Posts tonen met het label Ongehuwde vaders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ongehuwde vaders. Alle posts tonen

vrijdag, april 05, 2013

569. Oproep gesloten :: Ongehuwde vaders voor onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HVA)

  • Update 21 juni 2013: Deze oproep is gesloten als gevolg van voldoende aanmeldingen.

Beste vaders, professionals en vrijwilligers,

In het kader van een onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) in opdracht van het Vader Kennis Centrum (VKC) zijn wij op zoek naar vaders die ongehuwd zijn en geen geregistreerd partnerschap hebben, waardoor zij geen gezamenlijk gezag hadden of nog steeds niet hebben over hun kinderen. Daarnaast zijn wij ook op zoek naar professionals en/of vrijwilligers die te maken hebben met deze ongehuwde vaders.

In dit onderzoek zullen wij ons richten op ongehuwde vaders en de hulp- en dienstverlening aan ongehuwde vaders om van henzelf te horen welke problemen zij daarbij ervaren hebben of nog ervaren en welke gevolgen dit voor hen en hun kinderen met zich mee brengt of heeft gebracht.

Uit vooronderzoek is gebleken dat er weinig bekendheid onder vaders is met het fenomeen erkennen en gezag. Veel vaders zijn zich er niet van bewust dat na erkenning zij niet automatisch gezamenlijk gezag hebben over hun kinderen. Dit moet apart worden aangevraagd bij de griffie en het gezagsregister van de rechtbank met toestemming van moeder.

Voor dit onderzoek zijn wij op zoek naar vaders die in deze doelgroep vallen en het leuk vinden om hun ervaringen met ons te delen. Daarnaast is dit een oproep aan de professionals en/of vrijwilligers die te maken hebben met deze doelgroep, omdat een deel van dit onderzoek zich tevens richt op het aanbod aan hulp –en dienstverlening aan deze vaders.

Met dit onderzoek beogen wij inzicht te krijgen in de doelgroep en de hulp- en dienstverlening, zodat het vraag en aanbod beter op elkaar kan worden afgestemd en geen een kind meer de dupe hoeft te zijn van het uit elkaar gaan van de ongehuwde ouders.

Wilt u graag uw ervaringen delen, dan kunt u contact op nemen met het onderstaande e-mailadres (Update 21 juni 2013: De oproep is gesloten als gevolg van voldoende aanmeldingen).

Dus: Bent u ongehuwd, en nooit gehuwd geweest. En heeft u geen geregistreerd partnerschap of bent u dit nooit aangegaan. En heeft of had u ervaring met de knelpunten en problemen wanneer u geen gezamenlijk gezag over de kinderen bij de rechtbank heeft aangevraagd. Neem dan contact met ons op.

Anneke Kusters en Darshana Tjoen-A-Choy (Hogeschool van Amsterdam, Opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening)




woensdag, maart 14, 2012

378. Regeringsreactie op petitie «Knelpunten Jeugdzorg en scheidingsgezinnen» van Vader Kennis Centrum

Toelichting vooraf door Vader Kennis Centrum (VKC):

In onderstaande tekst is steeds de tekst van de staatssecretaris aangehouden en weergegeven. Waar VKC toch opmerkingen in de tekst heeft toegevoegd is dit ook nadrukkelijk aangegeven en is de VKC-tekst weergegeven in deze kleur blauw. Op een uitzondering na heeft VKC wel alle links in de tekst toegevoegd om voor de lezende ouder het lees- en zoekproces te vergemakkelijken.

31 839 JEUGDZORG - Nr. 141 - BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE
Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2011–2012, kst-31839-141 - ISSN 0921 - 7371, ’s-Gravenhage 2011

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 november 2011

Van de griffier van de algemene commissie Jeugdzorg ontving de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 29 maart 2011 het verzoek om een reactie op de brief van Vaderkenniscentrum/Stichting Kind en Omgangsrecht (VKC/SKO) te Utrecht d.d. 1 maart 2011 inzake de aangeboden petitie «Knelpunten Jeugdzorg en scheidingsgezinnen» van VKC/SKO d.d. 29 maart 2011. Omdat het onderwerp van de petitie vooral onder mijn verantwoordelijkheid valt, zal ik deze brief beantwoorden.

Dat doe ik aan de hand van de in de petitie aan de orde gestelde tien stellingen. Daarbij merk ik allereerst op dat de cijfermatige gegevens en aangegeven frequenties («meestal», «vaak») in de verschillende stellingen veelal niet worden herkend; deze worden ook niet onderbouwd. Op deze aspecten van de stellingen zal ik niet ingaan.

[Top]

1. Steeds meer kinderen hebben door achterlopende wetgeving alleen een moeder met ouderlijk gezag waardoor het kind in scheidingssituaties onnodig veel risico loopt de zorg en opvoeding van de vader te moeten gaan missen. Meer dan de helft van de clientèle van Jeugdzorg bestaat uit scheidingskinderen wonend bij de moeder.

Ingevolge artikel 1:252 BW kunnen (juridische) ouders die niet met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, gezamenlijk het gezag uitoefenen. De erkenner kan op eenvoudige wijze het gezag verkrijgen indien dit op gezamenlijk verzoek van de moeder en hem wordt aangetekend in het gezagsregister (artikel 1:252 BW). [1]

Weigert een moeder mee te werken, dan kan de vader een verzoek om gezamenlijk gezag indienen bij de rechtbank. Uitgangspunt is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Dat verzoek wordt daarom slechts afgewezen a. indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Artikel 1:253c BW, waarin dit is bepaald, is in februari 2009 na een uitvoerige discussie in het parlement inwerking getreden. Ik zie geen reden om een wetswijziging ter zake te initiëren.

[Top]

2. Er is een maatschappelijk verkeerd beeld van mishandelende ouders, waarbij de vader wordt beschouwd als de ouder die kinderen het vaakst mishandelt. Dit komt omdat in de media uitsluitend aandacht is voor zwaar fysiek geweld. De meeste mishandelingen, waaronder ook geestelijke mishandeling en verwaarlozing, vinden door moeders plaats.

De gebruikte definitie van kindermishandeling is genderneutraal. Onderzoek van de Universiteit Leiden uit 2007 naar de aard en omvang van kindermishandeling [2] wijst uit dat, kijkend naar de totale groep daders, de verhouding van mannelijke en vrouwelijke daders ongeveer gelijk is. Er zijn echter wel genderverschillen voor bepaalde vormen van kindermishandeling. Met name bij seksueel misbuik en in mindere mate bij fysieke mishandeling zijn de daders overwegend man respectievelijk in meerderheid man. Bij fysieke verwaarlozing gaat het veelal om vrouwen die de dader zijn.

De publiekscampagnes tegen kindermishandeling en huiselijk geweld die de afgelopen jaren zijn gevoerd, zijn genderneutraal opgesteld. In de campagnes tegen kindermishandeling, gestart in 2009, worden kinderen en omstanders centraal gesteld. Ouders komen in de filmpjes of op posters niet of nauwelijks in beeld. De campagnes tegen huiselijk geweld, gestart in 2007, zijn erop gericht daders, slachtoffers en omstanders van huiselijk geweld te stimuleren hulp te zoeken.

[Top]

3. Ouderverstoting en oudervervreemding worden niet als een vorm van geestelijke kindermishandeling beschouwd, noch in de toepassing van het strafrecht noch in de jeugdzorg dat veel moeders alleen maar ondersteunt in deze vorm van kindermishandeling.

De inzet van het strafrecht is voor zowel slachtoffers van kindermishandeling als de samenleving in zijn geheel van groot belang bij het tegengaan van kindermishandeling. Kindermishandeling wordt niet getolereerd. Het strafrechtelijk kader biedt voldoende aanknopingspunten om strafrechtelijk op te treden tegen kindermishandeling als dat aangewezen is.

Waar de aandacht naar uit moet gaan is het zichtbaar maken van de problematiek. We weten uit recent wetenschappelijk onderzoek dat er 119 000 kinderen op jaarbasis slachtoffer worden van kindermishandeling. [3] Slecht een klein deel hiervan is bekend bij de jeugdzorg of de politie. Met publiekscampagnes en de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wil ik, samen met de staatssecretaris van VWS, de meldingsbereidheid van burgers en professionals verhogen.

Het beeld als zouden in de jeugdzorg veel moeders worden ondersteund als het gaat om ouderverstoting en oudervervreemding, herken ik niet. Integendeel, in scheidingssituaties wordt zoveel mogelijk getracht om een brug te vormen tussen het kind en de andere ouder. Wanneer dat aan de orde is, kan de rechter worden gevraagd het kind onder toezicht te stellen.

[Top]

4. Er zijn geen expliciete en objectieve criteria in de Wet rond de toekenning, instandhouding en effectuering van omgang als specifieke invullingsvorm van de wettelijke verdeling van zorg- en opvoedtaken tussen de beide ouders na een scheiding in het zogenaamde ouderschapsplan. «In het belang van het kind» wordt te vaak vertaald naar «in het belang van moeder». Dat is maar al te vaak juist niet in het belang van het kind.

5. Bij Bureaus Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming en binnen het familierecht wordt niet aan waarheidsvinding gedaan. Beslissingen worden genomen op basis van onderbuikgevoelens, leugens en achterklap.

De rechter beoordeelt een verzoek van een ouder tot een verdeling van de zorg- en opvoedtaken of tot vaststelling van een omgangsregeling inderdaad aan de hand van het belang van het kind. Dat geeft hem de ruimte om alle omstandigheden van het geval bij zijn uitspraak in aanmerking te nemen. Een verzoek inzake een tijdelijk verbod aan een ouder om contact te hebben met het kind, of met betrekking tot een ontzegging van het recht op omgang met het kind, kan slechts worden uitgesproken wanneer is voldaan aan de hand van de criteria genoemd in artikel 377a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze criteria zijn streng: vanwege een ernstig nadeel voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; omdat de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot contact of omgang; omdat het kind van twaalf jaar of ouder bij zijn verhoor van ernstige bezwaren heeft doen blijken tegen contact of omgang; omdat contact of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Als de rechter de Raad voor de Kinderbescherming om advies vraagt ter zake, doet deze onderzoek. Het onderzoek van de Raad richt zich op de vraag of contact of omgang met de andere ouder inderdaad een (onoverkomelijke) belemmering is voor de ontwikkeling van het kind. Dat gebeurt op basis van informatie afkomstig van ouders, het kind en andere informanten. In een multidisciplinair overleg wordt vastgesteld welke bronnen (nog) moeten worden geraadpleegd om conclusies te onderbouwen of om een bewering te verifiëren. De Raad heeft daarin een actieve houding, met name als een verklaring belangrijk wordt geacht om daarmee een bepaald advies zo goed mogelijk te onderbouwen. Wanneer dat opportuun wordt geacht, schakelt de Raad een externe deskundige in. [4] Gezien de vaak persoonlijke motieven die ten grondslag liggen aan meldingen, worden deze zo objectief mogelijk getoetst.

[Top]

6. Er is daarbij een groeiende groep van calculerende moeders die met valse beschuldigingen van incest en/of mishandeling en met hulp van instellingen en kwakzalvers de kinderen hun vader ontnemen hetgeen zelfs vaak door de overheid wordt gefinancierd middels rechtsbijstand.

Echtscheidingen kunnen helaas gepaard gaan met conflicten over de kinderen. Willens en wetens de andere partner onterecht beschuldigen van misbruik of mishandeling van het kind vormt daarin een zeer verstrekkende vorm. Het spreekt voor zich dat hiertegen moet worden opgetreden. De wetgever heeft het doen van valse aangifte strafbaar gesteld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.

Zowel politie als Openbaar Ministerie is getraind om op professionele wijze om te gaan met deze problematiek, daarbij rekening houdend met het onderscheid tussen onjuiste en bewust onjuiste (valse) aangiften. Het belang van waarheidsvinding staat voorop.

De politie neemt elke aangever/-ster serieus. Sinds 2007 is met name rond de be- en afhandeling van zedenzaken de regelgeving verder aangescherpt en worden er kwaliteitseisen gesteld aan de zedenrechercheur en de inrichting van het onderzoek. Onder meer bij het opnemen van de aangifte en de intake is er een kwaliteitsslag gemaakt. Ook bij niet-zedenzaken wordt hieromtrent zorgvuldig gehandeld en wordt bij een indicatie van een «valse» aangifte nader onderzoek gedaan. Ik herken de situatie als weergegeven in de stelling niet.

De Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (de «zedenaanwijzing») van het Openbaar Ministerie bevat regels met betrekking tot de opsporing en vervolging van seksueel misbruik waarbij de aangever en verdachte elkaar al dan niet kennen. In deze aanwijzing is neergelegd dat het aanbeveling verdient om zaken waarin sprake is van beschuldiging van seksueel misbruik van (een) kind(eren), na of tijdens een scheidingsprocedure, waarbij de ene ouder de andere beschuldigt en er problemen zijn in de omgangsregeling, voor te leggen aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ). De LEBZ is een multidisciplinair samengestelde groep deskundigen die door de officier van justitie kan worden ingeschakeld om in een relatief vroeg stadium de waarheidsgetrouwheid van bepaalde operationele zedenzaken te beoordelen. Er is geen intentie de taken van het LEBZ uit te breiden met kindermishandelingszaken, dan wel een nieuwe expertisegroep daarvoor op te richten. In de huidige werkprocessen van politie en Openbaar Ministerie wordt reeds voldoende rekening gehouden met de mogelijkheid van bewust onjuiste aangiften. Bovendien is niet gebleken dat er een stijging is van valse aangiften van kindermishandeling.

[Top]

7. Zorgmeldingen van vaders worden door Jeugdzorg vaak terzijde gelegd.

Iedereen moet melding kunnen doen bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en elke melding moet serieus worden opgepakt, ook wanneer deze afkomstig is van vaders die zich zorgen maken over het welzijn van hun kind(eren). Ik heb naar aanleiding van deze stelling Jeugdzorg Nederland hierover benaderd. Toegelicht is dat AMK’s na melding altijd nader onderzoek verrichten. Pas daarna wordt op basis van de uitkomsten van het onderzoek een besluit over het vervolg genomen. Dit geldt voor alle meldingen die binnenkomen bij het AMK, ongeacht de bron van de melding.

[Top]

8. Kinderen worden in sommige provincies onnodig uithuis geplaatst (UHP). De kans op een UHP varieert per provincie tussen de 25 en 80%. Er zijn perverse financiële prikkels in de Jeugdzorg die daarbij een rol spelen.

De jeugdbescherming die door de bureaus jeugdzorg wordt uitgevoerd (gezinsvoogdij) is er op gericht om de veiligheidsrisico’s voor kinderen zoveel mogelijk te beperken. Pas als een onder toezicht gesteld kind naar de opvatting van het bureau jeugdzorg niet meer veilig is thuis wordt een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd. Bij deze beslissing wordt een zorgvuldige afweging gemaakt binnen het bureau jeugdzorg waarbij meerdere deskundigen zijn betrokken. Er zijn voor zover bekend geen significante verschillen tussen het aantal uithuisplaatsingen per provincie. Mogelijke verschillen kunnen te maken hebben met verschillen in de bevolkingssamenstelling in de provincies. Er is ook geen financiële prikkel voor een bureau jeugdzorg om tot machtiging uithuisplaatsing aan te vragen. De bureaus jeugdzorg worden niet gefinancierd op basis van het aantal uithuisplaatsingen, maar op basis van het aantal ondertoezichtstellingen. Er is geen financiële relatie tussen het aantal uithuisplaatsingen en de financiering van de jeugdbescherming. In de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) is een strikte scheiding aangebracht tussen de instantie die indiceert voor een uithuisplaatsing (bureau jeugdzorg, waaronder de jeugdbescherming) en de instantie die de uithuisplaatsing uitvoert (de zorgaanbieder).

[Top]

9. Als kinderen een UHP krijgen is dat meestal vanuit een situatie dat het kind alleen met zijn moeder woont. Er wordt niet gekeken of het kind beter bij vader af is maar het kind wordt bijna altijd direct bij pleegouders of in een tehuis gestopt.

De jeugdzorg is een sector waarbinnen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt met vaak verstrekkende gevolgen voor ouders en kinderen. Een jeugdbeschermingsmaatregel is een vergaande maatregel die diep ingrijpt in het leven van ouder en kind. Dit vergt een uiterst zorgvuldige beoordeling, waarbij het belang van het kind voorop staat. Uiteraard is het aan de rechter om op basis van alle feiten en omstandigheden een afweging te maken. Bij deze belangenafweging spelen aspecten als family life (EVRM, artikel 8) en de eventuele noodzaak van inmenging hierin een belangrijke rol. Ook de rechten van andere belanghebbenden zoals pleegouders en het ontstaan van family life tussen de pleegouder en het pleegkind komen in deze afweging aan de orde. In iedere individuele zaak moeten al deze verschillende belangen steeds worden gewogen.

Het kader waarbinnen de rechter opereert schrijft voor dat het belang van het kind de doorslag geeft, ook als dat strijdig is met de belangen van ouders, pleegouders of andere betrokkenen.

[Top]

10. Het klachtinstrument binnen Jeugdzorg is niet effectief.

In de Wet op de jeugdzorg (Wjz) is een hoofdstuk over het klachtrecht opgenomen (artikel 68 e.v.). Elk bureau jeugdzorg moet een regeling opstellen voor de behandeling van klachten over gedragingen van zijn medewerkers. In deze klachtregeling moet in ieder geval worden opgenomen dat een klachtencommissie die de klacht behandelt, bestaat uit drie personen die niet werkzaam zijn voor of bij het bureau jeugdzorg. De klachtencommissie stelt de klager schriftelijk in kennis van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen. Het bureau jeugdzorg deelt de klager en de klachtencommissie schriftelijk mee of hij het oordeel van de commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. In zijn «klachtenjaarverslag» moet het bureau jeugdzorg onder meer de strekking van de oordelen en aanbevelingen van de klachtencommissie aangeven.

Men kan een klacht indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming over de wijze waarop een raadsonderzoek is uitgevoerd, waarop een rapport tot stand is gekomen en waarop een medewerker van de Raad zich tegenover klager heeft gedragen. Een klacht over een medewerker kan worden ingediend bij de directeur van de regio van de Raad waar de betrokken medewerker werkt. Die nodigt klager uit voor een gesprek. Als hij het helemaal of gedeeltelijk eens is met de klacht, dan laat hij klager weten of hij gevolgen aan zijn beslissing verbindt en welke dat dan zijn. Wanneer de directeur beslist dat de klacht (of een onderdeel ervan) ongegrond is, kan de externe klachtencommissie om een oordeel worden gevraagd. Ingevolge het Besluit externe klachtencommissie raad voor de kinderbescherming (Stbl. 2006, 402) bestaat de klachtencommissie uit drie leden. De voorzitter is afkomstig uit de rechterlijke macht. De andere leden zijn deskundig op het terrein van het jeugdwelzijn en de jeugdbescherming. De klachtencommissie is onafhankelijk: de leden zijn niet in dienst van de Raad. Ze zijn benoemd door de minister van Veiligheid en Justitie. De externe klachtencommissie stuurt een afschrift van haar bevindingen naar de minister van Veiligheid en Justitie en naar de Raad voor de Kinderbescherming. Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, deelt de Raad aan klager mee of en zo ja, welke gevolgen de Raad hieraan binnen de organisatie verbindt. Een afschrift van deze mededeling wordt aan de externe klachtencommissie gestuurd. De Raad draagt zorg voor registratie van de bij de externe klachtencommissie ingediende klachten en van de bevindingen en het oordeel van de klachtencommissie. De geregistreerde klachten en de hiervoor besproken gevolgen die daaraan worden verbonden, worden jaarlijks in geanonimiseerde vorm gepubliceerd (Toevoeging door Vader Kennis Centrum (VKC): Zie RvdK 2010, 2011). Wanneer de klacht van de klager niet gegrond wordt bevonden, kan deze zich wenden tot de Nationale ombudsman.

Met het voorgaande mag ervan worden uitgegaan dat de effectiviteit van de behandeling van klachten bij bureau jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming voldoende is geborgd.

Ik vertrouw erop uw Kamer hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
F. Teeven

[Top]

Voetnoten

[1] Ouders vragen daartoe een formulier op bij de griffie van de rechtbank of bij de gemeente. Dit leveren zij ingevuld weer in bij de rechtbank (voorheen kantongerecht), samen met een aantal bewijsstukken. Is aan alle voorwaarden voldaan dan maakt de griffier een aantekening in het gezagsregister. Vanaf dat moment zijn beide ouders gezamenlijk verantwoordelijk voor het kind. Afschrift wordt naar de gemeente verstuurd die hiervan aantekening maakt in het GBA. (Toegevoegde opmerking door Vader Kennis Centrum (VKC): Zie hiervoor echter het ‘Verzoek Gezamenlijk gezag’ op Overheid.nl, waar (a) het daar vermelde aanvraagformulier d.d. 21 maart 2012 niet meer oproepbaar blijkt door een broken link naar Rechtspraak.nl, terwijl (b) het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan de ongehuwde of niet-geregistreerde ouders die dit betreft ook nog steeds een uiterst gecompliceerde en verwarrende overheidsuitleg geeft.  Gebrekkige overheidscommunicatie waarop nu door VKC meer dan afdoende werd gewezen zonder dat dit tot op heden d.d. 21 maart 2012 tot enige verbetering voor burgers heeft geleid.)
[4] Dat geschiedt conform de Richtlijn voor het laten verrichten van extern onderzoek (oud bijlage 3 van Normen 2000), waarvan de geldigheidsduur in 2010 (wederom) is verlengd tot 31 december 2012. (Toegevoegde opmerking door Vader Kennis Centrum (VKC): Zie hierover echter ook de voor cliënten nog steeds uiterst warrige, verwarrende en misleidende overheidscommunicatie door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en haar organen bij a. RvdK en b. KOG-correspondentie met RvdK waarop nu zowel door KOG als VKC meer dan afdoende werd gewezen zonder dat dit tot op heden d.d. 21 maart 2012 tot enige verbetering voor burgers heeft geleid.)

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 839, nr. 141 6

maandag, december 10, 2007

177. Comité Vaders willen ouderlijk gezag

Gerelateerd artikel:
Radio 1 Interview met vader, schrijver, regisseur en acteur Ab Gietelink
Vaderkenniscentrum - VKC: 468; 3 april 2010
http://vaderkenniscentrum.blogspot.com/2010/04/456.html

Ongehuwde vader rechteloos
Bron: Parool, Ab Gietelink, 29 November 2001
http://www.abgietelink.nl/Kern/Menu/Artikelen/OUDERLIJ.htm

Het comité "Vaders willen ouderlijk gezag" heeft onlangs regering en Kamer nieuwe voorstel­len gepresenteerd om de mogelijkheden en informatie over het onderwerp "ouderlijk gezag voor ongetrouwde vaders" beter te regelen

Het drama voltrekt zich maatschappelijk als volgt. Een kersverse ongetrouwde vader gaat na de geboorte van zijn kind naar het gemeentehuis zijn zoon/dochter aangeven en erkennen. Hij krijgt een indrukwekkende geboorteakte mee waarin het kind zijn naam krijgt en waarin de naam en personalia van de vader minstens drie keer voorkomen. Hij vraagt zich gegeneerd af of de moeder wel voldoende rechten heeft. Hij vraagt de geboorte-ambtenaar nog of alles nu geregeld is, waarop deze hem vriendelijk gerustgesteld. Hij gaat trots en tevreden naar huis.

Enkele jaren later na de scheiding komt de ontnuchterende werkelijkheid. Zijn kind wordt hem pardoes afgenomen. De geboorteakte blijkt een misleidend stuk papier. De moeder heeft het ouderlijk gezag en de onwetende vader had en heeft niets te zeggen over zijn eigen kinde­ren.

De wetgever heeft de afgelopen jaren een belangrijke emancipatoire stap gezet door getrouw­de vaders bij scheiding hun ouderlijk gezag te laten behouden. Deze gelijkwaardigheid tussen man en vrouw in hun relatie naar het kind is redelijk en kan veel scheidingsleed voorkomen. De wetgever heeft daarbij verzuimd "ouderlijk gezag" voor een groeiende groep moderne ouders voldoende te regelen: namelijk ongetrouwde ouders.

In feite is de positie van ongetrouwde vaders ernstig verzwakt door een wetdswijziging warin het fenomeen "toeziend voogd"en "automatische vaderlijke naamgeving" zijn afgeschaft, waardoor het emancipatieproces van vaders in de prive-sfeer schade heeft ondervonden..

Het ontberen van ouderlijk gezag leid bij een "slechte scheiding" tot dramatische toestanden, waarbij het standaardpatroon is dat de moeder het kind naar zich toetrekt en inzet als machts­middel in de scheiding. De vader zal aan haar "eisen" moeten toegeven danwel zijn kind definitief verliezen. Het hoeft geen vertoog dat deze strijd zeer schadelijk is voor de ontwikke­ling van het kind.

Hoewel een aantal moeders "het afnemen van of chanteren met het kind" proberen te legitime­ren met een verwijzing naar het belang van het kind, wordt hun monopolie op het ouderlijk gezag in de praktijk een chantage-instrument in de strijd over het huis, het geld of domweg wraak op de gebroken relatie en vernedering van de ex-partner.

De vader zonder ouderlijk gezag is na de "slechte scheiding" in een onmogelijke positie gebracht. De moeder kan geheel legaal iedere omgang verbieden. De vader wordt gedwongen naar de rechter te gaan. Zijn verzoek tot co-ouderschap wordt niet eens ontvankelijk verklaard. Hij kan tot troost een "omgangsregeling" vragen. In de praktijk is het natuurlijk een zware stap om de moeder van je kind voor de rechter te slepen en bij juridische stappen moet de vader maanden wachten. De moeder heeft vervolgens allerlei middelen tot obstructie en vertraging, door bijvoorbeeld de kinderbescherming te vragen om een onderzoek. In de praktijk duurt het herstel van de omgang gauw een half jaar en soms meer. De vader gaat door een hel en de relatie met zijn kind kan dramatisch verslechteren, met het gevaar dat die nooit meer goed komt. Zelfs wanneer de omgangsregeling is vastgesteld blijft de positie van de vader zwak. Hij zal zich moeten schikken in de grillen van zijn ex-partner of dreigt zijn kind te verliezen. Het verlenen van ouderlijk gezag aan ongetrouwde vaders schept gelijkwaardig­heid, dwingt de moeder juridisch en psychologisch zijn positie te respecteren en kan veel dramatisch leed voorkomen.

Weliswaar hebben ongetrouwde ouders de mogelijkheid om bij de geboorte van hun kind gezamenlijk ouderlijk gezag bij de kantonrechter te vragen. Zeer weinig ongetrouwde ouders zijn daarvan echter op de hoogte. De wetgever vraagt hen impliciet reeds voor de geboorte van hun kind naar de rechter te stappen en dat schrikt af. De meeste vaders zijn begrijpelijkerwijze optimistisch en hebben vertrouwen in hun partner. Zij kunnen zich niet voorstellen dat de moeder hun kind zou willen afnemen.

In veel gevallen is dat ook terecht, de ouders komen in samenspraak uit hun scheidingsperike­len zonder dat de vader-kindrelatie slachtoffer wordt. In naar schatting ongeveer de helft van de "scheidingen" is dat niet het geval en veroorzaakt de volstrekt scheve machtsrelatie een dramatische crisis. Het verlenen van ouderlijk gezag aan ongetrouwde vaders schept gelij­kwaardigheid, dwingt de moeder juridisch en psychologisch zijn positie te respecteren en kan veel dramatisch leed voorkomen.

Het comité "vaders willen ouderlijk gezag" heeft de minister en Kamercommissie van Justitie voorgesteld de erkenning en "echting van het kind te koppelen aan het ouderlijk gezag. Een vader die zijn kind erkent en "echt", geeft daarmee aan dat hij de verantwoordelijkheid voor de toekomst van zijn kind op zich neemt en dient ten opzichte van de moeder en zijn kind het ouderlijk gezag te verkrijgen. Mocht de kamer moeite hebben met die automatische koppe­ling, dan dient in ieder geval de ambtenaar van het geboorteregister verplicht te worden de vraag over het ouderlijk gezag middels een apart formulier bij de aangifte van het kind te regelen, zodat beide ouders weten wat hun rechten en plichten zijn.

Tenslotte dient het voor ongetrouwde vaders ook na een scheiding en zonder instemming van de moeder in principe mogelijk te worden co-ouderschap te verkrijgen. Op dit moment wordt een juridisch verzoek tot ouderlijk gezag zonder instemming van de moeder niet eens in behandeling genomen. Overigens kan bij "gezamenlijk ouderlijk gezag" het kind nog steeds aan de moeder worden toegewezen, waarmee zij de dagelijkse voogdij heeft. Het betekent alleen dat de moeder het kind niet meer kan afnemen en dat zij voor belangrijke besluiten over het kind tevens de instemming van de vader moet hebben. Het garandeert de gelijkwaardig­heid van de ouders naar het kind toe en vermijd dat de een, de ander chanteert, onder curatele plaatst of op kan zadelen met absurde en vernederende eisen. Tenslotte is co-ouderschap de beste garantie om de voortgang van de omgang tussen vader en kind te beschermen en te vermijden dat de vader buiten spel wordt gezet.

Ab Gietelink is theater-auteur/ regisseur en lid van het comité "Vaders willen ouderlijk gezag"
Parool: 29 November 2001

maandag, juli 02, 2007

156. Het onderscheid vervaagt - Stand van het land: de seksen (Maandagbijlage van de Volkskrant van 25 juni 2007 onder redactie van Dorien Pessers)

De Volkskrantbijlage van maandag 25 juni 2007 kreeg als titel mee "Het onderscheid vervaagt. Stand van het land: de seksen" en stond onder redactie van Dorien Pessers, in 1987 een van de oprichters van het Clara Wichmann instituut en momenteel ondermeer hoogleraar rechtstheorie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

Klik op het plaatje voor een eenmalige vergrote weergave van het artikel.

In haar redactionele artikel spreekt Dorien Pessers zorg uit over een aantal maatschappelijke ontwikkelingen en uitwassen die het gevolg zijn van een doorgeschoten feminisme.

1. Achterblijvende leerprestaties van jongens in het onderwijs
In aansluiting op rector magnificus Steven Lamberts van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) in zijn Dies Natalis rede van 2005 spreekt nu ook Dorien Pessers haar grote zorg uit over de achterblijvende leerprestaties van jongens in het gefeminiseerde onderwijs.

Dorien Pessers schrijft: "De socialisering van jongens is tot aan hun volwassenheid vooral in handen van vrouwen gekomen. Vrouwen ontkennen liever het driftleven van jongens dan dat zij hun leren hun driften te beheersen en te sublimeren. Vrouwen begeleiden leerlingen liever dan dat zij deze krachtig leiden. De omstreden onderwijsmethode van het nieuwe leren -waarin het autoritaire docent-leerlingmodel is afgeschaft ten behoeve van een horizontaal model van coaching- zijn typisch vrouwelijke methoden. Het wekt daarom geen verbazing dat steeds minder mannen in het onderwijs willen werken. Dat de schoolprestaties van jongens achterblijven bij die van meisjes, en dat ook steeds minder jongens voor exacte vakken kiezen, kan mede verklaard worden door hun socialisering in een gefeminiseerd onderwijssysteem."

2. Doorgeschoten familierecht ten gunste van vrouwen in de private sfeer
Al veel eerder in haar opinieartikel "Big mother - Vaders doen er niet toe, kinderen zijn de dupe: de macht van moeders is grenzeloos" in NRC Handelsblad van 20 december 2003 sprak Dorien Pessers grote zorg uit over het doorgeschoten familierecht.

Dorien Pessers schreef toen: "Vrouwen beslissen van wie ze kinderen willen krijgen en of ze nog iets met de verwekker te maken willen hebben. Het doorgeschoten familierecht richt zich niet meer op gezinnen maar op individuen, ten koste van vaders en vooral kinderen.

In het familierecht van veel Europese landen hebben zich in de afgelopen vijfentwintig jaar revolutionaire veranderingen voltrokken. Niet het klassieke heteroseksuele gezin is nog de hoeksteen van het familierecht, maar het individu dat naar eigen seksuele en morele voorkeur bepaalt of en hoe het een gezin zal stichten: heteroseksueel of homoseksueel, biologisch of kunstmatig, tijdelijk of duurzaam. Door de opmerkelijke snelheid van de veranderingen ontstaat de indruk dat er van maatschappelijke consensus sprake was. Die indruk is onjuist. Het was vooral - in de woorden van de Franse sociologe Evelyne Sullerot - de ,,bulldozergeneratie van `68'' die, eenmaal aan de macht, deze veranderingen wist af te dwingen. Deze generatie gaf blijk van een aversie tegen het traditionele gezin, dat onderdrukkend voor vrouwen en kinderen, reactionair en `systeembevestigend' werd gevonden. Niet het verschil, maar de gelijkheid tussen de seksen zou uitgangspunt van het familierecht moeten worden. Niet institutionele dwang, maar persoonlijke keuzevrijheid, niet onmondigheid, maar mondigheid van kinderen. Persoonlijke, seksuele en relationele zelfbeschikking werden de nieuwe beginselen van het familierecht.

In Nederland vond de ik-generatie vooral in D66 een politieke partij die van individuele zelfbeschikking haar pointe d'honneur maakte. Buiten het parlement was het de rechterlijke macht die voor de `doorbraakjurisprudentie' zorgde. Het rechtspolitiek activisme ging gepaard met dédain voor degenen die zich op het traditionele, op bloedverwantschap gebaseerde, gezin beriepen. Niet de bloedband, maar liefde en verantwoordelijkheid maakten iemand tot ouder. Ook mocht nauwelijks worden gewezen op het belang van vaders voor de socialisatie van kinderen; dat zou een verkapt pleidooi voor herstel van het patriarchale gezin inhouden. Hetzelfde gold voor het belang van het kind: ook dat werd als een heimelijk reactionair argument afgedaan. Zelfs een beroep op het belang van het gezin als zodanig werd als not done beschouwd. Kortom, elk belang dat het individu in zijn vrijheid zou beperken, werd als niet terzake doende van tafel geveegd.

Aldus werd het familierecht gedemonteerd en aangepast aan de verlangens van seksuele en relationele zelfbeschikkers. Van de institutionaliserende en symboliserende functie van het familierecht is weinig over. Steeds meer lijkt het familierecht op een gereedschapskist waarmee burgers - mede dankzij de medische biotechnologie - hun eigen verwantschapsrelaties en stambomen in elkaar kunnen knutselen.

Tot een jaar of vijfentwintig geleden was de kern van het familierecht het huwelijk. Antropologisch gezien een buitengewoon intelligent instituut. Het huwelijk smeedt immers niet alleen, via een horizontale as, een man en vrouw aaneen (en daarmee twee families), maar ook, via een verticale afstammingsas, de generaties. Huwelijk en afstamming hangen dus onverbrekelijk samen. Kinderen worden vanaf hun geboorte ingevoegd in een duurzaam en genealogisch verband dat identiteit, veiligheid en zekerheid verschaft. Dit genealogische systeem is een referentiesysteem, dat het leven van het kind in een - zowel naar het verleden als naar de toekomst gericht - tijdsperspectief plaatst. Het bestaan van het kind verwijst naar het leven van zijn voorouders, zijn ouders en naar zijn eigen plaats in de keten van generaties.

In het nieuwe familierecht ontbreekt de aandacht voor dit institutionele karakter van het huwelijk, dat zo bevorderlijk is voor de onvoorwaardelijke invoeging van kinderen, voor hun identiteit en voor de familiale cohesie. Huwelijkse en niet-huwelijkse vormen van ouderschap zijn vrijwel aan elkaar gelijk gesteld.

Deze juridische gelijkwaardigheid kan echter niet verhullen dat grote ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, tussen vaders en moeders, en tussen kinderen is ontstaan. Het is de zelfbeschikkende moeder die bepaalt of en zo ja onder welke voorwaarden zij een man zal toelaten tot het vaderschap. Kiest zij voor een vaste relatie met een man en staat zij toe dat hij het kind erkent? Of kiest zij voor een one night stand in de hoop dat daaruit een kind zal worden geboren? Kiest zij voor een relatie met een vrouw met wie zij door middel van spermadonatie een kind krijgt? Staat zij toe dat haar vriendin het kind adopteert? Of kiest zij ervoor alleen een kind te krijgen, van een anonieme spermadonor, of van een bekende spermadonor, aan wie zij nu en dan omgang met het kind toestaat? In het nieuwe familierecht lijkt de macht van de ongehuwde moeder grenzeloos.

Buiten het huwelijk is er geen man die vanzelfsprekend de juridische vader wordt over het kind dat hij heeft verwekt. Zelfs niet nu dankzij DNA-onderzoek het biologische vaderschap met honderd procent zekerheid is vast te stellen. Sterker nog, op hetzelfde moment is sprake van een bizarre fragmentatie van het vaderschap. Het familierecht kent inmiddels twaalf categorieën vaders: de biologische, de sociale, de juridische vader; de stiefvader, de adoptievader, de stiefouderadoptievader; de verwekker, de verwekker die als partner toestemming heeft gegeven voor kunstmatige inseminatie; de anonieme spermadonor, de bekende spermadonor, de goed bekende spermadonor; en ten slotte de dode vader met wiens ingevroren sperma post mortem een kind is verwekt."

De zorg van Dorien Pessers over een volstrekt ten gunste van vrouwen doorgeschoten matriarchaal familierecht is niet verdwenen. Nu schrijft zij: "Was de gezinssfeer altijd al de plaats waar vrouwen de feitelijke macht konden uitoefenen, inmiddels hebben zij daartoe ook de juridische mogelijkheden. Echtscheiding wordt in veruit de meeste gevallen door vrouwen aangevraagd. De kinderen worden in de meeste gevallen aan de moeders toegewezen. Buiten het huwelijk bepalen vrouwen wie zich de vader van hun kind mag noemen, als zij al een vader voor hun kind wensen. De angst van mannen om hun kinderen te verliezen als zij door hun vrouw worden verlaten, leidt niet zelden tot een welhaast vrouwelijke inschikkelijkheid bij mannen."

3. Geseksualiseerde cultuur in de publieke ruimte waarin seksualiteit en voortplanting ontkoppelt zijn
Ook de ontkoppeling van voortplanting en seksualiteit en de uitwassen daarvan in de cultuur en de publieke ruimte ontmoeten bij Dorien Pessers terecht veel kritiek.

Zij schrijft daarover: "De ontkoppeling van voortplanting van seksualiteit heeft ook voor vrouwen de rol van seksualiteit veranderd en tot een zelfstandige bron van lust en plezier gemaakt. De seksualisering van onze cultuur wordt zeker niet alleen door mannen veroorzaakt. Vrouwen blijken als producent en consument van harte deel te nemen aan de pornocultuur, vaak zelfs zo platvloers dat de Amerikaanse journaliste Ariel Levy van female chauvinist pigs spreekt."

Zie ook:



vrijdag, februari 17, 2006

51. Nederlandse mannen en vrouwen hebben in meerderheid schoon genoeg van elkaar

Vooral mannen wonen steeds meer alleen

De laatste jaren stijgt het aandeel personen dat zonder partner woont gestaag meldt het CBS afgelopen maandag. Inmiddels woont één op de vier mannen van 18–62 jaar niet samen met een partner en heeft ook geen relatie. Voor vrouwen is dit één op de vijf. Mannen van 18–62 jaar wonen ook vaker alleen dan vrouwen. Dit komt vooral omdat vrouwen vaker alleenstaande ouder (394 duizend) zijn. Na een echtscheiding blijven de kinderen doorgaans bij de moeder wonen. Inmiddels woont eenderde van alle 18–62-jarigen zonder partner.

Peter Tromp
Fathercare Kenniscentrum Nederland

Meer mensen wonen zonder partner
CBS Webmagazine; Maandag 13 februari 2006 10:00

De laatste jaren stijgt het aandeel personen dat zonder partner woont gestaag. Inmiddels woont één op de vier mannen van 18–62 jaar niet samen met een partner en heeft ook geen relatie. Voor vrouwen is dit één op de vijf.

Eenderde 18–62-jarigen woont zonder partner

In 2005 waren er 3,3 miljoen personen van 18–62 jaar die zonder partner woonden. Dit is een derde van het totale aantal personen van die leeftijd. Het betreft alleenstaanden (1,6 miljoen) en thuiswonende kinderen (1,1 miljoen), alleenstaande ouders (394 duizend) en personen die als overig lid deel uitmaken van een meerpersoonshuishouden (178 duizend).

Zonder partner

Mannen van 18–62 jaar wonen vaker zonder partner dan vrouwen. Dit komt vooral omdat er meer alleenstaande mannen zijn dan alleenstaande vrouwen. Verder wonen meer mannen dan vrouwen nog bij hun ouders. Jongens verlaten namelijk gemiddeld op latere leeftijd het ouderlijk huis dan meisjes. Vrouwen zijn vaker alleenstaande ouder. Na een echtscheiding blijven de kinderen doorgaans bij de moeder wonen.

Personen (18–62 jaar) die zonder partner wonen

Alleen blijven of relatie
Uit onderzoek blijkt dat vier op de tien 18–24-jarige mannen die zonder partner wonen een vaste relatie hebben. Nog eens ruim vier op de tien willen graag een vaste relatie. Voor 45–62-jarige mannen is dit beeld anders: van hen willen zes op de tien (voorlopig) geen vaste relatie.

Het beeld onder 18–24-jarigen is voor vrouwen ongeveer gelijk aan dat voor mannen: ruim 80 procent heeft of wil een vaste relatie. Van de 45–62-jarige vrouwen wil twee derde (voorlopig) geen vaste partner.

Personen (18–62 jaar) die zonder partner wonen naar relatiewens, 2003

Relatieverleden
Mannen die ooit gehuwd zijn geweest, hebben of willen vaker een vaste relatie dan vrouwen die gehuwd zijn geweest. Deze vrouwen willen bijna twee keer zo vaak definitief geen vaste relatie als mannen.

Voor degenen die nooit getrouwd zijn geweest, geldt het tegenovergestelde: ongehuwde vrouwen hebben vaker een vaste relatie dan ongehuwde mannen. Ongehuwde mannen willen bovendien vaker definitief geen vaste relatie dan ongehuwde vrouwen

Personen (45–62 jaar) die zonder partner wonen naar relatiewens, 2003

Definitief alleen
Van de vrouwen die definitief geen vaste relatie willen en in het verleden getrouwd zijn geweest, geeft ruim de helft aan dat een relatie veel problemen geeft en dat de slechte ervaringen uit vorige relaties een rol hebben gespeeld in de keuze om alleen te blijven. Iets minder dan de helft van deze vrouwen heeft geen hoge verwachtingen van relaties.
Ruim acht op de tien vrouwen met kinderen zeggen geen vaste relatie meer te willen hebben. Zij blijven liever alleen met de kinderen.

Arie de Graaf en Suzanne Loozen

Uit de media:

Vrouw is de man beu
Algemeen Dagblad- 13 feb 2006
ROTTERDAM - Het CBS meldt dat tweederde van de vrouwen tussen de 45 en 62 jaar helemaal geen vaste relatie meer wil. Bij vrouwen ...

Demografie / Alleenstaande wordt de nieuwe ’hoeksteen’
Trouw- 13 feb 2006
... de Statistiek. ,,De individualisering in de zin van alleen wonen neemt toe”, zegt prof. Jan Latte van het CBS. Hij schetst een ...

Meer mannen wonen alleen dan vrouwen
BNR Nieuwsradio- 13 feb 2006
... Statistiek. Volgens het CBS komt dit omdat er meer alleenstaande mannen zijn en omdat mannen langer bij hun ouders blijven wonen. ...

Meer mannen dan vrouwen leven alleen
RTL Z- 13 feb 2006
Eén op de vier mannen woont zonder partner tegenover één op de vijf vrouwen. Volgens het CBS blijven mannen langer bij hun ouders wonen. ...

Meer mannen dan vrouwen leven alleen
RTL Nieuws- 13 feb 2006
Eén op de vier mannen woont zonder partner tegenover één op de vijf vrouwen. Volgens het CBS blijven mannen langer bij hun ouders wonen. ...

Meer mannen wonen alleen dan vrouwen
Algemeen Dagblad- 13 feb 2006
... Statistiek. Volgens het CBS komt dit omdat er meer alleenstaande mannen zijn en omdat mannen langer bij hun ouders blijven wonen. ...

Meer mannen dan vrouwen leven alleen
RTL Nieuws- 13 feb 2006
Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). ... Volgens het CBS blijven mannen langer bij hun ouders wonen. Vrouwen verlaten het ouderlijk huis eerder. ...

Meer mannen wonen alleen dan vrouwen
Volkskrant- 13 feb 2006
Een op de vier mannen woont zonder partner tegenover een op de vijf vrouwen. Dit blijkt maandag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). ...

Meer mannen wonen alleen dan vrouwen
Gelderlander- 13 feb 2006
... Statistiek. Volgens het CBS komt dit omdat er meer alleenstaande mannen zijn en omdat mannen langer bij hun ouders blijven wonen. ...

Meer mannen wonen alleen dan vrouwen
Planet Internet- 13 feb 2006
... Statistiek. Volgens het CBS komt dit omdat er meer alleenstaande mannen zijn en omdat mannen langer bij hun ouders blijven wonen. ...

Meer mannen wonen alleen dan vrouwen
Telegraaf- 13 feb 2006
Een op de vier mannen woont zonder partner tegenover een op de vijf vrouwen. Dit blijkt maandag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). ...