Posts tonen met het label Wetboek van Strafrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wetboek van Strafrecht. Alle posts tonen

dinsdag, maart 26, 2013

568. Niet-nakomen 'omgang': Ervaringsverslag aangifte onttrekking (Art. 279 Sr)

-------------------------------------------
  • Betreft uitspraak LJN: BZ0555, Rechtbank Amsterdam, d.d. 24-12-2012 (Inhoud: Vrouw veroordeeld op grond van Art. 279 Sr vanwege het onttrekken aan het wettig gezag van het minderjarige kind aan de vader bij het niet-nakomen van de door de rechter beschikte omgangsregeling bij een situatie van gezamenlijk gezag over het kind.)
  • Zie hier voor een 'Stappenplan of handleiding voor het doen van aangifte van onttrekking (Art. 279 Sr) voor gezagsouders met een door de rechter beschikte omgangsregeling die niet nagekomen wordt'
-------------------------------------------
 
Ervaringen van een vader
De laatste tijd valt het op dat het Openbaar Ministerie (OM) in het geval van aangiftes van omgangsonttrekking op grond van Art. 279 Sr weer vaker niet ontvankelijk verklaard wordt.
Dit is een direct gevolg van een brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie die is geschreven in het kader van de totstandkoming van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding.

In uitspraak LJN: BZ0555 d.d. 24-12-2012 van de Rechtbank Amsterdam staat deze brief daarbij als volgt samengevat:
“Het naleven van een omgangsregeling dient volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever te worden gehandhaafd door middel van maatregelen van civielrechtelijke aard, zoals de dwangsom, lijfsdwang, afgiftebevel of het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft of de ondertoezichtstelling of aanwijzing van een bijzonder curator.”
Met andere woorden indien de ouder die aangifte wegens onttrekking aan het ouderlijk gezag, Art 279 Sr, doet, geen voorafgaande civiele procedure(s) heeft gevoerd om dwangmaatregelen te eisen, wordt het O.M. niet ontvankelijk verklaard.

Je heb je woede om de onrechtvaardigheid dat je je kind van je ex niet mee krijgt, terwijl de uitspraken van de rechtbank er duidelijk in zijn, kunnen kanaliseren.
Je gaat met de beschikkingen in de hand naar het politiebureau, waar je vaak in eerste instantie al te horen krijgt: “dit is een civiele zaak”.
Je kunt de politie, omdat je op deze mededeling voorbereid bent, ervan overtuigen dat het wel degelijk toch een strafzaak is en dat je aangifte wilt doen.
Je krijgt uiteindelijk een aangifte op papier.

Als een Officier van Justitie dan besluit om te vervolgen loop je echter de grote kans dat deze Officier niet ontvankelijk wordt verklaart omdat je geen voorafgaande civiele procedure gericht op handhaving van de omgangsregeling hebt gevoerd.

Je lange frustrerende weg om een aangifte op papier te krijgen is dan voor niks geweest.
Je ex komt met onttrekking aan het ouderlijk gezag (Art. 279 Sr) weg en de rechten van je kind op zorg van en omgang met de andere ouder (degene die de omgangsregeling heeft) leggen blijkbaar geen gewicht in de schaal. Je kind ziet jou niet en jij ziet je kind niet.

Terwijl het nota bene zwart op wit in de beschikking van de rechtbank staat.
Een verschrikkelijk onrechtvaardige situatie voor het kind en de ouder die elkaar toch al slechts op de weinige dagen van de beschikte omgangsregeling zien.

Voer eerst een civiele procedure tot handhaving van de omgang
De kans dat een Officier van Justitie besluit om niet te vervolgen wordt dus groter als er geen civiel rechtelijke procedure gevoerd is.
Hierdoor wordt je bijna verplicht, als je wilt dat het daadwerkelijk tot gerechtigheid komt, om een voorafgaande civielrechtelijke procedure, waarin je dwangmaatregelen eist, gevoerd te hebben voordat je aangifte doet/ kan doen van onttrekking aan het ouderlijk gezag.

Te gek voor woorden!
Waarbij je nog moet bedenken dat de ouder die afhankelijk is van de omgangsregeling, en waar het kind niet zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft, een ouder is die over het algemeen werkt en als zodanig vaak niet in aanmerking komt om civielrechtelijk te kunnen procederen op basis van een toevoeging. Dit brengt hoge en onnodige kosten voor de ‘omgangsouder’ met zich mee.

In deze zaak had ik als de vader al twee keer een “verzamelaangifte“ gedaan.
Een aangifte waarin in een keer meerdere overtredingen waren opgenomen. Ik had als vader een journaal aangelegd met alle communicatie en pogingen tot communicatie; sms-berichten, emails, (aangetekende) brieven en ontvangstbewijzen van aangetekende brieven (dit laatste via internet). Kortom alles gearchiveerd en gedocumenteerd.

Met behulp hiervan kon ik aannemelijk maken dat moeder willens en wetens de omgangsregeling frustreerde.

Omdat er in deze zaak al een civiele procedure, een kort geding, had plaatsgevonden voorafgaand aan het doen van de aangiftes merkte de rechtbank op;
"dat in dit geval niet kan worden geoordeeld dat er zodanig weinig civielrechtelijke pogingen zijn ondernomen dat dit aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging in de weg zou moeten staan".
Het verweer van de advocaat om het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren werd verworpen.

Aangifte doen bij de Jeugd- en zedenpolitie
Ik merkte bij de aangifte dat er bij de reguliere politie te weinig kennis is over het feit dat onttrekking aan de ouderlijke macht een strafbaar feit/strafzaak is. Uiteindelijk belandde ik bij de Jeugd- en Zedenpolitie waar een wereld voor mij open ging en waar wel iemand met kennis van zaken de “verzamelaangiftes” gedocumenteerd opnam.
Goede voorbereiding van de aangiften in de vorm van een verhaal met het refereren naar de beschikkingen en het bijvoegen van, indien mogelijk, uitgeprint bewijsmateriaal, is een pre.
En laat vooral de relevante sms-berichten als bewijs in je telefoon staan.

Voor de overtreding in de laatste “verzamelaangifte” is moeder uiteindelijk vervolgd. Een lange weg.

Meldt je bij aangifte ook aan bij Slachtofferhulp en 'voeg' je in de strafzaak
Vergeet daarbij ook niet om je bij de aangifte zelf al meteen via de politie als slachtoffer van een strafbaar feit bij Slachtofferhulp aan te melden. Je bent nl. technisch gezien in de strafzaak benadeelde of slachtoffer. Het echte slachtoffer is natuurlijk het kind dat altijd kind van de rekening is.
Via slachtofferhulp kun je informatie opvragen, zoals de datum van de behandeling van de strafzaak. De strafzitting is in principe openbaar.

Het verdient verder aanbeveling om je in overleg met Slachtofferhulp ook 'te voegen' in de strafzaak met een civiele schadevordering. Daaraan zijn geen verdere kosten verbonden en door je te voegen kun je als benadeelde of slachtoffer civiel de geleden schade terugvorderen , b.v. vergoeding van een gemiste vakantievlucht vanwege het niet op tijd overdragen van je kind. Ook in gevallen waarin de geleden schade beperkt is of vooral emotioneel, verdient het toch aanbeveling om je 'te voegen' aangezien je dan de stukken van de rechtzaak kunt opvragen.
Altijd goed om die achteraf rustig in te kunnen zien en indien de tegenpartij op basis van toevoeging procedeert zal er ongetwijfeld een hoger beroep komen.

Voorwaarden voor voeging in het strafproces

  • U heeft schade geleden door een strafbaar feit;
  • De verdachte is opgespoord;
  • U heeft uw schade of een deel daarvan niet op een andere manier vergoed gekregen;
  • De verdachte moet voorkomen, er vindt dus een strafzitting voor de rechter plaats;
  • De verdachte moet voorkomen voor het feit waarvan u slachtoffer bent geworden.
In mijn geval bleek dat er eerst een regiezitting was gepland waar de zaak niet inhoudelijk werd besproken.
De strafzaak werd door de meervoudige kamer behandeld. Misschien een teken dat de zaak serieus genomen werd?
Na herhaaldelijk weer bij Slachtofferhulp te hebben geïnformeerd, bleek dat er opnieuw een regiezitting gepland was.
Als vader heb ik toen met hulp van slachtofferhulp een brief naar de rechtbank/Officier van Justitie gestuurd met daarin de laatste gang van zaken - mijn ex bleef gewoon door gaan met het frustreren van de omgangsregeling - en het verzoek de regiezitting te mogen bijwonen, hetgeen werd toegestaan.
Op de regiezitting zelf werd mij eerst te verstaan gegeven dat ik niks kon zeggen maar gedurende de behandeling heb ik toch het een en ander kunnen zeggen.

Maak op de strafzitting gebruik van je spreekrecht als slachtoffer
Op de uiteindelijke strafbehandeling van de zaak heb ik gebruik gemaakt van mijn spreekrecht als slachtoffer en de rechtbank gevraagd om een duidelijk signaal af te geven;
“tot hier en niet verder. Als er geen sanctie staat op het niet naleven van de beschikking betekent dit een vrijbrief. Mevrouw, gaat u uw gang maar, u wordt toch niet bestraft.”

De boodschap hier is; je kunt heel veel zelf doen. Doe dat ook. Wees actief om voor de rechten van je kind(eren) op te komen en breng het op om er emotioneel en geestelijk ook toe in staat te zijn, hoe frustrerend, deprimerend en moeizaam dat ook allemaal vaak is. Zoek informatie, geef je mening in een brief aan de rechtbank en maak gebruik van je spreekrecht als slachtoffer op de strafzitting.

Al met al een lange weg waarin je als ouder met een omgangsregeling, waarvoor je hoogst waarschijnlijk in eerdere procedures al zoveel moeite hebt moeten doen, de instanties moet overtuigen dat je kind recht heeft om bij je te zijn, je als ouder te mogen kennen en liefde en zorg van je te mogen ontvangen.

Het knelpunt bij de vervolging van onttrekking volgens Art. 279 Sr bij het niet-nakomen van de beschikte omgang door de ‘verblijfsouder’ is nu het niet ontvankelijk verklaren van het O.M. door de strafrechter vanwege het ontbreken van voorafgaande civiele procedures door de ‘omgangsouder’.
Wil je de lange weg naar gerechtigheid ingaan, overweeg dan eerst een civiel rechtelijke procedure. Dit kan een kort geding zijn maar dan moet er wel een spoedeisend belang zijn.
Het voordeel van een strafzaak is/was dat je geen advocaat hoeft te betalen. Je kunt/kon, theoretisch, de handhaving van de omgangsregeling via een strafzaak afdwingen.
Nu lijkt het er op dat je toch eerst hoge kosten zult moeten maken door een advocaat te moeten nemen om een civiele procedure te voeren.

Onbegrijpelijk
Wie begrijpt de motivatie van ouders die hun kind niet de liefde van de andere ouder gunnen? Niemand, toch!?
Of begrijpt iedereen dat die ouders het kind als wapen inzetten om hun ex te straffen.
Dat het ontzettende egoïstische redenen zijn, waarbij ze totaal voorbij gaan aan het feit dat een kind recht heeft op een vader en een moeder, op de liefde en zorg van een vader en een moeder.

Peter Woudstra
Amsterdam, 26 maart 2013


_____
Disclaimer: Op deze website wordt geen sluitend juridisch advies gegeven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Deze website huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel er de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding besteedt wordt, zijn we niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid voor de gegeven adviezen en reacties.
_____

dinsdag, februari 05, 2013

567. Vrouw veroordeeld op grond van Art. 279 Sr wegens niet-nakomen van door de rechter beschikte omgangsregeling (LJN BZ0555, Rechtbank Amsterdam, 24-12-2012)

LJN: BZ0555, Rechtbank Amsterdam, 13/654195-11

Datum uitspraak: 24-12-2012
Datum publicatie: 05-02-2013
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaats: Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
De rechtbank heeft een vrouw veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur vanwege het op 8 juni 2011 onttrekken aan het wettig gezag van haar minderjarige kind aan de vader met wie een omgangsregeling was afgesproken.

Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/654195-11
Datum uitspraak: 24 december 2012

Tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],
geboren te [plaats] op [1967],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode] te [plaats].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Mannen en van wat de verdachte en haar raadsman mr. M.R.P. Hoppenbrouwers naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 08 juni 2011 (vanaf ongeveer 12.00 uur) te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [A] (geboren in 2004) , heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen niet voldaan aan de afspraak/overeenkomst ( welke ( gezamenlijk) was overeengekomen en/of afgesproken en/of vastgesteld met de vader van voornoemde minderjarige [A], die ( eveneens) het wettig gezag over voornoemde [A] uitoefende) om voornoemde minderjarige [A] op de afgesproken tijd ( te weten 8 juni 2011 om 12.00 uur) aan hem, de vader, over te dragen, immers heeft zij, verdachte voornoemde minderjarige [A] meegenomen naar en/of laten verblijven in een volkstuinencomplex zonder de vader daarvan in kennis te stellen en/of was zij, verdachte, ondanks het verzoek van de vader, weigerachtig om voornoemde minderjarige [A] aan de vader mee te geven.

2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en overige voorvragen
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een civiele kwestie waarbij de aangever civielrechtelijke wegen had moeten bewandelen als hij van mening was dat de vrouw, verdachte in deze zaak, de omgangsregeling niet nakwam. Het Openbaar Ministerie dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Hiertoe heeft de raadsman verwezen naar een brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie die is geschreven in het kader van de totstandkoming van de Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding. Het naleven van een omgangsregeling dient volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever te worden gehandhaafd door middel van maatregelen van civielrechtelijke aard, zoals de dwangsom, lijfsdwang, afgiftebevel of het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft of de ondertoezichtstelling of aanwijzing van een bijzonder curator. In deze zaak heeft de man zich tot op heden niet tot de civiele rechter gewend met een vordering tot het opleggen van voornoemde dwangmaatregelen. Het strafrecht en dan met name artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht is niet bedoeld voor een situatie als de onderhavige. Volgens de raadsman is er, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 september 2012, LJN: BX8691, geen plaats voor strafrechtelijke handhaving waar nog (ruime) civielrechtelijke mogelijkheden zijn. In die zaak heeft het Openbaar Ministerie zelf de niet-ontvankelijkheid gevorderd.

De officier van justitie heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het opportuniteitsbeginsel verwoord. Dit houdt in dat het Openbaar Ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten, de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, slechts marginaal ter beoordeling van de rechter. Slechts indien het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

Het is de rechtbank niet gebleken dat in de onderhavige zaak van een dergelijke situatie sprake is, ook al heeft de aangever wellicht niet alle civielrechtelijke dwangmiddelen bij de civiele rechter afgedwongen. Vast staat in ieder geval dat in de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2008 afspraken zijn gemaakt over een omgangs- en vakantieregeling. Vervolgens is op 3 april 2008 door de Voorzieningenrechter te Amsterdam tussen aangever en verdachte een vonnis gewezen waarin de omgangsregeling nader is uitgewerkt. De reguliere omgangsregeling vormt geen probleem tussen aangever en verdachte, maar vanaf 2008 zijn aangever en verdachte in conflict over de interpretatie van de vakantieregeling. Sindsdien hebben aangever en verdachte over en weer al dan niet middels advocaten gecorrespondeerd en tevergeefs getracht om hier overeenstemming over te krijgen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in een geval als het onderhavige eerst het nodige op civielrechtelijk gebied dient te worden betracht, echter in dit geval kan niet worden geoordeeld dat er zodanig weinig civielrechtelijke pogingen zijn ondernomen dat dit aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging in de weg zou moeten staan. Het verweer wordt verworpen.

Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging. Voorts is de dagvaarding geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [A] op 8 juni 2011 aan het gezag van aangever heeft onttrokken nu de overdracht conform het vakantieschema op 8 juni 2011 heeft plaatsgevonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op de bewuste dag (8 juni 2011) moest [A] om 12.00 uur worden overgedragen aan haar vader. Verdachte wilde haar dochter die dag niet meegeven omdat zij – op advies van haar toenmalige advocaat – eigenhandig een dag wilde compenseren die de vader (aangever) zich naar haar mening ten onrechte op 29 april 2011 had toegeëigend. Verdachte is, zonder de vader hiervan op de hoogte te stellen, met haar dochter naar het volkstuincomplex gegaan. Ze heeft hierdoor opzettelijk niet voldaan aan de vastgestelde omgangsregeling. Het verweer dat zij een dag wilde compenseren, gaat niet op omdat de vader op 29 april 2011 gerechtigd was om [A] volgens de omgangsregeling bij zich te hebben. Dat hij [A] die dag niet naar school heeft laten gaan zonder overleg met verdachte is een andere kwestie.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 08 juni 2011 vanaf 12.00 uur te Amsterdam, opzettelijk een minderjarige, te weten [A] (geboren in 2004) , heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen niet voldaan aan de omgangsregeling welke was vastgesteld met de vader van voornoemde minderjarige [A], die eveneens het wettig gezag over voornoemde [A] uitoefende, om voornoemde minderjarige [A] op de afgesproken tijd (te weten 8 juni 2011 om 12.00 uur) aan hem, de vader, over te dragen, immers heeft zij, verdachte voornoemde minderjarige [A] meegenomen naar en laten verblijven in een volkstuinencomplex zonder de vader daarvan in kennis te stellen en was zij, verdachte, ondanks die omgangsregeleling welke was vastgesteld, weigerachtig om voornoemde minderjarige [A] aan de vader mee te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen, waarvan een gedeelte, groot 40 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank zal de officier van justitie in haar eis volgen. Dit om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden de strijd die zij met aangever voert over de uitleg van de vakantieregeling over de rug van [A] te voeren. De belangen van [A] dienen voorop te staan en zwaarder te wegen dan die van verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.B. Martens, voorzitter, mrs. E. Dinjens en G.W.A. Lamsvelt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2012.





_____
Disclaimer: Op deze website wordt geen sluitend juridisch advies gegeven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Deze website huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel er de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding besteedt wordt, zijn we niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid voor de gegeven adviezen en reacties.
_____

donderdag, december 08, 2011

363. Proces Verbaal van Artikel 12 procedure bij het Gerechtshof tegen uitgestelde vervolging van moeder voor onttrekking (WvS, Art. 279)

Ondanks de in 2009 door de kinderrechter bij gezamenlijk gezag beschikte omgangsregeling tussen een Friese vader en zijn zoontje van een weekeinde per 2 weken, heeft moeder na beëindiging van de Onder Toezicht Stelling (o.t.s.) sinds 27 september 2010 eenzijdig besloten voor eigen rechter te gaan spelen en het zoontje niet meer mee te geven aan vader.

Gevolg was dat tussen vader en zoon eerst na ca. 5 maanden pas weer 5x een begeleid contact via een omgangscentrum werd gestart via jeugdzorg, en daarna na nog weer 3 maanden stilstand 4x een begeleid contact via een omgangshuis van Humanitas tot stand kwam, waarna het afgesproken traject wederom door moeder voortijdig beëindigd werd.

Ten einde raad besloot de vader uiteindelijk na zoveel omgangsfrustratie door de moeder bij de politie aangifte van onttrekking (WvS, Art. 279) tegen moeder te doen.

Politie en justitie weigerden echter werk van de aangiften van vader te maken en tot vervolging van moeder over te gaan, waarna vader bij het Gerechtshof een Art. 12 procedure is gestart om aan het gerechtshof te vragen de vervolging van moeder aan justitie en politie te gelasten.

Hieronder het geanonimiseerde proces-verbaal van de behandeling door het Gerechtshof Leeuwarden van deze door vader aangespannen Art. 12 procedure:

(Klik op de afbeeldingen voor een vergrote weergave)







Verdere toelichting:

Voor gescheiden ouders met een door de rechter vastgestelde omgangsregeling en gezamenlijk gezag, die geconfronteerd worden met het door de zorg- of verblijfsouder eenzijdig frustreren of stop zetten van de door de rechter vastgestelde omgangsregeling bestaat de mogelijkheid om bij de politie aangifte van onttrekking (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) te doen.

In plaats van deze aangiften op te nemen en de strafvervolging van omgangsfrustrerende zorgouders adequaat ter hand te nemen, reageren politie en justitie uit ondeskundigheid, onwetendheid en onwelwillendheid echter vaak ten onrechte afhoudend tegenover deze aangiften van onttrekking door omgangsouders. In plaats van de aangifte op te nemen en te vervolgen wordt de omgangsouder daarbij door politie en justitie dan ten onrechte door verwezen naar een advocaat en de familierechter onder de mededeling dat dit geen zaak voor politie en justitie zou zijn.

Het is daarbij dan zaak dat omgangsouders zeer vasthoudend zijn en zich door politie en justitie niet met een kluit in het riet laten sturen.

Wanneer politie en justitie ook dan blijven weigeren de aangifte van onttrekking door de omgangsouder op te nemen en te vervolgen dan kan de omgangsouder hiertegen in beroep komen bij het gerechtshof middels een zgn. "Artikel 12 procedure". Daarvoor is niet persé een advocaat nodig, de omgangsouder kan deze zaak (het besluit van het OM om niet te vervolgen) zonodig ook zelf bij het gerechtshof voorleggen.

Ter informatie daarom hierboven het Proces Verbaal van de Eerste zitting van een aangehouden Artikel 12 procedure bij het Gerechtshof Leeuwarden hieronder. In februari 2012 is de vervolgzitting in deze Artikel 12 Procedure.

_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

donderdag, november 24, 2011

Art 310 Wetboek van Strafrecht

Beste mensen,

Ik werd door mijn advokaat geattendeerd op Art 310 WvS. Deze luidt:
Artikel 310
Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
Dit artikel moet je altijd noemen als je ook een Art 279 WvS aangifte doet bij de politie omdat deze combinatie een hogere straf kan opleveren voor diegene die zich niet aan de omgang houd.

Bovendien is dit een zeer interessante site, waar erg veel info is te vergaren.

Doe er allen je voordeel mee.

Mvg J. Claus

_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

zaterdag, november 20, 2010

360a. Casus 1 - Aangifte Onttrekking (WvS, Art. 279) bij politie en OM in de praktijk

Casus 1 - Aangifte- en vervolgingsbeleid naar geslacht bij het misdrijf 'onttrekking aan ouderlijk gezag' - Over gender racisme en discriminatie naar geslacht door politie en OM


Inleiding

'Onttrekking' (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) is het weghouden van de kinderen bij een andere ouder met gezamenlijk gezag in strijd met de door de familierechter bij de scheiding beschikte regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Het is een zwaar misdrijf dat als volgt omschreven staat in het Wetboek van Strafrecht:
Artikel 279: Misdrijf van onttrekking aan het ouderlijk gezag
Wetboek van Strafrecht, Tweede Boek. Misdrijven, Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, Artikel 279: Onttrekking

1.Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

2.Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.
Discriminatie naar geslacht door politie, OM en rechterlijke macht
Het is echter ook een misdrijf waarbij structureel gender racisme en discriminatie naar geslacht bij (a) het aangiftebeleid van de politie, (b) het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie en (c) het veroordelingsbeleid van de rechterlijke macht in Nederland hoogtij vieren op een wijze die aan elke geloofwaardigheid van de Nederlandse rechtstaat inmiddels een einde heeft gemaakt.

Wanneer een moeder (vrouw) aangifte van onttrekking doet tegen een vader (man), dan is een enkel telefoontje van moeder naar de politie voldoende om:
1. landelijk onmiddelijk het hele Nederlandse politiekorps met gillende sirenes uit te laten rukken zonder dat zelfs nog maar een proces-verbaal door de politie werd opgemaakt,
2. pers, media en burgerij landelijk in rep en roer te brengen met zgn. Amber Alerts,
3. het OM vervolgens bij de vervolging tegen de vader als dader, onder het motief dat het een repeterend misdrijf zou zijn, bij herhaling (ja u leest dat goed) de hoogste straf van 6 tot 9 jaar gevangenis te laten eisen,
4. het OM achteraf als verrader te laten optreden door elke gesloten overeenkomst of afspraak willens en wetens gemaakt met de vader waarbij alsnog de kinderen terug geleid kunnen worden achteraf met voeten te treden en niet na te komen,
5. de strafrechter te bewegen de maximale straf van 6 tot 9 jaar bij herhaling op te leggen aan de vader als dader (ja u leest dat weer goed).

Want dat is "in a nutshell" de karakteristiek van het Nederlandse aangifte-, vervolgings- en veroordelingsbeleid door politie, OM en rechterlijke macht in onderlinge collusie wanneer door een moeder tegen een vader telefonisch aangifte wordt gedaan.

Wanneer echter een vader tegen een moeder van hetzelfde misdrijf aangifte doet bij de politie, dan gebeurt er niets, maar dan ook helemaal niets, van dat al:
1. De politie wil de aangifte eerst niet opnemen en stuurt vader weg, weigert vervolgens de aangifte deugdelijk te onderzoeken en/of moeder als dader te horen, en/of maakt zich er met een 'Jantje van Leien' vanaf (moeder ontkent of spreekt dat tegen meneer),
2. Het OM wil de aangifte daaropvolgend niet vervolgen en seponeert, liefst pas na 6 maanden tot een jaar, en op absurde gronden, zonder rekenschap af te leggen,
3. De rechterlijke macht traineert het in procedure nemen van een zaak en weigert een straf op te leggen of legt een symbolische straf op van enkele uurtjes taakstraf die niet uitgevoerd word.

Deze structurele discriminatie naar geslacht door politie, justitie en rechterlijke macht bij de afhandeling van het misdrijf van onttrekking (art. 279) heeft inmiddels zo'n stuitende omvang aangenomen dat het Vaderkenniscentrum.nl de komende periode een aantal casussen waaruit dat blijkt gaat publiceren om deze aan u voor te kunnen leggen.

Het extreme aangifte-, vervolgings-, en veroordelingsbeleid wanneer moeders aangifte tegen vader doen mag bij u inmiddels bekend verondersteld worden, o.m. uit het langsvliegende Amber Alert-circus.

Hieronder kunt u lezen hoe het daarentegen bij politie en OM toegaat, wanneer een vader aangifte van onttreking aan het ouderlijk gezag door de moeder doet/wil doen.

Peter Tromp
Vaderkenniscentrum.nl


Casus 1: Een vader doet aangifte van het misdrijf van onttrekking door een moeder



Inhoudsopgave:
A. Proces-verbaal aangifte onttrekking (WvS, Art. 279)
B. Informatie uit Politieregisters
C. Sepot Politie Gelderland-Zuid
D. Beklagbrief vader aan Openbaar Ministerie inzake sepot
E. Antwoord van het OM op de beklagbrief vader aan Openbaar Ministerie inzake sepot

A. PROCES – VERBAAL AANGIFTE VAN ONTTREKKING (WVS, ART. 279)

Aangifte

Plaats delict : [plaats delict]
HKS object : Woning, [omschrijving woning]
Pleegdatum : Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip]
Verbalisant : [verbalisant]

Ik, verbalisant, [verbalisant], verklaar het volgende:

Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip], verscheen voor mij, in het politiebureau, [adres] te [plaats], een persoon die mij opgaf te zijn:

Achternaam : [achternaam]
Voornamen : [voornamen]
Geboren : [geboortedatum]
Geboorteplaats/land : [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht : man
Burger service nummer  : [BSN]
Nationaliteit : Nederlandse
GBA-nummer : [GBA]

Hij deed aangifte terzake overige misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid en verklaarde het volgende:

“Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip] werd op de [plaats delict], het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

Ik doe aangifte van onttrekking van het ouderlijk gezag van mijn kinderen. Dit feit is gepleegd op [datum voorjaar] 2010 omstreeks [tijdstip] op bovengenoemde locatie.

Met betrekking tot het onttrekken van het ouderlijk gezag kan ik u het volgende verklaren:

Ik lig momenteel in scheiding met mijn vrouw. Wij hebben samen [aantal] kinderen. [namen en leeftijden van de kinderen]. Mijn vrouw heet [vrouw], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende [plaats delict].

Op [datum voorjaar] 2010 heeft mijn vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank [locatie]. Ik heb op [datum voorjaar 2010] een verweerschrift ingediend bij de rechtbank te [locatie].

Omtrent het ouderlijk gezag van de kinderen heeft de rechtbank te [locatie] een beschikking opgesteld op [datum]. In de beschikking staat vastgesteld onder [vindplaats in de beschikking] dat ik de kinderen op de volgende tijdstippen mag zien:
-in de oneven weken van [tijdstip op vaste namiddag in de week] tot [tijdstip op vaste vooravond in de week twee dagen later]
-in de even weken op [vaste ochtend in de week] van [tijdstip] tot [tijdstip]
-daarnaast mag ik op [vaste dag in de week] met [naam kind 1] naar [activiteit]. En op [twee vaste avonden in de week] met [naam kind 2] naar [activiteit].

Afgelopen [datum voorjaar 2010] was ik om [tijdstip] precies op het adres [plaats delict]. Daar deed mijn vrouw de deur open en zij vertelde mij meteen dat ik de kinderen die dag niet mee zou krijgen. Zij gaf mij daarbij geen reden op.

Ik heb toen de telefoon gepakt om de politie te bellen. Mijn vrouw zei toen tegen mij: “ja, bel de politie maar”. Vervolgens heeft zij de deur dicht gedaan. De politie is volgens mij toen bij mijn vrouw langs geweest. Toen heeft zij aangegeven dat zij de kinderen niet meer aan mij mee wil geven.

Ik heb dus uiteindelijk mijn kinderen wederom niet meegekregen. Mijn vrouw heeft zich dus niet gehouden aan de uitspraak van de rechtbank. Dit is niet de eerste keer dat zij dit doet, ik heb hier vorige week [datum voorjaar] 2010 ook al aangifte van gedaan. De politie heeft toen ook al met haar gesproken, zij had toen aangegeven dat zij de kinderen in de toekomst wel weer aan mij mee wil geven.

Ik kan u vertellen dat ik afgelopen [datum voorjaar 2010] [naam kind 2] opgehaald heb om naar [activiteit] te gaan. Ik heb [naam kind 2] toen gewoon meegekregen. Mogelijk dat dit gekomen is doordat de politie met haar heeft gesproken.

Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Terug naar inhoudsopgave

B. INFORMATIE UIT POLITIEREGISTERS

[datum voorjaar]-2010 nr. [meldingsnummer]
[man] belde om te vertellen dat de kinderen van hem door zijn ex niet werden meegegeven voor de bezoekregeling van vandaag [datum voorjaar 2010] van [tijdstip] tot [tijdstip]. Zonder opgaaf van reden. Zij opende wel de voordeur voor hem maar zei hem dat hij de kinderen niet mee kreeg. [man] heeft kinderen niet gehoord of gezien. Hij voorziet problemen voor de rest van de week, hij heeft elke dag een bezoekregeling om kinderen te zien. Heb uitgebreid gesproken met hem en hem verteld dit alles vast te leggen. Heb haar geprobeerd te bellen maar zij was constant in gesprek. [man] is zeer teleurgesteld in het optreden van de politie en eist dat politie haar tot de orde roept. Collega’s zijn vervolgens bij haar langs gegaan. Zij zegt te weigeren de kinderen mee te geven en weet dat zij volledig ingaat tegen het rechtelijk bevel van de bezoekregeling. Zij zegt dat hij de kinderen mishandelt en dat hij ze mee neemt naar het buitenland en dat wil ze niet hebben.

Terug naar inhoudsopgave

C. SEPOT-BRIEF POLITIE GELDERLAND-ZUID [DISTRICTSVERMELDING]

Ons kenmerk : [PV-nummer]
Telefoon : [telefoonnummer]
Datum : [datum najaar] 2010
Betreft : Afloopbericht

Geachte heer [man],

Naar aanleiding van de aangifte die door of namens u gedaan is onder bovengenoemd kenmerk, deel ik u het volgende mede.

Wij hebben uw aangifte nader bekeken. Daarbij bleek dat het juridisch gezien hier niet gaat om een strafrechtelijk feit. De politie doet alleen onderzoek naar strafrechtelijke feiten en daarom kunnen wij in dit geval geen onderzoek instellen. De aangifte blijft wel in onze administratie geregistreerd.

Mocht u het niet eens zijn met deze beslissing dan kunt u binnen 6 weken na ontvangst van deze brief, schriftelijk en gemotiveerd uw beklag doen bij het Openbaar Ministerie, adres:
            Arrondissementsparket [locatie en adres]
Als u daarbij een kopie meestuurt van deze brief, bevordert dit een snelle afhandeling

Heeft u naar aanleiding van deze brief nog vragen of heeft u aanvullende informatie, dan kunt u op werkdagen tussen 08.30 uur en 16.30 uur, contact opnemen met het Centraal Informatiepunt Slachtoffers te [locatie], telefoonnummer: [telefoonnummer].
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben ingelicht.

De districtschef
Namens deze,
Districtsadministratie [Districtsvermelding]

Terug naar inhoudsopgave

D. BEKLAGBRIEF VADER BIJ OPENBAAR MINISTERIE INZAKE SEPOT

Aan: Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket [locatie en adres]
Betreft: beklag over brieven Politie Gelderland-Zuid
Datum: [datum van indiening binnen de daarvoor gestelde termijn van 6 weken]

Geachte heer/mevrouw,

Met grote verbazing heb ik kennis genomen van de brieven van het bedrijfsbureau van Politie Gelderland-Zuid, [districtsvermelding] van [datum najaar] 2010, kenmerk [kenmerk] en kenmerk [kenmerk]. De brieven zijn bijgevoegd bij deze brief.

In de brieven wordt gemeld dat de aangiften die ik heb gedaan met betrekking tot onttrekking van het ouderlijk gezag, artikel 279 Sr, niet zou gaan om een strafbaar feit. Dit bevreemd mij zeer. Mogelijk dat u een ander Wetboek van Strafrecht hanteert dan in Nederland gehanteerd wordt. Graag zou ik dan van die versie een afschrift willen ontvangen. Ik ga er echter van uit dat u hetzelfde Wetboek van Strafrecht hanteert. In dat geval dient u zich, net zoals ik en iedere andere Nederlandse rechtspersoon, te houden aan de wettelijke regels.

Ik ben het niet eens met de door de Politie Gelderland-Zuid opgestelde brieven. Buiten dat in de brieven iedere vorm van argumentatie ontbreekt, wordt met deze beslissing de wet volledig naast zich neergelegd. Alvorens in te gaan op de redenen waarom ik het niet eens ben, eerst wat achtergrondinformatie zodat u een volledig beeld krijgt van wat er zich afspeelt.

Elk kind heeft het recht bij zijn ouders op te groeien en om met beide ouders contact te houden wanneer het van een of van beiden gescheiden leeft, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind. Dit is vastgelegd in het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind, welk geratificeerd is door Nederland. Mede op grond van dit verdrag is in maart 2009 een wetswijziging “Voortgezet ouderschap en zorgvuldige echtscheiding” doorgevoerd.

Helaas verlopen niet alle echtscheidingen even vlekkeloos. In een aantal gevallen ontvouwt zich een hevige strijd tussen beide ouders. In een aantal andere gevallen wordt de strijd gevoerd door één van de ouders. Dit laatste is bij mij het geval. En daar waar kinderen in het spel zijn, zijn de kinderen vaak de dupe van de strijd die gevoerd wordt.

In mijn geval begon de moeder van mijn kinderen vrijwel direct na de beslissing van de rechtbank te [locatie] omtrent de omgangsregeling, zoals opgesteld in de beschikking van [datum najaar] 2009, de omgangsregeling te frustreren. De kinderen werd het recht op omgang met hun vader ontnomen. Verschillende malen is getracht met tussenkomst van mijn advocaat en de politie de omgangsregeling weer op gang te brengen, echter de problemen hielden aan.

Ik heb uiteindelijk op [datum voorjaar] 2010 en op [datum voorjaar] 2010 aangifte gedaan van onttrekking van de ouderlijke macht op grond van artikel 279 Wetboek van Strafrecht.

Dit artikel wordt veelvuldig toegepast in gevallen waarin, laten we maar man en paard noemen, vaders hun kinderen niet terugbrengen naar hun moeder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben. In dat geval worden vaders, veelal hardhandig, aangepakt in het bijzijn van hun kinderen en worden de kinderen teruggebracht naar de moeder. Indien aangifte wordt gedaan door de moeder van onttrekking van de ouderlijke macht wordt een strafrechterlijk onderzoek ingesteld en wordt de vader strafrechterlijk vervolgd.

In het geval dat de moeder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben weigert om de kinderen mee te geven aan de vader, wordt er door politie en justitie plotseling anders gehandeld. In dat geval wordt er niet opgetreden tegen de moeder. Dit is ook bij mij het geval geweest. De politie handelt daarmee in strijd met artikel 2 van de Politiewet 1993, waarin staat: "De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven". Het gevolg van het handelen van de politie is dat de kinderen het recht op zorg en omgang met de vader wordt ontnomen.

Er is bovendien sprake van ongelijke behandeling in het optreden van de politie. Dit is in strijd met artikel 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Voor vaders zijn er in dat geval twee mogelijkheden om er voor te zorgen dat de kinderen toch zorg en omgang kunnen krijgen met de vader. Vader kan een civielrechtelijke procedure starten of kan trachten de moeder strafrechtelijk te laten vervolgen. In mijn geval heb ik beide gedaan.

Ik heb een kort geding aangespannen bij de rechtbank te [locatie] om er voor te zorgen dat de beschikking van [datum najaar] 2009, zoals is vastgesteld door de rechtbank te [locatie], wordt nageleefd. De rechter heeft daarbij geoordeeld dat al mijn verzoeken, waaronder het verzoek om een dwangsom voor iedere dag dat de omgangsregeling niet wordt nageleefd, werden afgewezen. Met andere woorden: via een civielrechtelijke procedure is het niet mogelijk gebleken het recht op zorg en omgang met vader af te dwingen. Ook hier is sprake van een ongelijke behandeling. De beslissing van de rechtbank heeft er overigens voor gezorgd dat mijn kinderen vervolgens gedurende 4,5 maand geen enkel contact meer hebben gehad met hun vader, maar dit terzijde.

Dan de strafrechtelijke procedure. Bij het doen van aangifte van onttrekking van de ouderlijke macht stuitte ik op verzet bij de politie. Dit terwijl ieder burger gerechtigd is om aangifte te doen van een strafbaar feit (art. 161 Wetboek van Strafvordering) en de politie verplicht is de aangifte op te nemen (art. 163 Wetboek van Strafvordering, lid 5). Als burger, of in ieder geval als vader, moet je op je strepen gaan staan om dit voor elkaar te krijgen. Het heeft me dan ook 5 weken gekost om de aangifte die ik heb gedaan op [datum voorjaar] 2010 ([PV nummer]) uiteindelijk opgenomen te krijgen. Wel vreemd, aangezien de moeder van mijn kinderen het wel eenvoudig voor elkaar heeft gekregen om een valse aangifte te doen van stalking door mij. Ook dit doet vermoeden dat er sprake is van een ongelijke behandeling.

Moeders zijn zich terdege bewust van de rechtsongelijkheid die zowel door justitie als politie wordt gebezigd. Zij zijn zich bewust dat de ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben, de macht hebben om te kunnen bepalen wanneer de kinderen de andere ouder mag zien. Zij zijn zich bewust dat de politie niet optreedt tegen dit handelen. Zij zijn zich bewust dat de rechter in hun voordeel zal uitspreken. Zij zijn zich bewust dat de officier van justitie niet tot strafvervolging over zal gaan. En zo lang moeders op geen enkel vlak worden aangepakt of zelfs maar aangesproken worden, zullen ook in de toekomst moeders de zorg en omgang met vaders blijven frustreren. Het is een zichzelf in stand houdend systeem.

Ik zal nu aangeven waarom ik het niet eens ben met de stelling dat het niet zou gaan om een strafbaar feit.

Het artikel met betrekking tot onttrekking van het ouderlijk gezag betreft artikel 279 Wetboek van Strafrecht. Dit artikel luidt:

Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid

Artikel 279
  1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
  2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

In een uitspraak van de Hoge Raad (LJN AR8250, 01198/04) van 15 februari 2005 stelt de Hoge Raad dat het niet houden aan een omgangsregeling door een ouder belast met ouderlijk gezag wel degelijk een strafbaar feit is.

De Nationale Ombudsman heeft in het rapport 2007/034 van 16 februari 2007 de volgende aanbeveling gegeven: “Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie ziet de Nationale Ombudsman aanleiding om de korpsbeheerder in overweging te geven om de relevante jurisprudentie (de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005) als uitgangspunt te nemen voor het politieoptreden bij omgangsproblemen.”

In de slotbeschouwing van het betreffende rapport stelt de Nationale Ombudsman voorts:
“De Nationale ombudsman wenst hier te benadrukken dat, indien er sprake is van gezamenlijk gezag, de ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de kinderen en de onderlinge verhoudingen. De ruimte voor de politie om zich in dit soort conflicten te mengen is beperkt.

Voorts verwijs ik u ook naar de uitspraken die zijn gedaan door Rechtbank Leeuwarden (LJN BH2027, 17/754502-08 VON) van 5 februari 2009 en door Rechtbank Maastricht van 20 februari 2009, waarin bevestigd wordt dat het gaat om een strafbaar feit.

Bovenstaande stelt dus dat het niet houden aan een omgangsregeling wel degelijk een strafbaar feit is. Dientengevolge verzoek ik u uw beslissing te heroverwegen. Het spreekt vanzelf dat ik mij zal richten tot de Nationale Ombudsman als u nog steeds van mening blijft dat het hier niet gaat om een strafbaar feit.

Om u verder alvast een stap voor te zijn verzoek ik u een zorgvuldige afweging te maken met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen. Ik ben me bewust dat het voor u een lastige kwestie is en dat u daarom, om het uzelf makkelijk te maken, vlug geneigd bent de aangifte te seponeren. In dat geval vraag ik u uiteraard om een goed beargumenteerde sepotreden. Een sepotreden als “onvoldoende wettig en overtuigend bewijs” kan in mijn ogen niet gegeven worden, aangezien moeder op [datum voorjaar] 2010 zelf heeft aangegeven “te weigeren de kinderen mee te geven en weet dat zij volledig ingaat tegen het rechtelijk bevel van de bezoekregeling” (citaat afkomstig uit politieregisters). Ik heb u echter uitgelegd dat moeder weet dat zij zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk niet aangepakt wordt en zij zich daarom niet houdt aan de omgangsregeling. Door niet strafrechtelijk te vervolgen geeft u wederom een signaal af naar de moeder dat het niet houden aan de omgangsregeling toegestaan is en zullen toekomstige problemen met betrekking tot de omgang zich blijven voordoen. U belast daarmee uw eigen politieapparaat met onnodig veel werk en handelt niet conform artikel 2 van de Politiewet.

Ik hoop dat u gaat inzien dat u mede verantwoordelijk bent voor de omgangsproblematiek en daarmee mede veroorzaker bent van de schade die dit toebrengt aan mijn kinderen.

Ik schrijf u deze brief overigens op de dag van de rechten van het kind, de dag bovendien dat moeder zich wederom niet houdt aan de omgangsregeling, die nota bene door haar zelf is voorgesteld aan de rechter.

Ik zie uw reactie met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,
[vader]

Bijlagen: 2

Terug naar inhoudsopgave

E. ANTWOORD OPENBAAR MINISTERIE OP BEKLAGBRIEF VADER INZAKE SEPOT

Contactpersoon: [contactpersoon]
Doorkiesnummer: [doorkiesnummer]
Datum: 6 december 2010
Ons kenmerk: [kenmerk]
Onderwerp: beklag

Geachte heer [vader],

Bij deze bericht ik u dat ik in uw brief van 20 november jl. aanleiding heb gezien om de politie nader onderzoek te laten doen. Zodra ik de resultaten van dit onderzoek ontvangen heb, zal ik u hier nader over berichten.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

De Officier van Justitie
namens deze,

[sr. parketsecretaris]
sr. parketsecretaris

Terug naar inhoudsopgave
_____
Disclaimer: Vaderkenniscentrum kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Het Vaderkenniscentrum huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel het Vaderkenniscentrum de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is het Vaderkenniscentrum niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van het Vaderkenniscentrum worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van Vaderkenniscentrum voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

dinsdag, november 16, 2010

360. Gerechtshof Leeuwarden acht misdrijf van onttrekking van zoon aan vader door moeder bewezen, maar durft geen straf op te leggen aan moeder

Het Gerechtshof Leeuwarden acht bij haar oordeel vandaag over een Franeker moeder het misdrijf van onttrekking van haar zoon aan zijn vader door de moeder bewezen, maar durft moeders niet te bestraffen en laat vader en zoon na 9 jaar slachtofferschap in de kou staan door een non-straf op te leggen die in de praktijk neerkomt op vrijspraak.

De ontbrekende strafoplegging is temeer teleurstellend omdat de onttrekkende moeder tot en met de dag van de zitting van het gerechtshof (2 november 2010) zelf, en zelfs tot op heden, in haar misdrijf van onttrekking blijft volharden en mag volharden zonder dat daarbij ingegrepen wordt. Het Gerechtshof Leeuwarden meet daarmee bij haar 'recht spreken' over moeders met twee maten en had een vader voor hetzelfde misdrijf met jarenlange gevangenisstraf bestraft.

Waar het Vaderkenniscentrum.nl naast boven gemaakte kanttekeningen desondanks waardering voor uitspreekt is het principegehalte van de uitspraak van de rechters van het Gerechtshof Leeuwarden.

Vaderkenniscentrum.nl
Peter Tromp


Uitspraken:
  • Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep, 16-11-2010, LJN: BO4081
  • Uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden in eerste aanleg, 05-02-2009, LJN: BH2027

Leeuwarder Courant: Lagere straf voor Franeker moeder

Bron: Leeuwarder Courant - Gepubliceerd op 17 november 2010, 08:47

LEEUWARDEN - De Franeker Marina Norbruis die als eerste moeder in Nederland veroordeeld is omdat ze zich niet hield aan de omgangsregeling voor haar zoon, krijgt in hoger beroep een lagere straf.

Het Leeuwarder hof legde haar dinsdag zestig uur voorwaardelijke werkstraf op. De rechtbank veroordeelde haar vorig jaar tot honderd uur werkstraf waarvan veertig uur voorwaardelijk. Het hof houdt met de lagere straf rekening met de omgangsmoeilijkheden tussen de vader en zoon.

------------------

Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden, 16-11-2010, LJN: BO4081


De uitspraak zelf van het Gerechtshof Leeuwarden met parketnummer 24-000413-09 in het Hoger Beroep van de voor onttrekking van haar kind aan de vader (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) vervolgde moeder uit Franeker
Datum uitspraak: 16-11-2010
Datum publicatie: 16-11-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie:
De verdachte wordt ter zake van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf. m.b.t. de verweren: 1. het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is; 2. het hof verwerpt het bewijsverweer; 3. het hof verwerpt het beroep op overmacht en noodweer(exces).

Uitspraak Parketnummer: 24-000413-09
Parketnummer eerste aanleg: 17-754502-08

Arrest van 16 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 5 februari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],
geboren op [1971] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. M.M.E. Rietjens, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen.

De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte - zakelijk weergegeven - niet wederrechtelijk heeft gehandeld zodat het Openbaar Ministerie haar nimmer had mogen vervolgen voor het onttrekken aan het ouderlijk gezag. Artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht mag slechts in zeer bijzondere gevallen zoals kinderontvoering toegepast worden. In deze zaak betreft het enkel een dispuut over de manier waarop de omgangregeling tussen ouder en kind vorm dient te krijgen, hetgeen niet beoogd is door de wetgever. Het vorenstaande dient tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie te leiden.

Het hof overweegt dat het verweer van de raadsvrouw betrekking heeft op rechtsvragen die in het kader van de bespreking van de tenlastelegging en strafbaarheid van verdachte beantwoording behoeven. Dat de verdediging een andere uitleg van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht voorstaat omtrent de toepassingsmogelijkheden van het artikel staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ook overigens is het hof niet gebleken van omstandigheden die tot een dergelijk oordeel aanleiding geven

Het hof verwerpt het verweer.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
zij in of omstreeks de periode van 6 mei 2007 tot en met 14 november 2007, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland (meermalen) (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [kind], geboren op [1997], (telkens) heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag (te weten het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd [vader], door (telkens) (op de data en/of tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van het Gerechtshof d.d. 27 maart 2007) betrekking hebbende op de minderjarige met de gezaghebbende ouder [vader]), de minderjarige niet af te geven aan die [vader] en/of die [vader] niet in staat te stellen de minderjarige bij zich te ontvangen en/of te bezoeken, en/of (aldus)de minderjarige (telkens) buiten bereik van die [vader] en/of bij die [vader] weg te houden, zulks terwijl de minderjarige (telkens) beneden de twaalf jaren oud was.
Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte haar zoon [kind] nimmer in de ten laste gelegde periode doelbewust op de door het gerechtshof vastgestelde tijden bij zich heeft gehouden. Verdachte heeft geen beslissende invloed gehad op de scheiding tussen [kind] en zijn vader, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [kind] zou hebben onttrokken aan het wettig gezag. Derhalve dient zij vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde feit.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat verdachte niet opzettelijk de minderjarige [kind] heeft onttrokken aan het wettig over hem gestelde gezag. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de inhoudelijke toelichting van de raadsvrouw op dit verweer slechts uitdrukkelijk is gevoerd voor zover die ziet op de omgangsmomenten op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007, maar dat de conclusie van de raadsvrouw ziet op alle bij rechterlijke beslissing bepaalde omgangsmomenten in de tenlastegelegde periode.

Het hof stelt voorop dat blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN AR8250) ook degene die (mede) het gezag over het minderjarig kind uitoefent, dit kind kan onttrekken aan het wettelijk over hem/haar gestelde gezag door zich niet te houden aan de bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling

Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 27 maart 2007 heeft het hof voor [vader] een omgangsregeling met [kind] vastgesteld, ingaande 6 mei 2007. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding van 4 mei 2007 verdachte veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling onder verbeurte van een dwangsom en [vader] gemachtigd dit vonnis zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter heeft hierbij overwogen dat verdachte ter terechtzitting in kort geding desgevraagd heeft verklaard niet vrijwillig bereid te zijn de door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling na te komen.

Vaststaat dat in de periode van de tenlastelegging op geen enkele van de 14 door het hof vastgestelde omgangsmomenten omgang tussen [kind] en zijn vader heeft plaatsgevonden.

Aangever [vader] heeft op 7 juni 2007 tegenover de politie verklaard dat hij zich op 6 mei 2007 bij de woning zijn ex-vrouw had gemeld, maar dat zij hun zoon niet aan hem wilde meegeven. Hij had het twee keer gevraagd, maar zij reageerde beide keren negatief. Op 20 mei 2007 en 3 juni 2007 heeft dit zich herhaald. In zijn aanvullende aangifte van 24 januari 2008 heeft [vader] verklaard dat al de keren dat hij langs is geweest om zijn zoon op te halen verdachte de zoon niet mee wilde geven of dat zij zelfs in het geheel niet thuis was.

Verdachte heeft verklaard dat [vader] op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007 kwam om [kind] op te halen en dat [kind] niet is meegegaan. [kind] was overstuur en wilde absoluut niet mee. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij [kind] niet (fysiek) wilde dwingen mee te gaan. Dit was voor haar een moeilijke, maar bewuste keuze. Bij de politie heeft verdachte ook verklaard dat zij op een aantal omgangsmomenten bewust niet thuis is gebleven met [kind]. Eerst op 15 november 2007 is er (begeleide) omgang geweest tussen [vader] en [kind].

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte de beslissende invloed had op de scheiding tussen [kind] en [vader] in de periode genoemd in de tenlastelegging.

Gelet op de mutatie van de politie (pagina 70 van het proces-verbaal) is het hof van oordeel dat verdachte met betrekking tot de omgang op 9 september 2007 niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij de omgangsregeling niet is nagekomen. Gelet op de toezegging van de officier van justitie - wat daar ook van zij - en de mededelingen daaromtrent aan de verdediging is het hof van oordeel dat weliswaar de omgangsregeling niet is nageleefd, maar dat niet kan worden bewezen dat verdachte [kind] opzettelijk heeft ontrokken aan het wettig over hem gestelde gezag.

Met betrekking tot de omgangsmomenten op 29 juli, 12 augustus en 26 augustus 2007 dient eveneens te gelden dat verdachte geen verwijt treft omdat [vader] zich in deze (vakantie) periode niet bij verdachte heeft gemeld voor omgang.

Voor het overige heeft verdachte de omgangsregeling willens en wetens niet nageleefd door [kind] op de vastgestelde data niet af te geven aan [vader]. Verdachte heeft [kind] om haar moverende redenen bewust niet afgegeven en aldus is er sprake van opzet. Het hof acht het ten laste gelegde voor het overige wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 
zij in de periode van 6 mei 2007 tot en met 14 november 2007, te [plaats], meermalen telkens opzettelijk een minderjarige, te weten [kind], geboren op [1997], telkens heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag (te weten het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd [vader], door telkens op meerdere data en tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van het Gerechtshof d.d. 27 maart 2007) betrekking hebbende op de minderjarige met de gezaghebbende ouder [vader], de minderjarige niet af te geven aan die [vader], zulks terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in psychische overmacht heeft gehandeld en heeft daartoe het volgende gesteld.

Verdachte heeft blootgestaan aan een dusdanige psychische druk dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Voorts zag verdachte zich voor een duivels dilemma gesteld. Zij moest kiezen tussen een rechterlijke beslissing en het belang van haar kind. Dat belang zou in haar ogen namelijk worden geschaad als zij [kind] tegen zijn wil aan [vader] zou meegeven. Verdachte zou in dat conflict de juiste keuze hebben gemaakt. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces, omdat zij meende haar zoon te moeten beschermen.

Dit zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

1. Verdachte is met [vader] gehuwd geweest. Uit het huwelijk is op 6 november 1997 [kind] geboren. In 1999 zijn verdachte en [vader] uit elkaar gegaan. [kind] was toen twee jaar oud. Bij beschikking van de rechtbank Zwolle van 11 april 2001 is de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is ontbonden op 10 mei 2001. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over [kind].

Na de scheiding is [kind] bij zijn moeder blijven wonen. Na enige tijd was er vanwege echtscheidingsproblemen geen contact meer tussen [kind] en [vader]. [vader] heeft vervolgens, na reeds jaren geen contact te hebben gehad met zijn zoon, de rechtbank op 15 juni 2004 verzocht een omgangsregeling vast te stellen. De moeder heeft een verweerschrift van 8 september 2004, tevens zelfstandig verzoek (tot gezagswijziging) ingediend. De Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) heeft naar aanleiding van deze verzoeken een rapport opgemaakt d.d. 14 juni 2005. In dit rapport concludeert de Raad dat een omgangsregeling voor [kind] te veel risico's voor zijn emotionele ontwikkeling met zich meebrengt. De ouders roepen dusdanig veel spanning bij elkaar op dat de situatie voor [kind] onbeheersbaar wordt. Vervolgens is bij beschikking van 12 oktober 2005 het verzoek van de moeder afgewezen en zijn er proefcontacten, onder begeleiding van de Raad, vastgesteld. Deze contacten bleken niet realiseerbaar omdat moeder alleen wilde instemmen als zij daarbij achter het oneway-screen aanwezig kon zijn, terwijl vader dat niet wilde. Bij beschikking van 8 februari 2006 is partijen opgedragen mee te werken aan bemiddeling door een mediator, maar dit heeft niet tot resultaat geleid. Bij eindbeschikking van 21 juni 2006 heeft de rechtbank het verzoek van [vader] tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. [vader] is tegen deze beschikking in beroep gegaan.

2. Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 27 maart 2007 heeft het hof voor [vader] een omgangsregeling met [kind] vastgesteld, beginnend met twee uur per twee weken geleidelijk oplopend tot eenmaal in de twee weken een geheel weekend en de helft van de schoolvakanties. Bij de beoordeling van dit verzoek heeft het hof het belang van het kind als uitgangspunt genomen. Met betrekking tot de vraag of het hebben van omgang met zijn vader voor [kind] meer nadelige gevolgen heeft dan het niet hebben van omgang heeft het hof (onder meer) overwogen:
"dat de moeder geen relevante gronden heeft aangevoerd, laat staan gesubstantieerd, die de conclusie rechtvaardigen dat de vader omgang met zijn zoon moet worden ontzegd. Niet is gebleken dat contact tussen de vader en [kind], ten gevolge van gedragingen van de vader, nadelig zou zijn voor [kind]; de omgang stuit uitsluitend af op het feit dat de ouders niet met elkaar overweg kunnen en, met name, de halsstarrige, weigerachtige houding van de moeder. (...) De moeder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er niets is dat de vader aan zijn gedrag kan wijzigen om haar, de moeder, positief tegenover contact tussen vader en [kind] te laten staan. Het aanbod van de raad ter zitting om alsnog proefcontacten ten kantore van de raad te laten plaatsvinden, waarna de raad nog nader kan rapporteren en adviseren, passeert het hof, mede gelet op de uitlatingen en de toevoeging dat zij zich "never nooit" voor dit doel naar de raad zal begeven. Gelet op het uitsluitend door de moeder gefrustreerde verloop van het door de rechtbank vastgestelde proefcontact is er geen reden om aan te nemen dat de moeder tot andere gedachten kan worden gebracht. Bovendien is het hof van oordeel dat een dergelijk onderzoek [kind] door de te verwachten tegenwerking van de moeder te veel zou belasten. Het hof zal de navolgende omgangsregeling vaststellen, nu het hof dit het meest in het belang van [kind] acht. Het hof zal in de regeling een opbouw opnemen, nu [kind] en zijn vader elkaar lange tijd niet hebben gezien."
Het hof besliste dat [vader] gerechtigd was [kind] bij zich te ontvangen
  • met ingang van zondag 6 mei 2007 voor de duur van twee maanden: eenmaal per twee weken op zondag van 14.00 uur tot 16.00 uur en wel zondag 6 mei 2007, zondag 20 mei 2007, zondag 3 juni 2007 en zondag 17 juni 2007;
  • met ingang van zondag 1 juli 2007 voor de duur van één maand: eenmaal per twee weken op zondag van 14.00 uur tot 18.00 uur en wel op zondag 1 juli 2007, zondag 15 juli 2007 en zondag 29 juli 2007;
  • met ingang van zondag 12 augustus 2007 voor de duur van twee maanden: eenmaal per twee weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur en wel op zondag 12 augustus 2007, zondag 26 augustus 2007, zondag 9 september 2007 en zondag 23 september 2007;
  • en vervolgens met ingang van zondag 7 oktober 2007: een weekend per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;
  • alsmede de helft van de schoolvakanties, zulks voor het eerst met ingang van de kerstvakantie 2007.
3. Vervolgens heeft [vader] in kort geding op 3 mei 2007 gevorderd dat de voorzieningenrechter moeder zal veroordelen haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling zoals beschreven in de beschikking van 27 maart 2007 onder verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft (onder meer) overwogen:
"De vrouw weigert thans uitvoering te geven aan die door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling. Zij stelt zich op het standpunt dat de school van de minderjarige zorgen heeft geuit en dat zij [kind] daarom bij de GGZ Jeugd heeft aangemeld. In haar visie kan zij in redelijkheid besluiten niet mee te werken aan de uitvoering van de omgangsregeling. (...) De voorzieningenrechter deelt het standpunt van de vrouw niet. Voorop staat dat het gerechtshof een weloverwogen beslissing heeft gegeven over de omgangsregeling en deze gefaseerd heeft opgebouwd, rekening houdend met alle belangen. Rechterlijke beslissingen dienen nu eenmaal gerespecteerd te worden.

De leerkracht van de school van [kind] heeft op 14 november 2006 al haar zorgen over [kind] geuit en heeft in het formulier 'oudergesprekken' aangegeven dat het conflict tussen de ouders oorzaak kan zijn van de vermoeidheid en concentratieproblemen van het kind. Ook andere factoren zouden naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter een rol in deze vermoeidheid en het bedplassen kunnen spelen, zoals de wens van [kind] om beroemd te worden. Voorshands kan daaruit echter niet geconcludeerd worden dat [kind] nog steeds geen enkele omgang met zijn vader zou moeten hebben. Een medische contra-indicatie voor omgang is door de vrouw niet aannemelijk gemaakt en daarvan is ook anderszins niet, althans onvoldoende gebleken."
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 mei 2007 verdachte veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling onder verbeurte van een dwangsom en [vader] gemachtigd dit vonnis zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter heeft hierbij overwogen dat de vrouw ter terechtzitting in kort geding desgevraagd heeft verklaard niet bereid te zijn de door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling vrijwillig na te komen en desnoods bereid te zijn het maximum van de gevorderde dwangsom te betalen.

4. Vaststaat - zoals reeds eerder overwogen - dat in de ten laste gelegde periode geen enkel omgangscontact heeft plaatsgevonden. Door [vader] is op de vastgestelde dagen en tijden getracht afgifte van [kind] te bewerkstelligen, maar verdachte heeft [kind] niet afgegeven. Bovendien waren verdachte en [kind] op een aantal data niet thuis. Verdachte heeft ervoor gekozen haar zoon niet (fysiek) te dwingen om mee te gaan met vader. Vader is steeds zonder [kind] vertrokken.

Overmacht
Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte heeft gehandeld in psychische overmacht. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Noch op grond van hetgeen naar voren is gebracht ter terechtzitting noch uit overige feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat verdachte op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007 en ook overigens in de tenlastegelegde periode heeft gehandeld onder invloed van een zodanige psychische dwang, dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Verdachte heeft ervoor gekozen [kind] niet mee te geven aan zijn vader, terwijl zij hiertoe op grond van de rechterlijke beslissingen verplicht was. Aldus had verdachte anders moeten en kunnen handelen dan zij heeft gedaan. Er is niet gebleken van een zodanige psychische toestand bij verdachte dat zij niet anders kon of behoorde te handelen dan zij heeft gedaan, nu zij blijkens voorstaande opsomming een bewuste keuze heeft gemaakt naar aanleiding van haar eigen observaties en interpretaties van het gedrag van haar kind.

Alhoewel de raadsvrouw voornoemd verweer juridisch heeft geëtiketteerd als psychische overmacht geeft het verweer het hof aanleiding het zodanig te begrijpen dat het ook moet worden verstaan als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte aangegeven dat zij zich zag gesteld voor een duivels dilemma. Enerzijds was er de plicht om mee te werken aan de rechterlijke uitspraak en anderzijds de plicht om als verzorgende moeder haar minderjarige kind te beschermen. Verdachte heeft gekozen voor haar kind. In haar beleving zou het dwingen van [kind] om mee te werken aan de omgangsregeling beschadigend zijn voor haar zoon.

Het hof stelt voorop dat de ouders niet in staat zijn gebleken zelf overeenstemming te bereiken over een omgangsregeling, zodat de beslissing daaromtrent in handen is gelegd van de rechter.

Het gerechtshof heeft uiteindelijk beslist dat omgang dient plaats te vinden en in het verlengde hiervan heeft de voorzieningenrechter beslist dat verdachte hieraan moest meewerken. Gelet op de aard van omgangzaken heeft bij de totstandkoming van de omgangsregeling het belang van het kind vooropgestaan. Dit blijkt ook expliciet uit die rechterlijke beslissingen. De rechters achtten de omgang met zijn vader in het belang van [kind].

Het niet nakomen van een rechterlijke uitspraak kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd worden. Op partijen rust de plicht ook een tegen de wil van één der partijen doch in het belang van het kind vastgestelde omgangsregeling loyaal uit te voeren en daartoe de nodige voorbereidingen te treffen.

Ter terechtzitting van het hof heeft de getuige-deskundige drs. A. de Jong (GZ-psycholoog) verklaard dat de toepassing van dwang schadelijk zou zijn geweest voor [kind]. In de gegeven situatie en op die momenten, met name de eerste drie ontmoetingen, kon van verdachte niet gevergd worden dat zij haar kind zou meegeven aan vader. Verdachte heeft vanuit gedragsdeskundig opzicht terecht gekozen voor haar kind, aldus De Jong.

Het hof is van oordeel dat aan het puur op gedragskundige overwegingen berustende oordeel van deze getuige-deskundige geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht en dat meer gewicht moet worden toegekend aan het gegeven rechtsoordeel, temeer omdat daarbij - zoals aangegeven - ook het belang van het kind als uitgangspunt is genomen.

Dat de verklaring van verdachte steun vindt in de verklaring van de getuige-deskundige leidt niet tot de conclusie dat verdachte ook een gerechtvaardigd beroep kan doen op overmacht in de vorm van noodtoestand. De wil van een kind is niet bepalend voor het uitvoeren van een omgangsregeling. Het hof is van oordeel dat verdachte haar kind op de omgangsmomenten had moeten afgeven aan vader, desnoods tegen de wil van het kind. Bij het afwegen van bovengenoemde belangen heeft verdachte niet de juiste keuze gemaakt. Verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een zodanig conflict van plichten dat zij niet aan de rechterlijke uitspraak kon voldoen

Het beroep op overmacht wordt derhalve op beide onderdelen verworpen.

Noodweer(exces)
De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof subsidiair aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu zij heeft gehandeld uit noodweer(exces). Dit verweer wordt verworpen, omdat het hof uitgaat van de gang van zaken zoals hiervoor geschetst en er derhalve geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van in dit geval een anders lijf, te weten dat van [kind]. [vader] kwam in het kader van de omgangsregeling met recht en reden - en derhalve niet wederrechtelijk - zijn kind ophalen en ook is niet gebleken van enig fysiek ingrijpen van [vader] in de richting van [kind]. Om die reden mist het verweer feitelijke grondslag.

Het hof acht verdachte strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van haar destijds 9-jarige zoon [kind] aan het wettig gezag. Door de rechtens vastgestelde omgangsregeling niet na te leven heeft zij de vader het recht ontnomen om in een belangrijke levensfase van het kind een rol te spelen en een band met het kind op te bouwen.

Het hof heeft begrip voor het feit dat verdachte meende te handelen in het belang van haar kind, maar ze heeft daarbij een rechterlijke uitspraak welbewust genegeerd.

Voorts heeft het hof er rekening mee gehouden dat de omgangsproblemen een onderdeel zijn van een slepende echtscheidingsproblematiek, waarvoor beide ouders verantwoordelijkheid dragen.

Verder heeft het hof gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 14 september 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf van 60 uren passend en geboden is. In deze straf komt enerzijds het strafwaardige gedrag tot uitdrukking, maar anderzijds ook de bijzondere omstandigheden waarmee het hof rekening houdt. De voorwaardelijke straf dient ook als waarschuwing en als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: 
  • vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
  • verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
  • verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
  • veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;
  • beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier.

==================================

Overzicht van samenhangende artikelen bij Vaderkenniscentrum.nl:

Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep op 16 november 2010:
---------------------------------
Uitspraak Rechtbank Leeuwarden in eerste aanleg op 5 februari 2009:
---------------------------------
Vader Peter Brons wint Vaderdagtrofee m/v 2009 voor doorzettingsvermogen:
---------------------------------
Handreiking Vaderkenniscentrum voor de aangifte van onttrekking (Art. 279):
------------------------------------
Samenhangende berichten:
----------------------------------------
Mediaberichtgeving over civiele gijzeling in het familierecht: