Posts tonen met het label onttrekking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onttrekking. Alle posts tonen

donderdag, november 15, 2012

562. EO De Vijfde Dag - Wanhopige strijd om kind - Pieter wil zijn zoon weer zien

Uitzending van EO - De Vijfde Dag op donderdagavond 15 november 2012 om 21.05 uur op Nederland 2

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


Pieter is boos op Jeugdzorg, omdat hij vindt dat ze hem tegen werken in het contact met zijn zoon. Sinds 2008 heeft Pieter zijn zoon door toedoen van jeugdzorg en de moeder niet meer gesproken. De Vijfde Dag over een vader die al ruim 10 jaar vecht voor een normale omgang met zijn zoon en in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek vrijwel op alle punten gelijk krijgt, maar desondanks nog steeds met lege handen staat.

Je zult het contact met je eigen kind verliezen. Jaarlijks overkomt dat vele duizenden ouders in Nederland. De Vijfde Dag volgt Pieter, die sinds zijn scheiding in 2001 een wanhopige strijd voert om zijn zoon Max te mogen zien.

Pieter heeft een omgangsregeling die hem het recht geeft om Max eens in de zoveel tijd te zien, maar zijn ex-vrouw weigert daar aan mee te werken. Als Pieter Max eens bij haar op komt halen, zegt zij dat hij ziek is. Wanneer hij zijn zoon toch meeneemt, belt zij de politie om aangifte te doen van ontvoering. Pieter wordt klemgereden door vier politieauto's en moet mee naar het bureau.

Ook de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg maakt niet dat Pieter zijn zoon vaker kan zien. Integendeel: in 2011 wordt het hem zelfs verboden om zijn zoon nog langer te zien. Volgens Jeugdzorg is dat om rust voor Max te creëren. Maar een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de rechter stelt Pieter in bijna alle punten in het gelijk. Jeugdzorg heeft gefaald, want de problemen van Max zijn alleen maar toegenomen tijdens hun bemoeienis.

De weg lijkt vrij voor Pieter om weer contact met Max op te nemen. Maar dat blijkt ingewikkelder dan het lijkt. En wil Max zijn vader eigenlijk wel zien?

Studiodiscussie
In de studio discussiëren Jan Dirk Sprokkereef van Jeugdzorg Nederland en familieadvocaat Resit Kaya met elkaar over de vraag hoe Bureau Jeugdzorg de waarheid kan achterhalen wanneer beide ouders elkaar tegenspreken. En hoe sterk moet de mening van het kind worden meegewogen?

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
EO - De Vijfde Dag : 14-11-2012

Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem.

Ouders die problemen ondervinden met een omgangsregeling, omdat de andere ouder niet meewerkt, kunnen een tweetal wegen bewandelen. Ze kunnen naar een advocaat stappen, die een civiele procedure start, maar ze kunnen ook naar de politie stappen en aangifte doen. Die laatste route blijkt door de opstelling van politie en justitie echter zelden succesvol. Ze verwijzen doorgaans terug naar het civiel recht.

Ten onrechte, volgens Benjamin Wondergem, die als recherchekundige én ervaringsdeskundige onderzoek deed onder politie en justitie naar hoe aangiftes bij omgangsproblemen worden behandeld. ,,Ik heb in mijn onderzoek gemerkt dat er veel te weinig kennis is, zowel bij de politie als bij justitie, over wat de strafrechtelijke mogelijkheden zijn als iemand weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Daardoor zijn agenten, maar ook officieren van justitie weinig geneigd om aangiftes op te nemen en te vervolgen.’’

Kinderen de dupe
De route via de familierechter is vaak een lange, geldverslindende procedure die soms jarenlang duurt, volgens Wondergem. ,,Daardoor worden kinderen onnodig gedupeerd. Hoe langer zoiets duurt, hoe moeilijker de situatie komt te liggen. Omdat kinderen steeds meer loyaliteit ervaren richting de ouder bij wie ze wonen en daardoor bij ruzie tussen de ouders ook steeds meer vervreemd raken van de andere ouder. Er moet dus snel gehandeld worden.’’

Het strafrecht biedt mogelijkheden om snel en effectief te handelen, volgens Wondergem. Toch biedt het geen garantie op succes: ,,Als je een ouder- veroordeelt, geeft dat nog geen garantie dat de andere ouder daarna het kind wel kan zien. Maar het is in ieder geval een belangrijk signaal naar ouders toe, dat ze niet zomaar ongestraft niét mee kunnen werken aan een omgangsregeling.’’

Mediation
De echte oplossing zit er volgens Wondergem in dat ouders beseffen wat ze hun kind aandoen, door voortdurend confrontaties te zoeken en niet mee te werken. ,,Als politie en justitie snel handelen en de zaak voor de rechter komt, moet er eigenlijk direct mediation komen. Verplichte behandeling! Een ouder moet inzien wat hij of zij een kind aandoet door het van de andere ouder weg te houden en daarmee het kind in een conflictsituatie te plaatsen.’’

+ Handleiding Aangifte Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij niet nakomen omgang bij gezamenlijk gezag van het Vader Kennis Centrum

Bij deze reportage

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem hier.


VADER KENNIS CENTRUM
Informatie en kennis die eraan bijdraagt om de rol van beide ouders bij de opvoeding van, de zorg voor en het onderwijs aan kinderen op waarde te schatten en met overheidsbeleid te ondersteunen. Zie hier.

Samenvatting kijkersreacties: Kijker overwoog zelfmoord door omgangsproblemen
Een samenvatting van de bijna tweehonderd reacties leverde de reportage over omgangsproblemen op, die De Vijfde Dag op donderdag 15 november 2012 uitzond. Sommige kijkers hebben zelfs zelfmoord overwogen vanwege de omgangsproblemen. U leest de samenvatting hier.

Wat kun je doen als je ex-partner niet meewerkt aan een omgangsregeling?
Je ex-partner staat je niet toe je kind te blijven zien. De afgesproken omgangsregeling wordt niet nageleefd. Wat kun je dan doen? De Vijfde Dag zet het hier op een rijtje.

Waarom Max onherkenbaar is gemaakt
De Vijfde Dag heeft er bewust voor gekozen om ‘Max’ onherkenbaar in beeld te brengen. Dit omdat de minderjarige jongen al slachtoffer is van de situatie waarin hij zich bevindt en hij niet ook nog eens ‘slachtoffer’ moet worden van een uitzending waarin de ruzie tussen zijn ouders centraal staat. Zie verder hier.


woensdag, november 14, 2012

560. 'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
Achtergrondartikel, 15-11-2012

Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt het Vader Kennis Centrum (VKC).

Ouders die problemen ondervinden met een omgangsregeling, omdat de andere ouder niet meewerkt, kunnen een tweetal wegen bewandelen. Ze kunnen naar een advocaat stappen, die een civiele procedure start, maar ze kunnen ook naar de politie stappen en aangifte doen. Die laatste route blijkt door de opstelling van politie en justitie echter zelden succesvol. Ze verwijzen doorgaans terug naar het civiel recht.

Ten onrechte, volgens het VKC, die onderzoek deed onder politie en justitie naar hoe aangiftes bij omgangsproblemen worden behandeld. Het bestuur van het VKC heeft bij dit onderzoek gemerkt dat er veel te weinig kennis is, zowel bij de politie als bij justitie, over wat de strafrechtelijke mogelijkheden zijn als iemand weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Daardoor zijn agenten, maar ook officieren van justitie weinig geneigd om aangiftes op te nemen en te vervolgen.

Kinderen de dupe
De route via de familierechter is vaak een lange, geldverslindende procedure die soms jarenlang duurt, volgens het VKC. Daardoor worden kinderen onnodig gedupeerd. Hoe langer zoiets duurt, hoe moeilijker de situatie komt te liggen. Omdat kinderen steeds meer loyaliteit ervaren richting de ouder bij wie ze wonen en daardoor bij ruzie tussen de ouders ook steeds meer vervreemd raken van de andere ouder. Er moet dus snel gehandeld worden.

Het strafrecht biedt mogelijkheden om snel en effectief te handelen, volgens VKC. Toch biedt het geen garantie op succes: Als je een ouder- veroordeelt, geeft dat nog geen garantie dat de andere ouder daarna het kind wel kan zien. Maar het is in ieder geval een belangrijk signaal naar ouders toe, dat ze niet zomaar ongestraft niét mee kunnen werken aan een omgangsregeling.

Mediation
De echte oplossing zit er volgens het VKC in dat ouders beseffen wat ze hun kind aandoen, door voortdurend confrontaties te zoeken en niet mee te werken. Als politie en justitie snel handelen en de zaak voor de rechter komt, moet er eigenlijk direct mediation komen. Verplichte behandeling! Een ouder moet inzien wat hij of zij een kind aandoet door het van de andere ouder weg te houden en daarmee het kind in een conflictsituatie te plaatsen.

Handleiding Aangifte Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij niet nakomen omgang bij gezamenlijk gezag van het Vader Kennis Centrum


Wanhopige strijd om kind: Pieter wil zijn zoon weer zien
EO - De Vijfde Dag, Uitzending op donderdag 15 november om 21.05 uur op Nederland 2

Pieter is boos op Jeugdzorg, omdat hij vindt dat ze hem tegen werken in het contact met zijn zoon. Sinds 2008 heeft Pieter zijn zoon niet meer gesproken. De Vijfde Dag over een vader die al ruim 10 jaar vecht voor een normale omgang met zijn zoon en in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek vrijwel op alle punten gelijk krijgt, maar desondanks nog steeds met lege handen staat. (EO - De Vijfde Dag, Uitzending op donderdag 15 november om 21.05 uur op Nederland 2).

Je zult het contact met je eigen kind verliezen. Jaarlijks overkomt dat vele duizenden ouders in Nederland. De Vijfde Dag volgt Pieter, die sinds zijn scheiding in 2001 een wanhopige strijd voert om zijn zoon Max te mogen zien.

Pieter heeft een omgangsregeling die hem het recht geeft om Max eens in de zoveel tijd te zien, maar zijn ex-vrouw weigert daar aan mee te werken. Als Pieter Max eens bij haar op komt halen, zegt zij dat hij ziek is. Wanneer hij zijn zoon toch meeneemt, belt zij de politie om aangifte te doen van ontvoering. Pieter wordt klemgereden door vier politieauto's en moet mee naar het bureau.

Ook de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg maakt niet dat Pieter zijn zoon vaker kan zien. Integendeel: in 2011 wordt het hem zelfs verboden om zijn zoon nog langer te zien. Volgens Jeugdzorg is dat om rust voor Max te creëren. Maar een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de rechter stelt Pieter in bijna alle punten in het gelijk. Jeugdzorg heeft gefaald, want de problemen van Max zijn alleen maar toegenomen tijdens hun bemoeienis.

De weg lijkt vrij voor Pieter om weer contact met Max op te nemen. Maar dat blijkt ingewikkelder dan het lijkt. En wil Max zijn vader eigenlijk wel zien?

Studiodiscussie
In de studio discussiëren Jan Dirk Sprokkereef van Jeugdzorg Nederland en familieadvocaat Resit Kaya met elkaar over de vraag hoe Bureau Jeugdzorg de waarheid kan achterhalen wanneer beide ouders elkaar tegenspreken. En hoe sterk moet de mening van het kind worden meegewogen?

Uitzending van EO - De Vijfde Dag op donderdagavond 15 november 2012 om 21.05 uur op Nederland 2



Pieter is boos op Jeugdzorg, omdat hij vindt dat ze hem tegen werken in het contact met zijn zoon. Sinds 2008 heeft Pieter zijn zoon door toedoen van jeugdzorg en de moeder niet meer gesproken. De Vijfde Dag over een vader die al ruim 10 jaar vecht voor een normale omgang met zijn zoon en in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek vrijwel op alle punten gelijk krijgt, maar desondanks nog steeds met lege handen staat. Je zult het contact met je eigen kind verliezen. Jaarlijks overkomt dat vele duizenden ouders in Nederland. De Vijfde Dag volgt Pieter, die sinds zijn scheiding in 2001 een wanhopige strijd voert om zijn zoon Max te mogen zien. Pieter heeft een omgangsregeling die hem het recht geeft om Max eens in de zoveel tijd te zien, maar zijn ex-vrouw weigert daar aan mee te werken. Als Pieter Max eens bij haar op komt halen, zegt zij dat hij ziek is. Wanneer hij zijn zoon toch meeneemt, belt zij de politie om aangifte te doen van ontvoering. Pieter wordt klemgereden door vier politieauto's en moet mee naar het bureau. Ook de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg maakt niet dat Pieter zijn zoon vaker kan zien. Integendeel: in 2011 wordt het hem zelfs verboden om zijn zoon nog langer te zien. Volgens Jeugdzorg is dat om rust voor Max te creëren. Maar een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de rechter stelt Pieter in bijna alle punten in het gelijk. Jeugdzorg heeft gefaald, want de problemen van Max zijn alleen maar toegenomen tijdens hun bemoeienis. De weg lijkt vrij voor Pieter om weer contact met Max op te nemen. Maar dat blijkt ingewikkelder dan het lijkt. En wil Max zijn vader eigenlijk wel zien? Studiodiscussie In de studio discussiëren Jan Dirk Sprokkereef van Jeugdzorg Nederland en familieadvocaat Resit Kaya met elkaar over de vraag hoe Bureau Jeugdzorg de waarheid kan achterhalen wanneer beide ouders elkaar tegenspreken. En hoe sterk moet de mening van het kind worden meegewogen?  

Bij deze reportage 'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling' Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt het Vader Kennis Centrum (zie achtergrondartikel hierboven).
 
VADER KENNIS CENTRUM Informatie en kennis die eraan bijdraagt om de rol van beide ouders bij de opvoeding van, de zorg voor en het onderwijs aan kinderen op waarde te schatten en met overheidsbeleid te ondersteunen. Zie hier.

Samenvatting kijkersreacties: Kijker overwoog zelfmoord door omgangsproblemen Een samenvatting van de bijna tweehonderd reacties leverde de reportage over omgangsproblemen op, die De Vijfde Dag op donderdag 15 november 2012 uitzond. Sommige kijkers hebben zelfs zelfmoord overwogen vanwege de omgangsproblemen. U leest de samenvatting hier.  

Wat kun je doen als je ex-partner niet meewerkt aan een omgangsregeling? Je ex-partner staat je niet toe je kind te blijven zien. De afgesproken omgangsregeling wordt niet nageleefd. Wat kun je dan doen? De Vijfde Dag zet het hier op een rijtje.  

Waarom Max onherkenbaar is gemaakt De Vijfde Dag heeft er bewust voor gekozen om ‘Max’ onherkenbaar in beeld te brengen. Dit omdat de minderjarige jongen al slachtoffer is van de situatie waarin hij zich bevindt en hij niet ook nog eens ‘slachtoffer’ moet worden van een uitzending waarin de ruzie tussen zijn ouders centraal staat. Zie verder hier.
 

560a. Handleiding Aangifte Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij niet nakomen omgang bij gezamenlijk gezag

Aangifte Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij niet nakomen omgang bij gezamenlijk gezag


Handleiding aangifte doen bij niet nakomen omgangsregeling

Peter Tromp

Sinds 15 februari 2005 heeft een arrest van de Hoge Raad het mogelijk gemaakt om - bij het niet nakomen van de beschikte omgangsregeling in een situatie van gezamenlijk gezag - tegen de ouder die zich niet aan een door de rechter beschikte omgangsregeling houdt bij politie en justitie aangifte te doen wegens "Onttrekking aan de ouderlijke macht" (Artikel 279 Sr.) als strafbaar feit.

Onderstaande praktijkhandleiding werd ingezonden door een vader met gezamenlijk gezag die zelf in de praktijk bij niet-nakoming van de omgangsregeling door zijn ex, tegen de moeder aangifte bij de politie deed. Zijn aangifte is opgenomen door de politie en vervolgd door justitie.

We roepen anderen die sinds 15 februari 2005 gebruik gemaakt hebben van deze mogelijkheid om aangifte te doen om hier op deze website rapport te doen van hun ervaringen met politie, justitie en rechtbanken in de afhandeling van hun aangifte. U kunt uw ervaringen direct op deze website publiceren door gebruik te maken van de commentaarmogelijkheid onderaan dit artikel.

Op grond van de vele aan ons gerapporteerde ervaringen in de afgelopen jaren met het doen van aangifte bij het niet nakomen van een door de rechter beschikte omgangsregeling heb ik inmiddels de volgende uitgebreide handreiking samengesteld.

Praktijkhandleiding "aangifte doen bij het niet nakomen van de omgangsregeling". Onttrekking aan de ouderlijke macht Artikel 279 Sr.

1. Het verdient aanbeveling om voorafgaand of parallel aan het doen van aangifte van onttrekking - met hulp van uw advocaat - eerst een civiele procedure (zgn. Kort Geding) te voeren met een verzoek om civiele handhaving van de beschikte maar niet-nagekomen omgangsregeling

De kans dat de strafrechter de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaart bij de strafvervolging van uw aangiften van onttrekking (Art. 279 Sr) wordt iets groter, als u als benadeelde ouder voorafgaand niet eerst een civiel rechtelijke procedure (zgn. Kort Geding) heeft gevoerd, waarin u om civiele handhavingsmiddelen (dwangsom, civiele gijzeling, omgangs-OTS (*) etc.) voor de beschikte maar niet-nagekomen omgangsregeling gevraagd heeft en deze vervolgens - zoals de praktijkervaring leert - weinig tot niets hebben geholpen.

Dit zou nog steeds een gevolg zijn van een zinsnede uit een brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie die werd geschreven in het kader van de toenmalige debatten in de Tweede Kamer als wetgever over de scheidings- en omgangsproblematiek. Daarin valt te lezen:
Strafbaarstelling van het niet nakomen van een omgangsregeling
Ten aanzien van de aanbeveling een strafbepaling in de wet op te nemen sluit ik mij aan bij het door mijn voorganger ingenomen standpunt hiervan af te zien, onder meer omdat hiermee een handhavingsverplichting wordt geschapen, die onvoldoende toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het middel van (civielrechtelijke) lijfsdwang (art. 585 Rv). We beschikken zoals eerder vermeld al over een uitgebreid scala aan civiele dwangmaatregelen. Ik wil bovendien benadrukken dat ik het strafrecht beschouw als ultimum remedium en geen geëigend middel acht om deze problematiek op te lossen.
Deze zinsnede is naar onze mening echter inmiddels door de jurisprudentie in de rechtspraktijk achterhaald als gevolg van de latere uitspraken van de Hoge Raad uit 2005, waarin het niet-nakomen van de beschikte omgang bij gezamenlijk gezag inmiddels wel strafbaar verklaard werd conform Art. 279 Sr. En een strafbaar feit blijft een strafbaar feit dat ook vervolging bij de strafrechter verdient. De eis van sommige strafrechters voor ontvankelijkheid van de Officier van Justitie bij de strafvervolging, dat eerst een civiele procedure gevoerd moet zijn, jaagt ouders ons inziens daarom geheel onnodig op hoge eigen advocaat- en procedurekosten, terwijl de wederpartij daarbij vaak op een toevoeging opereert en op kosten van de Nederlandse staat weer beroep aantekent. Dit heeft grote rechtsongelijkheid tot gevolg, waarvan de kinderen het slachtoffer worden.

Toch adviseren we u indien mogelijk het zekere voor het onzekere te nemen en eerst met uw advocaat een civiel rechtelijke Kort-Geding-procedure te voeren, waarin u om civiele handhavingsmiddelen (dwangsom, civiele gijzeling, omgangs-OTS (*) etc.) voor de beschikte maar niet-nagekomen omgangsregeling vraagt.
(*) Omgangs-OTS: Dit betreft een Onder Toezicht Stelling van het kind/de kinderen bij Jeugdzorg als civiele handhavingsmaatregel, met het oogmerk om de naleving van een door de rechter beschikte maar niet-nagekomen omgangsregeling te bewerkstelligen. Het wordt ouders bij een verzoek om civiele handhavingsmiddelen bij de KortGeding-rechter echter sterk afgeraden om als mogelijke handhavingsmaatregel te vragen om deze zgn. 'Omgangs-OTS' bij Jeugdzorg, omdat de ervaringen inmiddels hebben geleerd dat Jeugdzorg bij deze Omgangs-OTS-en steeds aan de kant van de de omgang frustrerende ouder gaat staan en daarbij eindeloze trajecten ingaat, waarbij in de praktijk weinig tot helemaal niets wordt gedaan om de naleving van de door de rechter beschikte (maar niet-nagekomen) omgangsregeling ook daadwerkelijk te bewerkstelligen.

2. Aangifte doen bij de politie van het strafbaar feit van "onttrekking" conform Art 279 Sr. 

Als de civiele handhavingsmiddelen niets hebben geholpen, en dat is helaas meestal de praktijkervaring, dan rest u als ouder geen andere weg dan bij de politie aangifte van onttrekking te doen conform Art. 279 Sr.

U kunt alleen aangifte van onttrekking doen wanneer uw zaak voldoet aan de volgende drie voorwaarden:
1. U beschikt over een bij rechterlijke beschikking vastgestelde omgangsregeling met uw kind(eren)
2. U heeft het 'gezamenlijk gezag' over uw kind(eren) van de rechter toegewezen gekregen
3. De andere ouder houdt zich zonder uw toestemming niet aan de door de rechter beschikte omgangsregeling.

Is dit het geval dan doet u het volgende:

In de woonplaats van het adres waar u de omgang geweigerd wordt belt u de politie.
Deze komt ter plaatse, constateert de weigering en zal op uw verzoek sommeren de omgangsregeling na te komen.
U noteert tijdstip en namen van de politieagenten.
Bij volhardende weigering gaat u naar het dichtstbijzijnde politiebureau om aangifte te doen van onttrekking aan de ouderlijke macht.

U neemt mee:

1. Uw identiteitsbewijs.

2. De uitspra(a)k(en) van de rechtbank in uw zaak omtrent (a) uw omgangsregeling en (b) de toekenning van het gezamenlijk gezag aan u.

3. (a) De uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005 (die het niet-nakomen van de beschikte omgangsregeling bij gezamenlijk strafbaar stelt) en (b) het Rapport 2007/034 van De Nationale Ombudsman (met daarin de aanbeveling aan de Nederlandse politie om aangiften onttrekking (Art. 279 Sr) bij het niet-nakomen van een omgangsregeling bij gezamenlijk gezag ook daadwerkelijk op te nemen).
Zorg dat de prints goed leesbaar zijn.

4. Onderstaand onttrekkingsartikel Art. 279 Sr uit het Wetboek van Strafrecht. (selecteren/knippen/plakken)
Artikel 279 Sr, Wetboek van Strafrecht.
  1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
  2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.
U zegt op het politiebureau dat u aangifte wil doen van onttrekking aan de ouderlijke macht tegen de ouder die de beschikte omgangsregeling niet nakomt, waarbij u naargelang de situatie al dan niet expliciet al dan niet melding laat maken van een evt. verzwarende omstandigheid, indien er sprake is van "list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is".

Als de politie niet begrijpt wat u bedoeld laat u hen de uitspraak van de Hoge Raad en de aanbeveling in Rapport 2007/034 van De Nationale Ombudsman zien en een printje van Art 279 Sr van het Wetboek van Strafrecht.

Ongeldige redenen van de politie om de aangifte niet op te nemen kunnen zijn:

1. “Het betreft een CIVIELE zaak.”
Antwoord: “Voor de civiele zaak zal ik een kortgeding aanspannen en een dwangsom eisen. De strafrechterlijke kant van de zaak handelt u af.”

2. “Wij gaan niet aan kinderen trekken.”
Antwoord: “Dat doet u wel als u de aangifte niet opneemt. U trekt dan mee aan de kant waar het misdrijf begaan word.”

3. Vul zelf maar in, alles is mogelijk: “Wij houden niet van wijsneuzen.” Zelfs: “Uw ex wil het gewoon niet.”

Uw antwoord is bij weigering van de politie om de aangifte op te nemen altijd:
“Ik zal dan direct bij de officier van Justitie zelf aangifte laten doen door mijn advocaat.”
U belt uw advocaat en laat die direct bij de officier van Justitie bij de rechtbank horende bij de woonplaats waar u aangifte wil doen de aangifte doen. Die zal de politie dan opdracht geven de aangifte op te nemen. Informeer zelf bij de politie wanneer u welkom bent, nadat uw advocaat van de officier van Justitie bericht heeft ontvangen dat u aangifte kunt gaan doen.

Als dat dan nog niet heeft geholpen kunt u nog een brief schrijven aan de voor de Nederlandse politie verantwoordelijke minister van Veiligheid en Justitie, waarin u er op grond van de uitspraak van de Hoge Raad op wijst dat sprake is van een strafbaar feit en u de minister als baas van de politie verzoekt om de opname van uw aangifte van onttrekking door de politie te gelasten.

Waar het bij dit alles op aankomt is dat u zich bij het doen van uw aangiften onttrekking bij de politie niet gemakkelijk uit het veld laat slaan en laat wegsturen. De aarzelende houding van de politie om uw aangifte onttrekking op te nemen overigens niet noodzakelijkerwijs een gevolg van directe onwil maar soms ook van onwetendheid bij de politie, dat het ook hier gaat om het strafbaar feit van onttrekking.

Herhaald aangifte doen bij de politie i.v.m. dossieropbouw tegen omgangsfrustrerende ouder
U dient de aangifte bij de politie bij elke nieuwe keer dat de beschikte omgangsregeling niet wordt nagekomen te herhalen om zo politie en justitie in staat te stellen om een goed strafdossier (een zgn. verzamelaangifte) tegen de omgangsfrustrerende ouder op te bouwen ten behoeve van de vervolging door het OM voor de strafrechter.

Aanmelden bij Buro Slachtofferhulp:
Vergeet niet om u bij de aangifte bij de politie ook tegelijk als slachtoffer van een misdrijf aan te laten melden bij Buro Slachtofferhulp (Telefoon: 0900-0101 (lokaal tarief)) en hun hulp te vragen in deze moeilijke omstandigheden. Via de Slachtofferinformatielijn kunt u nl. navragen hoe de stand van zaken is met de afhandeling en vervolging van uw aangifte, op welke datum de strafzitting gepland is en hoe u op de strafzitting gebruik kunt maken van uw spreekrecht als slachtoffer. Het nummer staat op de aangifte vermeld.

3. Vervolging van het strafbaar feit "onttrekking" conform Art 279 Sr. door de Officier van Justitie (Openbaar Ministerie - OM)

Seponering/sepot door de Officier van Justitie en Artikel 12-Sv-procedure bij het Gerechtshof
Als u aangifte gedaan heeft bij de politie bent u er nog steeds niet. De Officier van Justitie kan dan alsnog besluiten om uw aangifte niet te vervolgen maar te seponeren. Tegen dat sepotbesluit kunt u echter zelf en zonder hulp van een advocaat weer beroep aantekenen bij het Gerechtshof middels een zgn. Artikel 12-Sv-procedure, waarin u het Gerechtshof vraagt de Officier van Justitie te gelasten om dit strafbaar feit toch te vervolgen.  Wij adviseren u ook om dat te doen. Het belang van uw kind(eren) op beide ouders is een zeer zwaarwegend belang.

4. Strafzitting bij de strafrechter

Voorafgaande of gelijklopende civiele stappen (Kort Geding) zijn aanbevolen:
N.b. Zie toelichting boven bij stap 1:
Het verdient aanbeveling om voorafgaand of gelijklopend aan het doen van de hierboven beschreven strafrechtelijke aangiften bij de politie tegen het niet nakomen van de omgangsregeling door de verzorgende ouder, eerst via een Kort Geding de civiele rechter om nakoming van de omgangsregeling te verzoeken, waarbij u niet vergeet handhavingsmiddelen (een dwangsom, gijzeling etc.) te eisen op het nakomen van de omgangsregeling. Daarvoor gaat u naar een advocaat.
DAT is die civiele procedure waar wel eens naar verwezen word.

Sexe-justitie in de Nederlandse rechtspraak
De uiteindelijk uitgesproken straf van de rechter tegen de onttrekkende ouder wanneer dit een vrouw of moeder kan u mogelijk tegenvallen. Het gaat tot nu toe vaak uitsluitend om een voorwaardelijke taakstraf van zo'n 40 uur of meer en deze is bovendien tot nog toe bij geen van de voor onttrekking veroordeelde vrouwen of moeders daadwerkelijk ten uitvoer gelegd..

Misschien was u daar nog niet van op de hoogte, maar in de Nederlandse rechtspraak is naar analogie van de vroegere 'Klassejustitie' nu noch steeds sprake van een ernstige en chronische vorm van 'Sexejustitie'. De veroordelingen voor het strafbare feit van onttrekking zijn hiervan een goed voorbeeld. Waar


Dit is een direct gevolg van een brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie die is geschreven in het kader van de totstandkoming van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding.

In uitspraak LJN: BZ0555 d.d. 24-12-2012 van de Rechtbank Amsterdam staat deze brief daarbij als volgt samengevat:
“Het naleven van een omgangsregeling dient volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever te worden gehandhaafd door middel van maatregelen van civielrechtelijke aard, zoals de dwangsom, lijfsdwang, afgiftebevel of het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft of de ondertoezichtstelling of aanwijzing van een bijzonder curator.”
Met andere woorden indien de ouder die aangifte wegens onttrekking aan het ouderlijk gezag, Art 279 Sr, doet, geen voorafgaande civiele procedure(s) heeft gevoerd om dwangmaatregelen te eisen, wordt het O.M. niet ontvankelijk verklaard.
_____
Disclaimer: Op deze website wordt geen sluitend juridisch advies gegeven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Deze website huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel er de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding besteedt wordt, zijn we niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid voor de gegeven adviezen en reacties.
_____

dinsdag, april 24, 2012

538. Onbegrijpelijke vrijspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2012 die ‘het niet nakomen van de omgangsregeling’ bij gezamenlijk gezag in uitspraak LJN: BW0594 niet strafbaar stelt

LJN: BW0594, Gerechtshof Amsterdam , 23-002595-10
Datum uitspraak: 20-03-2012
Datum publicatie: 02-04-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
Vrijspraak overtreding artikel 279 Sr. Geen sprake van opzettelijke onttrekking aan het wettelijk gezag of toezicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Naar de kennelijke bedoeling van de wetgever dient het naleven van een omgangsregeling in beginsel te worden gehandhaafd d.m.v. civielrechtelijke maatregelen. Een aparte strafbaarstelling is door de wetgever vooralsnog niet overwogen.

Uitspraak

parketnummer: 23-002595-10
datum uitspraak: 20 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13/425099-09 tegen

[verdachte],
geboren te [plaats en datum],
wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 30 maart 2010 en 18 mei 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 december 2003 tot en met 1 april 2009 te Blaricum en/of te Hoogezand, gemeente Hoogezand Sappemeer, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer minderjarig(e) kind(eren), te weten [naam en geboortedatum kind 1] en/of [naam en geboortedatum kind 2], heeft onttrokken aan het wettig over die/dat minderjarig(e) kind(eren) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die één of meer minderjarige kind(eren) uitoefent, terwijl bovengenoemde minderjarige(n) jonger dan 12 jaar is/zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de inleidende dagvaarding nietig dient te worden verklaard, nu deze niet binnen de wettelijke termijn is betekend en de verdachte geen afstand heeft gedaan van deze termijn.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer over en maakt deze tot de zijne. Het verweer wordt verworpen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat de verdachte geen dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen heeft ontvangen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor zover hetgeen door de raadsman is aangevoerd al zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is de dagvaarding in hoger beroep blijkens de door de advocaat-generaal overgelegde akte van uitreiking rechtsgeldig aan de verdachte betekend. Het verweer wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsman ook in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, schending van het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel, schending van het ne bis in idembeginsel en détournement de pouvoir.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank ten aanzien van deze door de raadsman gevoerde verweren over en maakt die tot de zijne. Nu ook overigens niet is gebleken van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, die tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden, worden de verweren verworpen.

Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uren met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de Reclassering Nederland en zich daartoe bij de reclassering zal melden.

Vrijspraak
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij het strafbare feit als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zou hebben begaan. Bij de beantwoording van de vraag of dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen heeft het hof het volgende in beschouwing genomen.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 29 oktober 2002 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen de verdachte en [naam aangever] uitgesproken en is bepaald dat hun twee minderjarige kinderen [namen kind 1 en kind 2] hun hoofdverblijfplaats bij de verdachte hebben. De verdachte en de aangever behielden van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen (hierna: de kinderen). Dit brengt mee dat de verdachte niet strafrechtelijk kan worden verweten de kinderen aan het gezag te hebben onttrokken. Zij heeft immers zelf mede het gezag.

De vraag die vervolgens rijst is of de verdachte kan worden verweten dat zij gedurende de ten laste gelegde periode de kinderen opzettelijk heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefent. In dat verband zijn de navolgende omstandigheden van belang.

De rechtbank Groningen heeft bij beschikking van 24 april 2003 een omgangsregeling vastgesteld op grond waarvan de aangever gerechtigd is de kinderen een weekend per twee weken bij zich te ontvangen, alsmede gedurende de helft van de basisschoolvakanties, waarbij de verdachte en de aangever zijn overeengekomen dat de aangever de kinderen niet zal meenemen naar, of anderszins in contact brengt met, zijn moeder of verdere familieleden van hem met uitzondering van zijn vader (de opa v.z. van de kinderen).

De verdachte heeft, naar zij ook heeft erkend ter terechtzitting in hoger beroep en ter terechtzitting in eerste aanleg, zich op verschillende tijdstippen in de ten laste gelegde periode niet gehouden aan voornoemde omgangsregeling.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 februari 2005 NJ 2005,203 - daarbij voortbouwend op een in 1991 gewezen arrest (NJ 1991,824) - overwogen dat degene die het wettig gezag uitoefent over een minderjarige daarnaast ook het opzicht over die minderjarige kan uitoefenen. Het oordeel van het Hof - in die aan de Hoge Raad voorgelegde zaak - dat de verdachte de minderjarigen aan het bevoegd uitgeoefende opzicht had onttrokken door zich niet aan de omgangsregeling te houden en de kinderen niet op de daarvoor bepaalde dag bij hun moeder terug te brengen, gaf niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad.

In de onderhavige zaak doet zich de spiegelbeeldige situatie voor. Het handelen van de verdachte kenmerkt zich door het gedurende een langere periode niet meewerken aan de effectuering van een, door de rechter vastgestelde, omgangsregeling. De vraag komt op of op die spiegelbeeldige situatie voornoemd arrest zonder meer kan (of: dient te) worden toegepast, nu de Hoge Raad in zijn arrest van 12 mei 2009 LJN BH9032 - voor zover thans van belang - heeft overwogen:

“Nu de uitspraak van de Canadese rechter van 25 februari 2005 inhoudt dat aan de opgeëiste persoon - tijdelijk - het gezag over haar minderjarig kind is toevertrouwd en dat aan de vader een omgangsrecht is toegekend, kan niet worden gezegd dat de opgeëiste persoon het kind heeft onttrokken aan het in artikel 279 Sr bedoelde gezag of opzicht door op of omstreeks 18 maart 2005 - dus vóór de beslissing van de Canadese rechter van 24 maart 2005 (hof: waarin werd beslist dat aan de vader het tijdelijk gezag toekwam) - met het kind Canada te verlaten.”

Daarnaast is van belang hetgeen te lezen valt in de geschiedenis van de totstandkoming van Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding, zoals in werking getreden op 1 maart 2009.

In de Memorie van Toelichting bij wetsontwerp 30145 (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) is onder meer het volgende opgenomen:
(…) 1. Algemeen
Het is voor de ontwikkeling van een kind belangrijk dat het, ook na scheiding van zijn ouders, contact heeft met beide ouders en dat de ouders zich gezamenlijk verantwoordelijk blijven voelen voor zijn verzorging, opvoeding en ontwikkeling.
(…) Het wetsvoorstel wil deze ontwikkeling en versterken en beoogt daarmee de scheidings- en omgangsproblematiek te verminderen.

  3. Verantwoordelijkheid overheid
(...) De Stichting Samenwerkingsverband Familierecht heeft in haar advies aangegeven het wetsvoorstel te steunen maar heeft tevens aangegeven een effectief sanctiebeleid in de voorstellen te missen. Het wetsvoorstel doet inderdaad geen voorstellen om specifieke sancties op te leggen bij het niet nakomen van een zorg- of omgangsregeling. De bevoegdheid om op verzoek sancties op te leggen verandert niet.
 Voor een overzicht van de mogelijkheden verwijs ik naar mijn brief inzake effectuering omgang (Kamerstukken II 2003/04, 29520, nr. 6). Ik ben van mening dat het niet noodzakelijk is om, aanvullend op de huidige mogelijkheden, sanctiemogelijkheden in de wet op te nemen omdat hierdoor de ouders meer mogelijkheden in handen krijgen om hun strijd (over de hoofden van de kinderen) voort te zetten. De voorstellen zoals in het wetsontwerp opgenomen, in het bijzonder het ouderschapsplan, en de initiatieven die zijn genomen op het gebied van de mediation en de jeugdzorg zullen naar verwachting de scheidings- en omgangsproblematiek verminderen. Met deze maatregelen beoogt de overheid zijn verantwoordelijkheid te nemen zoals deze voortvloeit uit de internationale verplichtingen.

In de in de Memorie van Toelichting genoemde brief van 18 juni 2004 is de Minister van Justitie ingegaan op de effectuering van omgang en in het bijzonder op de dwang- en sanctiemogelijkheden. De minister heeft daarbij verwezen naar een eerdere brief van zijn hand van 13 april 2004 , waarin hij zijn voornemens kenbaar heeft gemaakt om de echtscheidingsprocedure te verbeteren. De minister heeft in de brief van 18 juni 2004 (vergaderjaar 2003-2004, Kamerstuk 29520, nr. 6) onder meer het volgende gesteld:

(…) Deze voorstellen die ik heb gedaan, hebben ten doel zoveel mogelijk te voorkomen dat er omgangsconflicten ontstaan. (…) Toch vraagt de problematiek rond omgang ook om een sluitstuk. Als ondanks de maatregelen en de inzet van mediation een kind geen omgang heeft met één van zijn ouders en de rechter de omgang niet heeft ontzegd, zal de omgang geëffectueerd moeten worden. De effectuering van omgang is echter, zoals gezegd, een gecompliceerd vraagstuk. Dit komt omdat omgang in het belang van het kind is, maar de neveneffecten van de effectuering dit niet altijd zijn. Zo heeft het effectueren van de omgangsregeling met behulp van de sterke arm (politie) verstrekkende gevolgen voor een kind. In de discussie over effectuering van omgang dient een balans te worden gevonden tussen enerzijds de noodzaak tot het effectueren van een omgangsregeling en anderzijds het belang van het kind..
(…) In de wet is een aantal civielrechtelijke dwangmiddelen opgenomen. In mijn brief van 4 december 2002 (Kamerstukken II 2002/03, 28600 VI, nr. 105) is een bijlage gevoegd met een overzicht van deze dwangmiddelen. De volgende dwangmiddelen kunnen worden opgelegd door de rechter bij het niet nakomen van een omgangsregeling :1. Dwangsom (…) 2.Lijfsdwang (…)Naast deze dwangmiddelen is het mogelijk om de volgende middelen in te zetten om omgang te effectueren: 1.Opschorting van de betaling van kinderalimentatie (…) 2. Vermindering of ontzegging partneralimentatie (…) 3.Ondertoezichtstelling (…) 4. Wijziging gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag (…) 5.Wijziging eenhoofdig gezag in gezamenlijk gezag (…) 6.. Wijziging verblijfplaats .. van het kind (…)..
(…) In de praktijk blijken deze (dwang)middelen niet afdoende te werken, omdat er gevallen zijn waarin omgang niet tot stand komt, terwijl de omgang door de rechter niet is ontzegd. De vraag is wat de taak van de overheid is om de omgang alsnog te realiseren.
Inzake de effectuering van de omgang heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens een aantal uitspraken gedaan (o.a. Glaser tegen het Verenigd Koninkrijk, 19 september 2000, no. 32346/96, par. 66 en Mark tegen Duitsland, 31 mei 2001, no. 45989/9). In de uitspraken komt naar voren dat de Staat enerzijds verplicht is om maatregelen te treffen teneinde de medewerking aan de omgang tot stand te brengen. Anderzijds kunnen deze maatregelen niet steeds worden afgedwongen, omdat de toepassing van dwang wordt begrensd door de rechten en belangen van betrokkenen, in het bijzonder die van het kind.
(…) In de zaak van Sophia Gudrún Hansen tegen Turkije heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens … Turkije veroordeeld, omdat het Hof van mening is dat Turkije niet alle noodzakelijke stappen heeft genomen om de omgangsregeling tot stand te laten komen.(…)
Deze uitspraak en de discussie in de Tweede Kamer hebben mij aanleiding gegeven nogmaals te bekijken of de overheid aan zijn plicht voldoet om maatregelen te treffen om omgang te realiseren en tevens te beoordelen of er aanvullende maatregelen nodig zijn. (…) Aanvullend op de bestaande mogelijkheden om maatregelen te treffen, ben ik voornemens om in de wet tot uitdrukking te brengen dat er een plicht tot omgang is.
(…) Naar verwachting is het stellen van deze norm ook belangrijk bij de effectuering van omgang.”
In de brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 april 2004 (Vergaderjaar 2003-2004, Kamerstuk 29520, nr.1) heeft de Minister - voor zover hier van belang - geschreven:
“Op 4 december 2002 en 4 juni 2003 heb ik Uw Kamer bericht over deze scheidings- en omgangs-problematiek. (…)
In de brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28600 VI, nr. 105) is, onder het kopje “Strafbaarstelling van het niet nakomen van een omgangsregeling” opgenomen:
“Ten aanzien van de aanbeveling een strafbepaling in de wet op te nemen sluit ik mij aan bij het door mijn voorganger ingenomen standpunt hiervan af te zien, onder meer omdat hiermee een handhavingsverplichting wordt geschapen, die onvoldoende toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het middel van (civielrechtelijke) lijfsdwang (art.585 Rv). We beschikken zoals eerder vermeld al over een uitgebreid scala aan civielrechtelijke dwangmiddelen. Ik wil bovendien benadrukken dat ik het strafrecht beschouw als een ultimum remedium en geen geëigend middel acht om deze problematiek op te lossen”
Voorts staat in de Memorie van Antwoord gericht aan de leden de Eerste Kamer (kamerstuk Eerste Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 301245, C) bij wetsontwerp 30145 (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) nog het navolgende:
(…) De aan het woord zijnde leden… vroegen welke instrumenten kunnen worden gehanteerd om de verdeling van zorg- en opvoedingstaken daadwerkelijk af te dwingen als de andere ouder daaraan niet of niet voldoende meewerkt.
De volgende civielrechtelijke dwangmiddelen kunnen worden opgelegd:
1. Dwangsom (....), 2. Lijfsdwang.
(…) Daarnaast kan de rechter op verzoek van een der partijen in de beschikking een afgiftebevel eventueel met behulp van de sterke arm opnemen. Een effectief middel om de zorg- en omgangsregeling af te dwingen lijkt het (voorlopige) toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.
(…) Ook bestaat de mogelijkheid om een kind onder toezicht te laten stellen.
(...) Voorts kan worden gewezen op de mogelijkheid een bijzondere curator( ...) te benoemen die het kind in en buiten rechte vertegenwoordigt.”
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat het naleven van een omgangsregeling naar de kennelijke bedoeling van de wetgever in beginsel dient te worden gehandhaafd door middel van de genoemde maatregelen van civielrechtelijke aard. Maatregelen van strafrechtelijke aard zijn daarbij immers niet voorgesteld. Ook een aparte strafbaarstelling - naast de civielrechtelijke dwangmaatregelen - van een ouder die de medewerking aan een omgangsregeling weigert - is door de wetgever vooralsnog niet overwogen. Het Wetboek van Strafrecht kent daartoe immers geen specifieke strafbepaling.

Op grond van het vorenstaande is, hoewel de verdachte - zoals hiervoor is vastgesteld - zich op verschillende tijdstippen in de ten laste gelegde periode niet heeft gehouden aan de door de rechter opgelegde omgangsregeling,naar het oordeel van het hof geen sprake van opzettelijke onttrekking aan het wettelijk gezag of toezicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. S. Clement en mr. E.J. van Keken, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2012.

Mr. Van Keken is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

_____
Mw. mr. S. Clement is senior raadsheer aan het Gerechtshof Amsterdam sinds 01-07-2010
Mw. mr. E.J. van Keken is Raadsheer-plaatsvervanger aan het Gerechtshof Amsterdam sinds 16-09-2009 en senior rechter aan de Rechtbank Haarlem sinds 01-01-2011 (met als nevenbetrekking Annotator bij JVGGZ - Jurisprudentie Verplichte geestelijke gezondheidszorg, SDU Uitgevers Den Haag sinds 01-06-2010)
Dhr. mr. P.A.M. Hoek is Raadsheer aan de Gerechtshof Amsterdam sinds 01-02-2009

_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

Hoge Raad:

woensdag, april 27, 2011

110427. Oproep gesloten - Dringende oproep tot deelname aan enquete over uw ervaringen met het doen van aangifte van onttrekking (WvS, Art. 279) bij de politie

Oproep gesloten

DRINGENDE OPROEP!!


Geachte lezer,

Er zijn veel klachten over de politie omdat ze vaak niet bereid zijn om een aangifte op te nemen. Dit ondanks het niet naleven van de omgangsregeling tussen uitwonende ouder en kind. Als het lukt om de aangifte wel op te laten nemen wordt het vervolgens geseponeerd

Zelf studeer ik aan de politie academie en ben een onderzoek gestart naar deze problematiek. Om meer inzicht te krijgen in deze problemen zoek ik ouders die deze problemen hebben ervaren of nog steeds ervaren.

Bent u van mening dat U aangifte bij de politie over het niet nakomen van een omgangsregeling onterecht niet wordt opgenomen. Bent u van mening dat als de aangifte wel is opgenomen hij vervolgens wordt afgewezen (geseponeerd) door politie of justitie waardoor de zaak nooit voor de rechter komt. Dan wil ik U vragen aan mijn onderzoek mee te werken.

Als U bereid bent om U ervaringen met mij te delen, kan ik aan de hand van de verkregen feiten binnen de politie organisatie en het Openbaar Ministerie onderzoeken waarom dit in het algemeen gebeurd. Zonder u medewerking is dit erg moeilijk.

Door hier aan mee te werken help u mee om inzicht te krijgen in de problematiek die er mogelijk zijn bij de vervolging van het niet uitvoeren van een omgangsregeling.

Na medewerking zal ik u informeren over de resultaten van mijn onderzoek.

Door op ENTER of de knop te klikken kunt u na beantwoorden naar de volgende vraag.

Door op de onderstaande link te dubbel klikken wordt de vragenlijst gestart.



Met vriendelijke groet,

B. Wondergem

www.thesistools.com/web/?id=193019

dinsdag, november 16, 2010

360. Gerechtshof Leeuwarden acht misdrijf van onttrekking van zoon aan vader door moeder bewezen, maar durft geen straf op te leggen aan moeder

Het Gerechtshof Leeuwarden acht bij haar oordeel vandaag over een Franeker moeder het misdrijf van onttrekking van haar zoon aan zijn vader door de moeder bewezen, maar durft moeders niet te bestraffen en laat vader en zoon na 9 jaar slachtofferschap in de kou staan door een non-straf op te leggen die in de praktijk neerkomt op vrijspraak.

De ontbrekende strafoplegging is temeer teleurstellend omdat de onttrekkende moeder tot en met de dag van de zitting van het gerechtshof (2 november 2010) zelf, en zelfs tot op heden, in haar misdrijf van onttrekking blijft volharden en mag volharden zonder dat daarbij ingegrepen wordt. Het Gerechtshof Leeuwarden meet daarmee bij haar 'recht spreken' over moeders met twee maten en had een vader voor hetzelfde misdrijf met jarenlange gevangenisstraf bestraft.

Waar het Vaderkenniscentrum.nl naast boven gemaakte kanttekeningen desondanks waardering voor uitspreekt is het principegehalte van de uitspraak van de rechters van het Gerechtshof Leeuwarden.

Vaderkenniscentrum.nl
Peter Tromp


Uitspraken:
  • Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep, 16-11-2010, LJN: BO4081
  • Uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden in eerste aanleg, 05-02-2009, LJN: BH2027

Leeuwarder Courant: Lagere straf voor Franeker moeder

Bron: Leeuwarder Courant - Gepubliceerd op 17 november 2010, 08:47

LEEUWARDEN - De Franeker Marina Norbruis die als eerste moeder in Nederland veroordeeld is omdat ze zich niet hield aan de omgangsregeling voor haar zoon, krijgt in hoger beroep een lagere straf.

Het Leeuwarder hof legde haar dinsdag zestig uur voorwaardelijke werkstraf op. De rechtbank veroordeelde haar vorig jaar tot honderd uur werkstraf waarvan veertig uur voorwaardelijk. Het hof houdt met de lagere straf rekening met de omgangsmoeilijkheden tussen de vader en zoon.

------------------

Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden, 16-11-2010, LJN: BO4081


De uitspraak zelf van het Gerechtshof Leeuwarden met parketnummer 24-000413-09 in het Hoger Beroep van de voor onttrekking van haar kind aan de vader (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) vervolgde moeder uit Franeker
Datum uitspraak: 16-11-2010
Datum publicatie: 16-11-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie:
De verdachte wordt ter zake van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf. m.b.t. de verweren: 1. het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is; 2. het hof verwerpt het bewijsverweer; 3. het hof verwerpt het beroep op overmacht en noodweer(exces).

Uitspraak Parketnummer: 24-000413-09
Parketnummer eerste aanleg: 17-754502-08

Arrest van 16 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 5 februari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],
geboren op [1971] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. M.M.E. Rietjens, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen.

De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte - zakelijk weergegeven - niet wederrechtelijk heeft gehandeld zodat het Openbaar Ministerie haar nimmer had mogen vervolgen voor het onttrekken aan het ouderlijk gezag. Artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht mag slechts in zeer bijzondere gevallen zoals kinderontvoering toegepast worden. In deze zaak betreft het enkel een dispuut over de manier waarop de omgangregeling tussen ouder en kind vorm dient te krijgen, hetgeen niet beoogd is door de wetgever. Het vorenstaande dient tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie te leiden.

Het hof overweegt dat het verweer van de raadsvrouw betrekking heeft op rechtsvragen die in het kader van de bespreking van de tenlastelegging en strafbaarheid van verdachte beantwoording behoeven. Dat de verdediging een andere uitleg van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht voorstaat omtrent de toepassingsmogelijkheden van het artikel staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ook overigens is het hof niet gebleken van omstandigheden die tot een dergelijk oordeel aanleiding geven

Het hof verwerpt het verweer.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
zij in of omstreeks de periode van 6 mei 2007 tot en met 14 november 2007, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland (meermalen) (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [kind], geboren op [1997], (telkens) heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag (te weten het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd [vader], door (telkens) (op de data en/of tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van het Gerechtshof d.d. 27 maart 2007) betrekking hebbende op de minderjarige met de gezaghebbende ouder [vader]), de minderjarige niet af te geven aan die [vader] en/of die [vader] niet in staat te stellen de minderjarige bij zich te ontvangen en/of te bezoeken, en/of (aldus)de minderjarige (telkens) buiten bereik van die [vader] en/of bij die [vader] weg te houden, zulks terwijl de minderjarige (telkens) beneden de twaalf jaren oud was.
Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte haar zoon [kind] nimmer in de ten laste gelegde periode doelbewust op de door het gerechtshof vastgestelde tijden bij zich heeft gehouden. Verdachte heeft geen beslissende invloed gehad op de scheiding tussen [kind] en zijn vader, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [kind] zou hebben onttrokken aan het wettig gezag. Derhalve dient zij vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde feit.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat verdachte niet opzettelijk de minderjarige [kind] heeft onttrokken aan het wettig over hem gestelde gezag. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de inhoudelijke toelichting van de raadsvrouw op dit verweer slechts uitdrukkelijk is gevoerd voor zover die ziet op de omgangsmomenten op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007, maar dat de conclusie van de raadsvrouw ziet op alle bij rechterlijke beslissing bepaalde omgangsmomenten in de tenlastegelegde periode.

Het hof stelt voorop dat blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN AR8250) ook degene die (mede) het gezag over het minderjarig kind uitoefent, dit kind kan onttrekken aan het wettelijk over hem/haar gestelde gezag door zich niet te houden aan de bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling

Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 27 maart 2007 heeft het hof voor [vader] een omgangsregeling met [kind] vastgesteld, ingaande 6 mei 2007. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding van 4 mei 2007 verdachte veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling onder verbeurte van een dwangsom en [vader] gemachtigd dit vonnis zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter heeft hierbij overwogen dat verdachte ter terechtzitting in kort geding desgevraagd heeft verklaard niet vrijwillig bereid te zijn de door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling na te komen.

Vaststaat dat in de periode van de tenlastelegging op geen enkele van de 14 door het hof vastgestelde omgangsmomenten omgang tussen [kind] en zijn vader heeft plaatsgevonden.

Aangever [vader] heeft op 7 juni 2007 tegenover de politie verklaard dat hij zich op 6 mei 2007 bij de woning zijn ex-vrouw had gemeld, maar dat zij hun zoon niet aan hem wilde meegeven. Hij had het twee keer gevraagd, maar zij reageerde beide keren negatief. Op 20 mei 2007 en 3 juni 2007 heeft dit zich herhaald. In zijn aanvullende aangifte van 24 januari 2008 heeft [vader] verklaard dat al de keren dat hij langs is geweest om zijn zoon op te halen verdachte de zoon niet mee wilde geven of dat zij zelfs in het geheel niet thuis was.

Verdachte heeft verklaard dat [vader] op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007 kwam om [kind] op te halen en dat [kind] niet is meegegaan. [kind] was overstuur en wilde absoluut niet mee. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij [kind] niet (fysiek) wilde dwingen mee te gaan. Dit was voor haar een moeilijke, maar bewuste keuze. Bij de politie heeft verdachte ook verklaard dat zij op een aantal omgangsmomenten bewust niet thuis is gebleven met [kind]. Eerst op 15 november 2007 is er (begeleide) omgang geweest tussen [vader] en [kind].

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte de beslissende invloed had op de scheiding tussen [kind] en [vader] in de periode genoemd in de tenlastelegging.

Gelet op de mutatie van de politie (pagina 70 van het proces-verbaal) is het hof van oordeel dat verdachte met betrekking tot de omgang op 9 september 2007 niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij de omgangsregeling niet is nagekomen. Gelet op de toezegging van de officier van justitie - wat daar ook van zij - en de mededelingen daaromtrent aan de verdediging is het hof van oordeel dat weliswaar de omgangsregeling niet is nageleefd, maar dat niet kan worden bewezen dat verdachte [kind] opzettelijk heeft ontrokken aan het wettig over hem gestelde gezag.

Met betrekking tot de omgangsmomenten op 29 juli, 12 augustus en 26 augustus 2007 dient eveneens te gelden dat verdachte geen verwijt treft omdat [vader] zich in deze (vakantie) periode niet bij verdachte heeft gemeld voor omgang.

Voor het overige heeft verdachte de omgangsregeling willens en wetens niet nageleefd door [kind] op de vastgestelde data niet af te geven aan [vader]. Verdachte heeft [kind] om haar moverende redenen bewust niet afgegeven en aldus is er sprake van opzet. Het hof acht het ten laste gelegde voor het overige wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 
zij in de periode van 6 mei 2007 tot en met 14 november 2007, te [plaats], meermalen telkens opzettelijk een minderjarige, te weten [kind], geboren op [1997], telkens heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag (te weten het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd [vader], door telkens op meerdere data en tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van het Gerechtshof d.d. 27 maart 2007) betrekking hebbende op de minderjarige met de gezaghebbende ouder [vader], de minderjarige niet af te geven aan die [vader], zulks terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in psychische overmacht heeft gehandeld en heeft daartoe het volgende gesteld.

Verdachte heeft blootgestaan aan een dusdanige psychische druk dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Voorts zag verdachte zich voor een duivels dilemma gesteld. Zij moest kiezen tussen een rechterlijke beslissing en het belang van haar kind. Dat belang zou in haar ogen namelijk worden geschaad als zij [kind] tegen zijn wil aan [vader] zou meegeven. Verdachte zou in dat conflict de juiste keuze hebben gemaakt. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces, omdat zij meende haar zoon te moeten beschermen.

Dit zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

1. Verdachte is met [vader] gehuwd geweest. Uit het huwelijk is op 6 november 1997 [kind] geboren. In 1999 zijn verdachte en [vader] uit elkaar gegaan. [kind] was toen twee jaar oud. Bij beschikking van de rechtbank Zwolle van 11 april 2001 is de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is ontbonden op 10 mei 2001. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over [kind].

Na de scheiding is [kind] bij zijn moeder blijven wonen. Na enige tijd was er vanwege echtscheidingsproblemen geen contact meer tussen [kind] en [vader]. [vader] heeft vervolgens, na reeds jaren geen contact te hebben gehad met zijn zoon, de rechtbank op 15 juni 2004 verzocht een omgangsregeling vast te stellen. De moeder heeft een verweerschrift van 8 september 2004, tevens zelfstandig verzoek (tot gezagswijziging) ingediend. De Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) heeft naar aanleiding van deze verzoeken een rapport opgemaakt d.d. 14 juni 2005. In dit rapport concludeert de Raad dat een omgangsregeling voor [kind] te veel risico's voor zijn emotionele ontwikkeling met zich meebrengt. De ouders roepen dusdanig veel spanning bij elkaar op dat de situatie voor [kind] onbeheersbaar wordt. Vervolgens is bij beschikking van 12 oktober 2005 het verzoek van de moeder afgewezen en zijn er proefcontacten, onder begeleiding van de Raad, vastgesteld. Deze contacten bleken niet realiseerbaar omdat moeder alleen wilde instemmen als zij daarbij achter het oneway-screen aanwezig kon zijn, terwijl vader dat niet wilde. Bij beschikking van 8 februari 2006 is partijen opgedragen mee te werken aan bemiddeling door een mediator, maar dit heeft niet tot resultaat geleid. Bij eindbeschikking van 21 juni 2006 heeft de rechtbank het verzoek van [vader] tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. [vader] is tegen deze beschikking in beroep gegaan.

2. Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 27 maart 2007 heeft het hof voor [vader] een omgangsregeling met [kind] vastgesteld, beginnend met twee uur per twee weken geleidelijk oplopend tot eenmaal in de twee weken een geheel weekend en de helft van de schoolvakanties. Bij de beoordeling van dit verzoek heeft het hof het belang van het kind als uitgangspunt genomen. Met betrekking tot de vraag of het hebben van omgang met zijn vader voor [kind] meer nadelige gevolgen heeft dan het niet hebben van omgang heeft het hof (onder meer) overwogen:
"dat de moeder geen relevante gronden heeft aangevoerd, laat staan gesubstantieerd, die de conclusie rechtvaardigen dat de vader omgang met zijn zoon moet worden ontzegd. Niet is gebleken dat contact tussen de vader en [kind], ten gevolge van gedragingen van de vader, nadelig zou zijn voor [kind]; de omgang stuit uitsluitend af op het feit dat de ouders niet met elkaar overweg kunnen en, met name, de halsstarrige, weigerachtige houding van de moeder. (...) De moeder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er niets is dat de vader aan zijn gedrag kan wijzigen om haar, de moeder, positief tegenover contact tussen vader en [kind] te laten staan. Het aanbod van de raad ter zitting om alsnog proefcontacten ten kantore van de raad te laten plaatsvinden, waarna de raad nog nader kan rapporteren en adviseren, passeert het hof, mede gelet op de uitlatingen en de toevoeging dat zij zich "never nooit" voor dit doel naar de raad zal begeven. Gelet op het uitsluitend door de moeder gefrustreerde verloop van het door de rechtbank vastgestelde proefcontact is er geen reden om aan te nemen dat de moeder tot andere gedachten kan worden gebracht. Bovendien is het hof van oordeel dat een dergelijk onderzoek [kind] door de te verwachten tegenwerking van de moeder te veel zou belasten. Het hof zal de navolgende omgangsregeling vaststellen, nu het hof dit het meest in het belang van [kind] acht. Het hof zal in de regeling een opbouw opnemen, nu [kind] en zijn vader elkaar lange tijd niet hebben gezien."
Het hof besliste dat [vader] gerechtigd was [kind] bij zich te ontvangen
  • met ingang van zondag 6 mei 2007 voor de duur van twee maanden: eenmaal per twee weken op zondag van 14.00 uur tot 16.00 uur en wel zondag 6 mei 2007, zondag 20 mei 2007, zondag 3 juni 2007 en zondag 17 juni 2007;
  • met ingang van zondag 1 juli 2007 voor de duur van één maand: eenmaal per twee weken op zondag van 14.00 uur tot 18.00 uur en wel op zondag 1 juli 2007, zondag 15 juli 2007 en zondag 29 juli 2007;
  • met ingang van zondag 12 augustus 2007 voor de duur van twee maanden: eenmaal per twee weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur en wel op zondag 12 augustus 2007, zondag 26 augustus 2007, zondag 9 september 2007 en zondag 23 september 2007;
  • en vervolgens met ingang van zondag 7 oktober 2007: een weekend per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;
  • alsmede de helft van de schoolvakanties, zulks voor het eerst met ingang van de kerstvakantie 2007.
3. Vervolgens heeft [vader] in kort geding op 3 mei 2007 gevorderd dat de voorzieningenrechter moeder zal veroordelen haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling zoals beschreven in de beschikking van 27 maart 2007 onder verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft (onder meer) overwogen:
"De vrouw weigert thans uitvoering te geven aan die door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling. Zij stelt zich op het standpunt dat de school van de minderjarige zorgen heeft geuit en dat zij [kind] daarom bij de GGZ Jeugd heeft aangemeld. In haar visie kan zij in redelijkheid besluiten niet mee te werken aan de uitvoering van de omgangsregeling. (...) De voorzieningenrechter deelt het standpunt van de vrouw niet. Voorop staat dat het gerechtshof een weloverwogen beslissing heeft gegeven over de omgangsregeling en deze gefaseerd heeft opgebouwd, rekening houdend met alle belangen. Rechterlijke beslissingen dienen nu eenmaal gerespecteerd te worden.

De leerkracht van de school van [kind] heeft op 14 november 2006 al haar zorgen over [kind] geuit en heeft in het formulier 'oudergesprekken' aangegeven dat het conflict tussen de ouders oorzaak kan zijn van de vermoeidheid en concentratieproblemen van het kind. Ook andere factoren zouden naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter een rol in deze vermoeidheid en het bedplassen kunnen spelen, zoals de wens van [kind] om beroemd te worden. Voorshands kan daaruit echter niet geconcludeerd worden dat [kind] nog steeds geen enkele omgang met zijn vader zou moeten hebben. Een medische contra-indicatie voor omgang is door de vrouw niet aannemelijk gemaakt en daarvan is ook anderszins niet, althans onvoldoende gebleken."
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 mei 2007 verdachte veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling onder verbeurte van een dwangsom en [vader] gemachtigd dit vonnis zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter heeft hierbij overwogen dat de vrouw ter terechtzitting in kort geding desgevraagd heeft verklaard niet bereid te zijn de door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling vrijwillig na te komen en desnoods bereid te zijn het maximum van de gevorderde dwangsom te betalen.

4. Vaststaat - zoals reeds eerder overwogen - dat in de ten laste gelegde periode geen enkel omgangscontact heeft plaatsgevonden. Door [vader] is op de vastgestelde dagen en tijden getracht afgifte van [kind] te bewerkstelligen, maar verdachte heeft [kind] niet afgegeven. Bovendien waren verdachte en [kind] op een aantal data niet thuis. Verdachte heeft ervoor gekozen haar zoon niet (fysiek) te dwingen om mee te gaan met vader. Vader is steeds zonder [kind] vertrokken.

Overmacht
Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte heeft gehandeld in psychische overmacht. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Noch op grond van hetgeen naar voren is gebracht ter terechtzitting noch uit overige feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat verdachte op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007 en ook overigens in de tenlastegelegde periode heeft gehandeld onder invloed van een zodanige psychische dwang, dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Verdachte heeft ervoor gekozen [kind] niet mee te geven aan zijn vader, terwijl zij hiertoe op grond van de rechterlijke beslissingen verplicht was. Aldus had verdachte anders moeten en kunnen handelen dan zij heeft gedaan. Er is niet gebleken van een zodanige psychische toestand bij verdachte dat zij niet anders kon of behoorde te handelen dan zij heeft gedaan, nu zij blijkens voorstaande opsomming een bewuste keuze heeft gemaakt naar aanleiding van haar eigen observaties en interpretaties van het gedrag van haar kind.

Alhoewel de raadsvrouw voornoemd verweer juridisch heeft geëtiketteerd als psychische overmacht geeft het verweer het hof aanleiding het zodanig te begrijpen dat het ook moet worden verstaan als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte aangegeven dat zij zich zag gesteld voor een duivels dilemma. Enerzijds was er de plicht om mee te werken aan de rechterlijke uitspraak en anderzijds de plicht om als verzorgende moeder haar minderjarige kind te beschermen. Verdachte heeft gekozen voor haar kind. In haar beleving zou het dwingen van [kind] om mee te werken aan de omgangsregeling beschadigend zijn voor haar zoon.

Het hof stelt voorop dat de ouders niet in staat zijn gebleken zelf overeenstemming te bereiken over een omgangsregeling, zodat de beslissing daaromtrent in handen is gelegd van de rechter.

Het gerechtshof heeft uiteindelijk beslist dat omgang dient plaats te vinden en in het verlengde hiervan heeft de voorzieningenrechter beslist dat verdachte hieraan moest meewerken. Gelet op de aard van omgangzaken heeft bij de totstandkoming van de omgangsregeling het belang van het kind vooropgestaan. Dit blijkt ook expliciet uit die rechterlijke beslissingen. De rechters achtten de omgang met zijn vader in het belang van [kind].

Het niet nakomen van een rechterlijke uitspraak kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd worden. Op partijen rust de plicht ook een tegen de wil van één der partijen doch in het belang van het kind vastgestelde omgangsregeling loyaal uit te voeren en daartoe de nodige voorbereidingen te treffen.

Ter terechtzitting van het hof heeft de getuige-deskundige drs. A. de Jong (GZ-psycholoog) verklaard dat de toepassing van dwang schadelijk zou zijn geweest voor [kind]. In de gegeven situatie en op die momenten, met name de eerste drie ontmoetingen, kon van verdachte niet gevergd worden dat zij haar kind zou meegeven aan vader. Verdachte heeft vanuit gedragsdeskundig opzicht terecht gekozen voor haar kind, aldus De Jong.

Het hof is van oordeel dat aan het puur op gedragskundige overwegingen berustende oordeel van deze getuige-deskundige geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht en dat meer gewicht moet worden toegekend aan het gegeven rechtsoordeel, temeer omdat daarbij - zoals aangegeven - ook het belang van het kind als uitgangspunt is genomen.

Dat de verklaring van verdachte steun vindt in de verklaring van de getuige-deskundige leidt niet tot de conclusie dat verdachte ook een gerechtvaardigd beroep kan doen op overmacht in de vorm van noodtoestand. De wil van een kind is niet bepalend voor het uitvoeren van een omgangsregeling. Het hof is van oordeel dat verdachte haar kind op de omgangsmomenten had moeten afgeven aan vader, desnoods tegen de wil van het kind. Bij het afwegen van bovengenoemde belangen heeft verdachte niet de juiste keuze gemaakt. Verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een zodanig conflict van plichten dat zij niet aan de rechterlijke uitspraak kon voldoen

Het beroep op overmacht wordt derhalve op beide onderdelen verworpen.

Noodweer(exces)
De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof subsidiair aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu zij heeft gehandeld uit noodweer(exces). Dit verweer wordt verworpen, omdat het hof uitgaat van de gang van zaken zoals hiervoor geschetst en er derhalve geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van in dit geval een anders lijf, te weten dat van [kind]. [vader] kwam in het kader van de omgangsregeling met recht en reden - en derhalve niet wederrechtelijk - zijn kind ophalen en ook is niet gebleken van enig fysiek ingrijpen van [vader] in de richting van [kind]. Om die reden mist het verweer feitelijke grondslag.

Het hof acht verdachte strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van haar destijds 9-jarige zoon [kind] aan het wettig gezag. Door de rechtens vastgestelde omgangsregeling niet na te leven heeft zij de vader het recht ontnomen om in een belangrijke levensfase van het kind een rol te spelen en een band met het kind op te bouwen.

Het hof heeft begrip voor het feit dat verdachte meende te handelen in het belang van haar kind, maar ze heeft daarbij een rechterlijke uitspraak welbewust genegeerd.

Voorts heeft het hof er rekening mee gehouden dat de omgangsproblemen een onderdeel zijn van een slepende echtscheidingsproblematiek, waarvoor beide ouders verantwoordelijkheid dragen.

Verder heeft het hof gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 14 september 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf van 60 uren passend en geboden is. In deze straf komt enerzijds het strafwaardige gedrag tot uitdrukking, maar anderzijds ook de bijzondere omstandigheden waarmee het hof rekening houdt. De voorwaardelijke straf dient ook als waarschuwing en als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: 
  • vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
  • verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
  • verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
  • veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;
  • beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier.

==================================

Overzicht van samenhangende artikelen bij Vaderkenniscentrum.nl:

Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep op 16 november 2010:
---------------------------------
Uitspraak Rechtbank Leeuwarden in eerste aanleg op 5 februari 2009:
---------------------------------
Vader Peter Brons wint Vaderdagtrofee m/v 2009 voor doorzettingsvermogen:
---------------------------------
Handreiking Vaderkenniscentrum voor de aangifte van onttrekking (Art. 279):
------------------------------------
Samenhangende berichten:
----------------------------------------
Mediaberichtgeving over civiele gijzeling in het familierecht: