Wit heeft in navolging van Luchtenveld (29 676) een amendement ingediend om het gelijkwaardig ouderschap in de wet op te nemen. De norm komt er kort gezegd op neer dat een kind over wie de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, zijn recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders behoudt na ontbinding of beëindiging van het huwelijk, geregistreerd partnerschap of de samenleving. Het amendement behaalt een krappe meerderheid, de fracties van de SP, GroenLinks, D66, de PvdDieren, de SGP, het CDA en de PW stemmen voor het amendement, de overige fracties tegen.

* Commentaar Vaderkenniscentrum:
I.t.t. wat mv. Kok stelt behaalde Amendement 26 bij Wetsvoorstel 30145 in de Tweede Kamer geen krappe, maar juist een zeer ruime en zelfs grondwettelijke, meerderheid van 111 vóórstemmen, dus 74% van de stemmen. (Zie voor nadere toelichting daarop verder hieronder)

Op het eerste gezicht klinkt het amendement sympathiek. Ik ben het met de heer De Wit eens dat een gelijkwaardige uitoefening van het ouderschap de norm zou moeten zijn. Gelijkwaardig ouderschap zou dan wel moeten worden opgevat als: de ene ouder is niet meer gerechtigd dan de andere ouder tot uitoefening van het gezag en daaraan verandert de scheiding als zodanig niets. En in dit laatste punt zit het probleem. In het nieuwe vijfde lid van art. 247 is namelijk bepaald dat ouders bij het maken van afspraken over de kinderen rekening kunnen houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de beëindiging van de relatie, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan.

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel heeft de Minister van Justitie geprobeerd enige duidelijkheid te krijgen over de betekenis van het opnemen van de norm in de wet. De opname van de norm in de wet mag immers niet louter een symbolische functie hebben. In antwoord hierop refereert De Wit aan de uitspraak van de Rechtbank Haarlem (LJN AZ5284) waarin is bepaald dat de man en de vrouw gerechtigd zijn telkens afwisselend één week omgang te hebben met hun twee kinderen in die zin dat de ouders in het kader van de omgangsregeling afwisselend een week bij de kinderen in de echtelijke woning zullen verblijven. De ouders dienen dus iedere week hun spullen te pakken in plaats van de kinderen. Ik hoop dat deze uitspraak, zoals de rechter stelt, in het belang van het kind is en de uitspraak niet leidt tot nieuwe conflicten tussen de ouders. Voortdurende ruzies zijn immers voor kinderen het ergst en het meest schadelijk op de korte en lange termijn.

Het voorbeeld van De Wit doet vermoeden dat hij bedoelt dat gelijkwaardig ouderschap in conflictsituaties co-ouderschap betekent, tenzij er praktische belemmeringen zijn. Dit is ook de uitleg die Van Bommel en Zander hieraan geven. Zij stellen onder meer dat gelijke rechten voor ouders de enig denkbare basis is om beide ouders onvoorwaardelijke opvoedingsverantwoordelijkheid te laten dragen. Dit betekent dat zowel de vader als de moeder de plicht en het recht hebben om gelijkwaardig aan de opvoeding deel te nemen. Bij gebrek aan enige overeenstemming tussen de ouders kan dat in hun ogen betekenen dat er ook kwantitatief een 50-50% verdeling van de zorg plaatsvindt (Stcrt. 26 oktober 2005).

Uiteraard zijn ouders gelijkwaardig. Dit komt juridisch reeds tot uitdrukking in het uitoefenen van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Indien de nieuwe rechtsnorm echter een meer dwingend karakter zou gaan krijgen, vergroot dit naar mijn mening alleen maar de kans dat het kind in conflictsituaties tot speelbal wordt gemaakt van strijdende ouders.

Ik ga er graag vanuit dat de rechtspraak wel wijzer zal zijn en de norm niet op deze wijze zal gaan uitleggen!



(*) Nadere toelichting bij het commentaar van Vaderkenniscentrum:

Mevrouw mr. drs. Jeanette Kok, Raadadviseur bij de Directie Wergeving van het Ministerie van Justitie, neemt het met de aanduiding “krappe meerderheid” hier niet nauw met de waarheid in haar Editorial.

Alleen PvdA en CU hebben tegen het Amendement 26 op Gelijkwaardig Ouderschap bij Wetsvoorstel 30145 gestemd. De VVD heeft haar aanvankelijke nee-stem later gecorrigeerd in een ja-stem en ook aan de Eerste Kamer per missive laten weten geacht te zijn te hebben vóórgestemd (zie hieronder voor de weergave van het document met deze VVD-stemcorrectie op de website van de Eerste Kamer).

Bij de stemming over het Amendement 26 bij Wetsvoorstel 30145 werden er dus 39 stemmen geacht te hebben tegengestemd en 111 stemmen geacht te hebben vóórgestemd. 74% van de Tweede Kamerleden hebben daarmee uiteindelijk vóór Amendement 26 bij Wetsvoorstel 30145 op het Gelijkwaardig Ouderschap gestemd. Dat kun je met de beste wil van de wereld geen krappe meerderheid noemen zoals Jeanette Kok in haar Editorial doet. Het gaat hier om een zeer ruime, ja zelfs een grondwettelijke, meerderheid.


Stemcorrectie VVD inzake Amendement 26 bij Wetsvoorstel 30 145:

“De VVD heeft in de plenaire vergadering van 20 juni 2007 laten weten geacht te willen worden vóór dit amendement te hebben gestemd.”

Bron:
Eerste Kamer; Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30.145)

http://www.eerstekamer.nl/9324000/1/j9vvgh5ihkk7kof/vh6xlx3hg5vq
Zie daar onder de kop “Behandeling in TK”:

-

12 juni 2007
- stemmingsoverzicht (herzien)

Afdeling Inhoudelijke Ondersteuning

stemmingen in de Tweede Kamer

Herzien in verband met stemming amendement 26 (21 juni 2007)


aan: de leden en plv. leden van de vaste commissie voor Justitie
datum: 13 juni 2007


betreffende wetsvoorstel 30145:
Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding)

Artikel I, onderdeel G
(De Wit)

Het is in het belang van het kind dat het contact heeft met beide ouders en ook verzorgd wordt door beide ouders. In het wetsvoorstel worden twee normen ontwikkeld; de ene ouder is verplicht de ontwikkeling van de band van het kind met de andere ouder te bevorderen, de ouder zonder gezag heeft ook de plicht omgang te hebben met zijn kind. Het wetsvoorstel is hierin niet duidelijk genoeg.

Gelijke rechten en plichten voor beide ouders is de basis om beide ouders onvoorwaardelijke opvoedingsverantwoordelijkheid te laten dragen. Beide ouders hebben het recht en de plicht om gelijkwaardig aan de opvoeding deel te nemen. Ouderschap is uitsluitend gebaseerd op de relatie kind-ouder, niet op de relatie tussen ouders onderling. De continuering van de opvoedingsrelatie tussen kind en beide ouders is in het belang van het kind. Gelijkwaardig ouderschap en een opvoedingsplicht dienen ook na een echtscheiding, een geregistreerd partnerschap of een periode van samenleven centraal te blijven staan.

Om expliciet duidelijk te maken dat beide ouders gelijke rechten en plichten hebben wordt gelijkwaardig ouderschap de norm. In de wet wordt opgenomen dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Deze wettelijke basis voor gelijkwaardig ouderschap geeft ouders een uitgangspositie om gezamenlijk tot een bij hun situatie passende oplossing te komen.

Aangenomen. Voor: SP, GroenLinks, D66, PvdD, SGP, CDA en de PVV


De VVD heeft in de plenaire vergadering van 20 juni 2007 laten weten geacht te willen worden vóór dit amendement te hebben gestemd.



zondag, december 09, 2007

171. Justitieambtenaar Jeanette Kok ontraadt in familierechttijdschrift rechters uitvoering van "gelijkwaardig ouderschap" in de rechtspraktijk

Mv. mr. drs. Jeanette Kok, ambtenaar aan het Ministerie van Justitie, Directie Wetgeving, verklaart in het editorial van het oktober-2007-nummer van het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, spreekbuis voor de rechtspraktijk in het familierecht, over het in uitvoering nemen van de rechtsnorm van het "gelijkwaardig ouderschap" na scheiding, zoals die werd opgenomen in het op 12 juni 2007 in de Tweede Kamer aangenomen Wetsvoorstel 30145 op de "Bevordering van het voortgezet ouderschap na scheiding" het volgende:

"Ik ga er graag vanuit dat de rechtspraak wel wijzer zal zijn en de norm niet op deze wijze zal gaan uitleggen!"

Lees hieronder dit editorial waarin welbeschouwd de rechtspraktijk opgeroepen wordt om nieuwe wetgeving te negeren.


Gelijkwaardig ouderschap
Editorial uit het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, Jaargang 2007, nummer 10, oktober 2007

Door mv. mr. drs. Jeanette Kok - Raadadviseur, Directie wetgeving, sector privaatrecht, Ministerie van Justitie

Op 12 juni 2007 is het wetsvoorstel bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30145) dat onder meer het ouderschapsplan introduceert en de flitsscheiding afschaft, door de Tweede Kamer aanvaard. Het is de Ministers van Justitie en voor Jeugd en Gezin gelukt om het wetsvoorstel door de Tweede Kamer te loodsen ondanks de kritiek dat een procedure voor een administratieve echtscheiding ter vervanging van de flitsscheiding in het wetsvoorstel ontbreekt. Bij amendement De Wit (nr. 26) is het zogenoemde gelijkwaardig ouderschap na scheiding in de wet vastgelegd. Het is de vraag welke betekenis deze nieuwe norm gaat krijgen.

De Wit heeft in navolging van Luchtenveld (29 676) een amendement ingediend om het gelijkwaardig ouderschap in de wet op te nemen. De norm komt er kort gezegd op neer dat een kind over wie de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, zijn recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders behoudt na ontbinding of beëindiging van het huwelijk, geregistreerd partnerschap of de samenleving. Het amendement behaalt een krappe meerderheid, de fracties van de SP, GroenLinks, D66, de PvdDieren, de SGP, het CDA en de PW stemmen voor het amendement, de overige fracties tegen.

* Commentaar Vaderkenniscentrum:
I.t.t. wat mv. Kok stelt behaalde Amendement 26 bij Wetsvoorstel 30145 in de Tweede Kamer geen krappe, maar juist een zeer ruime en zelfs grondwettelijke, meerderheid van 111 vóórstemmen, dus 74% van de stemmen. (Zie voor nadere toelichting daarop verder hieronder)

Op het eerste gezicht klinkt het amendement sympathiek. Ik ben het met de heer De Wit eens dat een gelijkwaardige uitoefening van het ouderschap de norm zou moeten zijn. Gelijkwaardig ouderschap zou dan wel moeten worden opgevat als: de ene ouder is niet meer gerechtigd dan de andere ouder tot uitoefening van het gezag en daaraan verandert de scheiding als zodanig niets. En in dit laatste punt zit het probleem. In het nieuwe vijfde lid van art. 247 is namelijk bepaald dat ouders bij het maken van afspraken over de kinderen rekening kunnen houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de beëindiging van de relatie, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan.

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel heeft de Minister van Justitie geprobeerd enige duidelijkheid te krijgen over de betekenis van het opnemen van de norm in de wet. De opname van de norm in de wet mag immers niet louter een symbolische functie hebben. In antwoord hierop refereert De Wit aan de uitspraak van de Rechtbank Haarlem (LJN AZ5284) waarin is bepaald dat de man en de vrouw gerechtigd zijn telkens afwisselend één week omgang te hebben met hun twee kinderen in die zin dat de ouders in het kader van de omgangsregeling afwisselend een week bij de kinderen in de echtelijke woning zullen verblijven. De ouders dienen dus iedere week hun spullen te pakken in plaats van de kinderen. Ik hoop dat deze uitspraak, zoals de rechter stelt, in het belang van het kind is en de uitspraak niet leidt tot nieuwe conflicten tussen de ouders. Voortdurende ruzies zijn immers voor kinderen het ergst en het meest schadelijk op de korte en lange termijn.

Het voorbeeld van De Wit doet vermoeden dat hij bedoelt dat gelijkwaardig ouderschap in conflictsituaties co-ouderschap betekent, tenzij er praktische belemmeringen zijn. Dit is ook de uitleg die Van Bommel en Zander hieraan geven. Zij stellen onder meer dat gelijke rechten voor ouders de enig denkbare basis is om beide ouders onvoorwaardelijke opvoedingsverantwoordelijkheid te laten dragen. Dit betekent dat zowel de vader als de moeder de plicht en het recht hebben om gelijkwaardig aan de opvoeding deel te nemen. Bij gebrek aan enige overeenstemming tussen de ouders kan dat in hun ogen betekenen dat er ook kwantitatief een 50-50% verdeling van de zorg plaatsvindt (Stcrt. 26 oktober 2005).

Uiteraard zijn ouders gelijkwaardig. Dit komt juridisch reeds tot uitdrukking in het uitoefenen van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Indien de nieuwe rechtsnorm echter een meer dwingend karakter zou gaan krijgen, vergroot dit naar mijn mening alleen maar de kans dat het kind in conflictsituaties tot speelbal wordt gemaakt van strijdende ouders.

Ik ga er graag vanuit dat de rechtspraak wel wijzer zal zijn en de norm niet op deze wijze zal gaan uitleggen!


Voor een reactie op dit editorial van de zijde van het Tweede Kamerlid mr. Jan de Wit, indiener van het bij wetsvoorstel 30145 aangenomen amendement op de invoering van de rechtsnorm op het gelijkwaardig ouderschap, zie:

Voor meer informatie zie verder ook:

  1. Breaking news 12 juni 2007 - Tweede Kamer kiest voor gelijkwaardig ouderschap na scheiding
  2. Eindversie van het in de Tweede Kamer aangenomen Wetsvoorstel 30145 zoals dat naar de Eerste Kamer is gestuurd
  3. Ook VVD stemde op 12 juni 2007 vóór gelijkwaardig ouderschap


Commentaar bij het Editorial van Jeanette Kok door het Vaderkenniscentrum:

Mevrouw mr. drs. Jeanette Kok, Raadadviseur aan de Directie Wetgeving van het Ministerie van Justitie, neemt het met de aanduiding “krappe meerderheid” hier niet nauw met de waarheid in haar Editorial.

Alleen PvdA en CU hebben tegen het Amendement 26 op Gelijkwaardig Ouderschap bij Wetsvoorstel 30145 gestemd. De VVD heeft haar aanvankelijke nee-stem later gecorrigeerd in een ja-stem en ook aan de Eerste Kamer per missive laten weten geacht te zijn te hebben vóórgestemd (zie hieronder voor de weergave van het document met deze VVD-stemcorrectie op de website van de Eerste Kamer).

Bij de stemming over het Amendement 26 bij Wetsvoorstel 30145 werden er dus 39 stemmen geacht te hebben tegengestemd en 111 stemmen geacht te hebben vóórgestemd. 74% van de Tweede Kamerleden hebben daarmee uiteindelijk vóór Amendement 26 bij Wetsvoorstel 30145 op het Gelijkwaardig Ouderschap gestemd. Dat kun je met de beste wil van de wereld geen krappe meerderheid noemen zoals Jeanette Kok in haar Editorial doet. Het gaat hier om een zeer ruime, ja zelfs een grondwettelijke, meerderheid.


Stemcorrectie VVD inzake Amendement 26 bij Wetsvoorstel 30 145:

“De VVD heeft in de plenaire vergadering van 20 juni 2007 laten weten geacht te willen worden vóór dit amendement te hebben gestemd.”

Bron: Eerste Kamer; Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30.145)
http://www.eerstekamer.nl/9324000/1/j9vvgh5ihkk7kof/vh6xlx3hg5vq

Zie daar onder de kop “Behandeling in TK”:

- 12 juni 2007
- stemmingsoverzicht (herzien)

Afdeling Inhoudelijke Ondersteuning

stemmingen in de Tweede Kamer

Herzien in verband met stemming amendement 26 (21 juni 2007)


aan: de leden en plv. leden van de vaste commissie voor Justitie
datum: 13 juni 2007

betreffende wetsvoorstel 30145:
Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding)

Artikel I, onderdeel G
(De Wit)

Het is in het belang van het kind dat het contact heeft met beide ouders en ook verzorgd wordt door beide ouders. In het wetsvoorstel worden twee normen ontwikkeld; de ene ouder is verplicht de ontwikkeling van de band van het kind met de andere ouder te bevorderen, de ouder zonder gezag heeft ook de plicht omgang te hebben met zijn kind. Het wetsvoorstel is hierin niet duidelijk genoeg.

Gelijke rechten en plichten voor beide ouders is de basis om beide ouders onvoorwaardelijke opvoedingsverantwoordelijkheid te laten dragen. Beide ouders hebben het recht en de plicht om gelijkwaardig aan de opvoeding deel te nemen. Ouderschap is uitsluitend gebaseerd op de relatie kind-ouder, niet op de relatie tussen ouders onderling. De continuering van de opvoedingsrelatie tussen kind en beide ouders is in het belang van het kind. Gelijkwaardig ouderschap en een opvoedingsplicht dienen ook na een echtscheiding, een geregistreerd partnerschap of een periode van samenleven centraal te blijven staan.

Om expliciet duidelijk te maken dat beide ouders gelijke rechten en plichten hebben wordt gelijkwaardig ouderschap de norm. In de wet wordt opgenomen dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Deze wettelijke basis voor gelijkwaardig ouderschap geeft ouders een uitgangspositie om gezamenlijk tot een bij hun situatie passende oplossing te komen.

Aangenomen. Voor: SP, GroenLinks, D66, PvdD, SGP, CDA en de PVV

De VVD heeft in de plenaire vergadering van 20 juni 2007 laten weten geacht te willen worden vóór dit amendement te hebben gestemd.

170. Meest ingrijpende wetswijziging sinds 1922 – Overheid verheft zich als ‘superopvoeder’ boven de ouders en grijpt naar willekeur in

Het kind is belangrijker dan de ouders

NRC-Handelsblad - Binnenland - Door onze redacteuren Antoinette Reerink en Frederiek Weeda - 24 november 2007

Rotterdam, 24 nov. De overheid wil ingrijpen bij falende opvoeders makkelijker maken. Daartoe dient de meest ingrijpende wetswijziging in de kinderbescherming sinds 1922.

In de film Ladybird Ladybird van de Britse regisseur Ken Loach verliest de alleenstaande moeder Maggie het ouderlijk gezag over haar vier kinderen na een brand in huis. Als ze eenmaal een stabiele relatie heeft met een betrouwbare man, krijgt ze opnieuw een baby, en wéér een. Maar de jeugdzorginstanties hebben er geen vertrouwen in: na elke bevalling wordt de pasgeborene prompt afgevoerd naar een tehuis, onder hartverscheurend gehuil van Maggie.

Het is het schrikbeeld voor ouders: dat de overheid ingrijpt in de opvoeding of zelfs hun kind uit huis haalt. Deze week presenteerden de ministers Rouvoet (Jeugd en Gezin, CU) en Hirsch Ballin (Justitie, CDA) een wetsvoorstel dat het de overheid gemakkelijker moet maken in te grijpen in de opvoeding van kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd.

Het is de meest ingrijpende wetswijziging in de kinderbescherming sinds 1922, zegt hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning. Zij ziet de wet als een goede poging om het belang van het kind boven dat van de ouders te stellen. Men wil voorkomen dat ouders eindeloos kansen krijgen, zonder oplossing. Dat leidde er immers toe dat ouders hun kind doodden, zoals de peuter Savanna, het meisje van Nulde en het Maasmeisje.

Bedoeling van de wetswijziging is dat ondertoezichtstelling effectiever wordt, vaker wordt opgelegd, en dat ouders zo’n maatregel niet meer ervaren als straf. „Dat is het ook niet”, zegt hoogleraar pedagogiek Doret de Ruyter, die de minister adviseerde. „Het is een tijdelijke maatregel om ouders te helpen, totdat ze zelf het stokje weer kunnen overnemen.”

Het werkt zo: de rechter stelt op verzoek van de Kinderbescherming of Bureau Jeugdzorg een kind onder toezicht van een voogd, die praktische, psychische en pedagogische hulp regelt. Elk jaar wordt bekeken of de ouders alleen verder kunnen.

Wat verandert er precies? Ouders die nu opvoedingshulp weigeren terwijl hun kind in zijn ontwikkeling dreigt te stagneren, worden voortaan verplicht die hulp te accepteren. Hun kind wordt dan onder toezicht gesteld, al blijft het thuis wonen. Dat zijn de ‘lichte gevallen’. De Ruyter: „Nu wordt alleen direct ingegrepen bij evidente gevallen van mishandeling, verwaarlozing of misbruik. Men wacht tot het fout is gegaan met de ontwikkeling van het kind. Tot het kind bijvoorbeeld in zichzelf gekeerd raakt, spijbelt of agressief wordt.”

Dat gaat nu om zo’n 22.000 kinderen per jaar.

De Ruyter: „In de toekomst kan een moeder die bijvoorbeeld een jaar depressief raakt door een echtscheiding, verplicht worden therapie te volgen. Een jaar is lang voor de ontwikkeling van een kind. Maar ingrijpen zal alleen gebeuren als het kind eronder lijdt, wat niet altijd zo is. Sommige kinderen blijven zich goed ontwikkelen ondanks nare omstandigheden.”

Bovendien kan de rechter ouders voortaan gemakkelijker definitief uit de ouderlijke macht zetten. Nu gebeurt dat sporadisch, 250 tot 500 keer per jaar, omdat de rechter het belang van ouders die een nieuwe kans willen vaak zwaar laat wegen. Dit kan ertoe leiden dat een kind, dat soms al lang gehecht is aan pleegouders, toch terug moet naar zijn moeder, als die bijvoorbeeld gestopt is met drinken.

Bruning: „Voortaan zal de rust voor het kind, en de duidelijkheid over wie het opvoedt, wettelijk zwaarder wegen dan het belang van de echte ouder. Hoe jonger het kind, hoe minder tijd een ouder zal krijgen om te bewijzen dat hij het ouderlijk gezag wel aankan.”

Tegelijk onderstreept ze dat pleeggezinnen en tehuizen altijd second best zijn. „Kinderen zijn eindeloos loyaal aan hun echte ouders. Zelfs na jaren willen ze vaak terug naar hun moeder of vader.”

De Rotterdamse advocaat Reinier Feiner, die veel jeugdzaken doet, ziet overigens dat ouders lang niet altijd hun zin krijgen. „Je hoort telkens dat ouders zoveel rechten hebben, maar in de praktijk stelt dat niets voor. Ze hebben amper tijd een tegenonderzoek in te stellen als de rechter tot ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing heeft besloten.”

De toets voor zo’n maatregel doet het Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming. Feiner: „De rechter geeft deze instellingen eerder het voordeel van de twijfel dan de ouders.”

De rapporterende gezinsvoogd krijgt straks volgens het wetsvoorstel recht op informatie van onder meer artsen, psychiaters en leraren over ouder of kind. Dat maakt schending van hun beroepsgeheim een minder groot risico.

Ook nieuw is dat de gezinsvoogd concrete doelen moet bepalen voor een onder toezicht gesteld gezin. Het kind moet bijvoorbeeld vaker buiten kunnen spelen, of naar huiswerkbegeleiding. Of de ouders moeten een agressiecursus volgen. „Zo wordt het voor zowel de rechter als de ouders duidelijker wat de ondertoezichtstelling inhoudt”, zegt Bruning.

Het is overigens niet zo dat een ‘afwijkende’ opvoedstijl – heel vrij, heel streng – straks aanleiding wordt voor ingrijpen, zegt De Ruyter. „Als dat bij een familie of cultuur hoort, kan een kind erbij gebaat zijn.”

Dat hulpverleners dat soms verkeerd inschatten, blijkt uit een voorbeeld van advocaat Feiner: „Een Afrikaanse moeder van vier kinderen was zwanger van de vijfde. Ze had hulpverlening aanvaard omdat zij geen Nederlands sprak en schulden had. Er kwam wekelijks iemand langs die zag dat moeder geen babykamer inrichtte. Dat vond ze zorgwekkend. De hulpverlener zei: deze moeder is geestelijk onderontwikkeld, niet voorbereid op de bevalling. Terwijl haar kinderen het gewoon goed deden op school. In de cultuur van de vrouw is het de goden verzoeken om een babykamer in te richten en vóór de geboorte al kleertjes te kopen. Toch was die kamer aanleiding om de baby direct na de geboorte door agenten uit huis te laten halen. De rechter heeft dat later teruggedraaid.”

Hulp wordt voor ouders verplicht:

  • De rechten van minderjarigen moeten voorrang krijgen boven het recht van ouders hun kind zelf op te voeden. Dat principe staat centraal bij het wetsvoorstel dat ministers Hirsch Ballin (Justitie, CDA) en Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) de afgelopen week hebben bekendgemaakt.
  • Voortaan worden ouders die opvoedingshulp weigeren verplicht die hulp aan te nemen en worden ze onder toezicht gesteld.
  • De rechter kan de banden tussen falende ouders en hun kinderen voortaan gemakkelijker doorsnijden.
  • Voogden krijgen voortaan het recht op informatie van psychiaters, huisartsen en leraren.
  • Voogden moeten, als de plannen doorgaan, ‘doelen’ opstellen waaraan de ouders en de rechter de vorderingen kunnen toetsen.
  • Nu stelt de rechter elk jaar zo’n 22.000 kinderen onder toezicht van een voogd. Zestig procent blijft thuis wonen.