Posts tonen met het label PvdA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label PvdA. Alle posts tonen

zondag, september 21, 2008

205. Politiek wil wijk- en buurtrechters om overlastjeugd en massale frustratie van omgangsregelingen door kwaadwillende moeders aan te pakken

,,Een buurtrechter moet als een soort huisarts weten wat er in een buurt speelt en zich overal mee bezighouden: een leerling een juridische draai om de oren geven om niet meer te spijbelen, een conflict over een tuinschutting oplossen, bemiddelen bij geluidsoverlast en een omgangsregeling opleggen bij een scheiding”.>

Wijkrechter geeft direct een oorvijg

Bron: AD.nl - Binnenland - Door HANS VAN SOEST JEROEN DE VREEDE - REAGEER - zaterdag 20 september 2008

GOUDA - De rust in de Goudse probleemwijk Oosterwei is weer teruggekeerd, verklaarden minister Ter Horst en burgemeester Cornelis gisteren eendrachtig. Maar hoe nu verder?

De Goudse wijk Oosterwei staat in het middelpunt van de belangstelling nadat buschauffeurs te kennen hebben gegeven de overlast beu te zijn. FOTO ARIE KIEVIT

Veel allochtone bewoners herkennen zich niet in de manier waarop over hun wijk wordt bericht en gaan de discussie hierover aan met de politie. FOTO PIM MUL

Buschauffeurs van Connexxion besloten afgelopen weekend een deel van de wijk te mijden nadat een collega was beroofd. Burgemeester Cornelis sprak gisteren met zeventig onruststokers en met de Marokkaanse gemeenschap. In de Goudse stadsbussen komen toezichtcamera's.

Tegelijkertijd kondigen buschauffeurs in Zaandam aan maandag te staken. Ze eisen meer veiligheid op de bus. Busmaatschappij Connexxion spant een kort geding aan tegen de chauffeurs om de staking te voorkomen. Premier Balkenende sprak deze week harde woorden over de belagers. ,,Van ambulancepersoneel, buschauffeurs en politieagenten blijf je af.''

De oplossing van het probleem ligt mogelijk bij de buurtrechter. Het idee voor rechters in de wijk is afkomstig van Frank Visser, kantonrechter in Zaandam en bekend als 'rijdende rechter' op tv. Hij wil dat buurtrechters in de grote steden komen, die niet alleen straffen uitdelen, maar al éérder ingrijpen als buren of jongeren ontsporen.

,,Een buurtrechter moet als een soort huisarts weten wat er in een buurt speelt en zich overal mee bezighouden: een leerling een juridische draai om de oren geven om niet meer te spijbelen, een conflict over een tuinschutting oplossen, bemiddelen bij geluidsoverlast en een omgangsregeling opleggen bij een scheiding: alles dus,'' zegt Visser.

Het idee van Visser krijgt steun van hoogleraar algemene rechtswetenschap Jan Brouwer. ,,De wetgeving beschermt erg het individu, óók asociale overlastgevers. Daardoor is het lastig om in te grijpen. Maar een wijk, buurt of flat heeft óók rechten: het collectieve recht op een rustig leven.''

Brouwer stelt voor dat buurtwerkers eerst afspraken maken met de overlastgevers, en als die worden genegeerd direct de buurtrechter ingrijpt. ,,De nadruk ligt nu te veel op repressie, op ingrijpen als het te laat is. Nu staan buren of woningcorporaties vaak machteloos.''

Visser komt steeds meer zaken tegen waarbij een asociale bewoner veel overlast geeft. ,,Het is het type asociaal dat zich van niets of niemand wat aantrekt, de buurt terroriseert en er jarenlang mee wegkomt. Daar helpt alleen een harde, strikte aanpak.''

De PvdA voelt veel voor het concept van de rechter in de wijk. ,,Al bestaat het gevaar dat de rechterlijke macht er door wordt overbelast,'' zegt PvdA-Kamerlid Ton Heerts. ,,Er moet onderscheid worden gemaakt tussen echte criminaliteit en bijvoorbeeld een burenruzie over een schuurtje. Voor dat laatste kan beter een bemiddelaar in een wijk worden aangesteld.''

Ook oppositiepartij VVD vindt het idee van de buurtrechter sympathiek. Kamerlid Fred Teeven: ,,Maar alleen voor lichtere overtredingen, zoals steunfraude, overlast of winkeldiefstal. Dan kan het effectief zijn om mensen in hun buurt te kijk te zetten. Maar het helpt niet om relschoppers via snelrecht van de straat te krijgen. Buurtrechters zijn niet in staat om dergelijk snelrecht te spreken. We kunnen niet in elke wijk cellen bouwen.''

Zie ook:

maandag, december 10, 2007

176. Waarborging Familylife in Nederland - het geloof in een perfecte wereld, eigen sprookjes, engeltjes en duivels

Bron: Ouderverstoting NL, E.C. van der Waal, 8 juni 2004

Felicitaties aan kinderen die met een scheiding te maken krijgen door de RvdK [1] (bij monde van mevr. E.A. Smulders-Groenhuijsen in haar reactie op de nota van mevr. E. Kalsbeek(PvdA),‘Ouder blijf je’, april 2004). Kan de houding van de RvdK nog duidelijker ?!

Hoe komt het toch RvdK, dat Nederland het IVRK [2] en het EVRM [3] (met name Art.8) en de fundamentele vrijheden van de mens heeft geratificeerd en dat u zich, samen met vele, mede door uw verwrongen gedachtengoed, geïnfecteerde collegae van de RvdK, gelijkgestemden bij PvdA, CDA, ..., politie, kinderrechters, hierboven verheven achten ?

Dat een natuurrecht, om in en met eigen familie op te groeien, in Nederland met voeten wordt getreden ? Het is niet voor niets dat dit natuurrecht onlangs nog eens door Mr. P. Prinsen als een ‘ius ante legem’ (een recht voorafgaand aan de wet) werd beschreven. Ook is in een recente (1 juni 2004; zaaknr: 00045582/99) uitspraak van het EUROPEAN COURT OF HUMAN RIGHTS de Staat der Nederlanden tot een schadevergoeding veroordeeld voor berokkende immaterieële schade door het niet respecteren van het familieleven tussen een vader en zijn kind.

De individualisering en verdere psychische beschadiging van vele kinderen -en ook hun vaders- in onze maatschappij wordt, door het respectloos ontkoppelen van door ouders gewenste familiebanden met hun kinderen (gebaseerd op hun natuurlijke rechten en fundamentele vrijheden op omgang met hun nageslacht) door deze denkwijze en handelen, in ernstige mate vergroot.

Tja, RvdK, hoe zou het nou toch komen dat er zoveel over opvoeding door beíde ouders wordt geschreven ? Misschien door het wanbeleid dat door Raden voor de Kinderbescherming en kinderrechters op het gebied van familie- en omgangsrecht wordt gevoerd ? Dat gekwelde ouders (meestal vaders) [4] tot wanhoop drijft ? Emoties om -gedwongen- verlies van de band met je kind(eren) laaien uiteraard hoog op. Gek hè ? Hoe zou u zich voelen als u uw kinderen een maand of zelfs één of meerdere jaren wordt ontnomen ? Al die tijd niet met ze mag/kunt praten, niet zien of horen ?

Liefhebbende en welwillende ouders (veelal vaders) en grootouders die gewoon het familieleven met hun (klein)kind(eren), met wie een wederzijdse hechting bestaat, willen blijven voortzetten. Deze ouders, die hun kinderen dit familieleven met de belangrijkste personen in hun leven, níet willen ontnemen. Zij beseffen dat hun ouderrol en ouder-kind-relatie niet verdwijnt nadat de partnerrelatie met de andere ouder is opgehouden. Vaders die níet op wederzijds traumatische wijze, door RvdK en rechter gedwongen gescheiden en onthecht willen worden van hun kind(eren). Die de schadelijke psychische gevolgen van oudervervreemding en de onthechting bij kinderen kennen, begrijpen én ook zelf ervaren en dit hun kinderen níet willen aandoen. Veel moeders, hierin meestal gesteund door RvdK en rechters, hebben hier geen probleem mee, die willen dit juist wel.

Scheiding

Meestal zijn niet de kinderen de oorzaak van een scheiding tussen hun ouders. Zij vragen er niet om. Zij vragen er ook niet om gescheiden te worden van één van hun ouders. RvdKsmedewerkers en rechters hebben daar echter geen enkel probleem mee, gezien het aantal beschikkingen, vaak op advies van de RvdK, om kinderen van een vader [4] te scheiden.

De rechten van kinderen gelden altijd, zowel vòòr als na een scheiding of een conflict tussen ouders. De rechten van kinderen op een ongehinderde omgang en familieleven met beide ouders spelen uiteraard pas een rol op het moment dat ouders en kinderen niet (meer) bij elkaar wonen en er sprake is van éénzijdig frustreren van deze rechten van het kind. Juist dán moeten ouders er terdege van doordrongen zijn dat zij wel als partners uit elkaar gaan, maar dat zij de plicht blijven houden om ervoor te blijven zorgen dat hun kinderen de relatie die ze met hen hebben, ongestoord kunnen blijven voortzetten.

Realiteit versus idealisme en perfectie

Raadsmedewerkers, rechters, het leven ís niet ideaal, hoe graag we dit misschien ook zouden willen. Een open deur ? Waarom wordt dan steeds weer getracht de realistische wereld van ouders en hun kinderen, op idealistische wijze met een eigen bedachte perfecte ‘sprookjeswereld’ te vergelijken en ouders en kinderen op elke afwijking hiervan ‘af te rekenen’ ?

Zowel in niet-scheidingssituaties als ook vòòr en ná een ‘scheiding’ van ouders komen er in élk kinderleven wel dingen voor die beter kunnen. Dat was zo in uw ouders jeugd, in uw eigen jeugd, en ook in het leven van uw kinderen. U weet dat dit normaal is; het maakt onderdeel uit van de normale ontwikkeling van élk mens, van élk kind. Zo is het leven.

Gescheiden partners blijven de ouders van hun kinderen. De relatie tussen de ouders verandert, de partner-relatie vervalt, de ouder-relatie blijft. Kinderen houden dezelfde ouders en dezelfde ouder-kind-relatie, al zal het leven er na de scheiding van de ouders anders uit gaan zien en zullen de familie- en contactmomenten anders georganiseerd worden. Dat is nu eenmaal onderdeel van de realiteit.

Realiteit is ook dat jaarlijks, naast de ruim 30.000 kinderen die bij echtscheidingen betrokken zijn (ruim 60.000 ouders), ruim 70.000 relaties jaarlijks uit elkaar gaan (nog eens 140.000 personen), waar geen sprake is van een situatie van getrouwd zijn of geregistreerd partnerschap. Ook hierbij zijn vele kinderen en hun ouders betrokken. In het algemeen maakt de (formele) relatievorm tussen de ouders voor de ontwikkeling van een kind niets uit.

De situatie en omstandigheden van alle kinderen zijn verschillend, ook hun afkomst, karakters, kwaliteiten, vaardigheden en gedrag van hun ouders. Dat maakt dat er grote verschillen bestaan in mogelijkheden en kansen die kinderen in hun leven krijgen (dat levert de grote verschillen in kinderen en volwassenen op), dát is normaal.

Visie Jeugdzorg/hulpverlening, Raadsmedewerkers, Rechters

Is het de Jeugdzorg, de RvdK, de rechterlijke macht, die bepalen hoe precies een kind dient op te groeien in Nederland ? Hebben zij daar het alleenrecht op ? Het heeft er, gezien de respectloze werkwijze en de vele adviezen en beschikkingen in het familierecht, alle schijn van dat zij in deze ‘idealistische’ (waan)veronderstelling zijn. Zij schijnen, indien naar hun mening daarover wordt gevraagd, te vinden dat elke ouder perfect moet zijn, als mens, in karakter, in gedrag, in opvoedingskwaliteiten en daarmee verplicht is bij voortduring de perfecte omstandigheden voor een kind te scheppen. Met deze kijk op de wereld worden vele vaders hun kinderen eenvoudig ontnomen; perfecte mensen bestaan namelijk niet.

Het genieten van familieleven met niet-perfecte vaders kán natuurlijk niet goed zijn voor de ontwikkeling van een kind.. Tegen élke afwijking van perfectie moet tenslotte hard worden opgetreden, ‘in het belang van het kind’..., aldus de zienswijze en uitvoering daarvan in de dagelijkse praktijk van de Nederlandse RvdK en de Rechterlijke macht.

Zij geloven blijkbaar niet in verschillende manieren van opvoeden. Hun manier, hun kijk op en invulling van een gezonde opvoeding en ontwikkeling, is de enige juiste. Zij vinden blijkbaar dat zij zich een oordeel kunnen veroorloven over óf een kind nog wel van zijn vader in zijn leven mag genieten, en andersom. Zij zien zichzelf als instellingen die het allemaal wel eventjes voor de kinderen zullen bepalen en regelen voor het leven. Daarmee zijn zij een bedreiging voor vele kinderen, die hierbij afhankelijk zijn van een door hen gegeven oordeel.

Toeëigenen toekomst kinderen

Raadsmedewerkers, -gedragsdeskundigen en rechters eigenen zich de toekomst van kinderen toe door hierover te -willen- oordelen en te bepalen, kinderen met wie zij in feite totaal niets van doen hadden of hebben, waar geen enkele persoonlijke- of langdurige familiaire band bestaat of ooit zal ontstaan.

Zij bemoeien zich in vele gevallen op ongeoorloofde wijze met het familieleven en de levensloop en privézaken van voor hun volstrekt onbekende personen, ouders en hún kind(eren), door hen het fundamenteel recht en de fundamentele vrijheid van het kunnen genieten van hun familieleven te ontnemen, door als RvdK hier tégen te adviseren aan rechtbanken, die deze adviezen vaak overnemen.

Scheiding als bedreiging voor de ontwikkeling van een kind

De RvdK ziet een scheiding van de ouders als een potentiële bedreiging voor de ontwikkleing van het kind. De RvdK ziet echter in haar eigen -actieve- rol in het scheiden van kinderen van (meestal) hun vaders, geen enkel probleem voor de ontwikkeling van het kind.

We weten inmiddels ook dat de RvdK in vele omgangszaken wanbeleid voert en op -aangetoonde- uiterst incompetente wijze haar werkzaamheden uitvoert. De vele gegrond verklaarde klachten wijzen hierop. Ook dat menig ouder (meestal de vaders), binnen enkele contacten met de medewerkers van de RvdK hierdoor tot wanhoop worden gedreven. Ouders worden actief gefrustreerd en (verder) tegen elkaar opgezet. Schokkend slechte rapportages en idem adviezen aan rechtbanken zijn het gevolg. Tegen normen in worden ettelijke maanden tot járen van zogenaamd ‘onderzoek’ door de RvdK gedaan, zonder parallel omgang tussen kind en de ouder (meestal de vader) te bewerkstelligen. Daarmee zijn zij mede verantwoordelijk voor de oudervervreemding die door deze werkwijze wordt veroorzaakt. De negatieve invloed hiervan op de levens van de kinderen en hun vader wordt door de RvdK vaak ontkend en geen enkel bezwaar. Oudervervreemding en ouderverstoting wordt tenslotte door de RvdK (voorzover de raadsonderzoekers al weet van hebben van deze processen) niet serieus genomen. Het psychisch welzijn van het kind wordt bovendien ondergeschikt gemaakt aan de uiterst trage procesgang van RvdK en Gerechtelijke macht.

Het belang van het kind

Ongedefinieerd, ‘want niemand weet waar we het eigenlijk over hebben’, zegt de RvdK bij monde van mevr. E. Smulders. De RvdK en rechters gebruiken deze ‘slogan’ al decennia, maar de RvdK heeft nu op magische wijze bedacht wat dat ‘belang van het kind’ dan wél inhoudt... Volgens mevr. Smulders is het enige belang van een kind: “Het fundamentele recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid.”

En hoe ziet dat enige belang van het kind er volgens de RvdK uit ? Door als gedrags’deskundigen’ van de RvdK, tegen alle gezond verstand in en tegen alle gezaghebbende onderzoekers en onderzoeken in die het tegendeel aantonen (prof. van Gijseghem, prof. G.P. Hoefnagels, dipl.psych. U. Kodjoe, e.v.a.), te bepalen dat:
- bij een traumatische scheiding van een kind en een ouder (en bijbehorende familie), aan wie het kind jarenlang gehecht was, geen omgang te adviseren aan de rechter; dat dit goed is voor de ‘gezonde/evenwichtige’ ontwikkeling van een kind ?
- de vader in de meeste gevallen niet op uw meetlat van een evenwichtig kinderleven staat. - het aan het kind ontnemen van de helft van de identiteit, van de wortels van het bestaan van het kind, door ontzegging van elk contact met een ouder (meestal de vader) en bijbehorende familie en sociale omgeving, goed is voor de ‘gezonde/evenwichtige’ ontwikkeling van een kind ?
- deze door RvdK/Rechter opgelegde -geforceerde- scheiding van een liefhebbende ouder goed is voor het kind ?
- onthechting en oudervervreemding, door het langdurig moedwillig onthouden van elk contact met een der ouders, goed is voor de ‘gezonde/evenwichtige’ ontwikkeling van een kind ?
- ouderverstotend gedrag richting een ouder, door ouderverstotend gedrag door de ouder bij wie het kind woont (meestal de moeder), goed is voor de emotionele ontwikkeling en de ‘gezonde/evenwichtige’ ontwikkeling van een kind ?
- moedwillige valse beschuldigingen van sexueel misbruik van moeder aan het adres van de vader, niet als ernstig delict hoeft te worden gezien ? Dat hiermee direct óók het kind door deze beschuldigingen ernstig beschadigd wordt in de ‘gezonde/evenwichtige’ ontwikkeling en voor het leven als ‘mogelijk slachtoffer’ gestigmatiseerd wordt ? Dat de beschuldigende ouder zich hiermee diskwalificeert als verantwoordelijk ouder ?
- moedwillige onthechting, oudervervreemding en ouderverstoting niet als psychische kindermishandeling gezien moet worden ?
- ‘de uitgroei naar zelfstandigheid’ een handje geholpen moet worden door als RvdK het kind al op jonge leeftijd van één der wortels van zijn bestaan en identiteit af te snijden, door het kind, middels het adviseren van rechters in deze, (meestal) de vader en zijn familie te ontnemen ?

Omgaan met lichamelijke en psychische aandoeningen van een kind

Een ouder die een (lichamelijk) ziek kind naar school stuurt kan op afkeuring rekenen uit de omgeving, en waarschijnlijk ook op ingrijpen door leerkrachten.

Schijnbare -uit de praktijk aantoonbare- manier van denken van Raadsonderzoekers / gedragsdeskundigen en kinderrechters: Als een kind psychisch traumatisch beschadigd wordt door een ouder (vaak de moeder) en de andere ouder het kind hiertegen wil beschermen, doen we hier als RvdK niet aan mee. We geloven dit gewoon niet. Een moeder doet zoiets niet.

Valse en ongegronde aangiften van sexueel misbruik door moeders bestaan niet, ook al zijn zij door politie onderzocht en geseponeerd. Ouderverstoting bestaat niet, en als het toch bestaat -wie zal het zeggen, de RvdK ‘weet het niet’ en zij zal dit nooit bevestigen- is dit uiteraard, samen met door de RvdK medeveroorzaakte oudervervreemding, erg goed voor het zelfvertrouwen en de identiteitsontwikkeling van een kind.. Er bestaan namelijk geen moeders die op een valse wijze hun ex-partners uit hun eigen leven -en tegelijk uit dat van hun kinderen- proberen ‘weg te werken’. Er bestaan geen ‘slechte’ moeders, moeders zijn engeltjes, eigenlijk bestaan er alleen hele vervelende vaders, echte duivels, die vreemd genoeg het familieleven voor hun kinderen belangrijk vinden en steeds maar erop aandringen dat we moeten handelen volgens de wet.

Het als ouder zèlf (psychisch) ziek maken van een kind, door oudervervreemding en ouderverstoting door eigen houding en gedrag te veroorzaken, wordt, gezien hun handelen, door RvdK en Rechterlijke macht schijnbaar gewaardeerd, zelfs gestimuleerd. De RvdK als ‘doktersassistent’schrijft bijvoorbeeld jarenlang ‘rust’ voor bij moeder-engel (=bewuste en actieve isolatie van / scheiding tussen kind en vader), als recept voor ‘dokter’ de rechter, die dit receptje maar al te vaak overneemt en uitschrijft, ook al is dit ‘medicijn’ fundamenteel en wettelijk verboden.

Hoe komt het toch dat dit maatschappelijk aanvaard wordt ? Onbekendheid met de feiten ?

De RvdK gaat er voor het gemak vanuit, dat het merendeel van de moeders impliciet altijd ‘goede’ouders zijn en ook altijd ‘de meest fundamentele belangen’ van het kind uitzoeken en altijd daarnaar handelen.

Voor het gemak ervan uitgaat dat er geen moeders zijn die deze afwegingen niet maken. Niet wil geloven dat moeders eigen belangen voorop stellen en door eigen gedrag en houding hun kinderen (en de familie van de kinderen aan vaders zijde) zwaar psychisch leed toebrengen.. De RvdK die domweg ervan uitgaat dat er geen moeders zijn die weigeren met de uitwonende ouder te praten, die weigeren om afspraken te maken en na te komen, die weigeren wat ze eventueel rechtens is opgedragen, die weigeren de kinderen in alle vrijheid van hun familieleven met de andere ouder te laten genieten..

Als een kind jarenlang een normale, prima relatie had met beide ouders en er een goede hechting met beiden en een aantoonbaar gevoel van veiligheid en geborgenheid bestond, dan wordt dit kind zwaar traumatisch psychisch beschadigd door plotsklaps afkappen van elk contact met één van die ouders. Dit is vergelijkbaar met de diepe verliesemoties die een kind ervaart na plots overlijden van één der ouders. Dit is een concrete vorm van ernstige psychische kindermishandeling (zie ook artikel van prof. mr. G.P. Hoefnagels in Echtscheidingsbulletin maart 2004).

Als RvdK en rechtbank zich op een ongewenste manier mengen in de privésfeer van kinderen en hun ouders, die door de zeer lange procesgang en tegen regelgeving in veel te lange onderzoeksperioden hanteren -zonder ondertussen familieleven tussen kind en ouder-, worden ouders tot een vorm van juridisch ‘gevecht’ gedwongen waar zij niet om gevraagd hebben en de kinderen al helemáál niet. Vaak is het hierbij één van de ouders die niet wíl communiceren, meestal de moeder.

Er kan dan dus niet gesproken worden van ‘twee vechtende ouders’ als één ouder niet bereid is tot enig overleg en op alle manieren zaken blijft frustreren en weigeren. Hier is sprake van een blokkade en onverantwoorde invulling en uitvoering van het ouderlijk gezag door de weigerende ouder. Dit gedrag kan de andere ouder niet verweten worden. Ook kan niet verweten worden dat op civiel beschaafde manier via rechtbank een beroep gedaan wordt om hierin corrigerend op te treden. Het kind dient beschermd te worden tegen een dergelijke onverantwoorde invulling en misbruik van het ouderlijk gezag.

Hier zal daarom van hoger hand snel, kordaat en duidelijk ingegrepen dienen te worden om de kinderen hun relaties en hechting met beide ouders ongestoord doorgang te kunnen laten vinden.

Onrust ontstaat bij grote en plotselinge veranderingen in het bekende leef- en contact-patroon van het kind. Er zal hiervoor een minimaal familieleven moeten blijven bestaan tussen kind en de elders wonende ouder.

We moeten voorkomen dat een onrealistisch, onjuiste beeldvorming bij kinderen ontstaat c.q. wordt aangeleerd van de ouder die, na het uit elkaar gaan als partners, elders gaat wonen. Het verliesgevoel, de pijn en het verdriet bij de kinderen te minimaliseren is de opdracht waarvoor ouders en eventueel betrokken RvdK en rechters zich dienen in te zetten. Dit schreeuwt om een goed geregeld en ononderbroken familieleven met beide ouders. Het op dit vlak in de steek laten van kinderen is een morele doodzonde waar wij ons als maatschappij voor moeten hoeden. Niet voor niets is respect voor het familieleven in het EVRM opgenomen en is het familieleven met beide ouders een fundamentele vrijheid van de mens. Het respectloos ontnemen van deze vrijheid is een fundamentele misdaad tegen de mens.

De RvdK vergeet voor het gemak het verlies en de pijn dat in veel gevallen, door eigen adviezen aan rechters, het kind wordt aangedaan; door het simpelweg het familieleven met een ouder te ontzeggen en deze ouder (meestal de vader en zijn familie) van ‘rechtswege’ voor jaren volledig uit het leven van het kind te bannen !

Volgens de RvdK moeten de kinderen het eigenlijk helemaal te vertellen krijgen hoe het leven er in de nieuwe situatie (na het uit elkaar gaan van beide ouders) uit moet komen te zien. De ouders kunnen dat in hun ogen niet zelf regelen. Ze willen kinderen de macht geven waar ze nog niet aan toe zijn (daarom zijn het immers kinderen). Ook ouders moeten weer in hun nieuwe situatie groeien. De kinderen maken dit gewoon mee. Kinderen leren hiermee dat er grote veranderingen in het leven kunnen plaatsvinden en leren dan hoe daarmee omgegaan kan worden.

Typisch jaren ’70 idee, alles moet kunnen en vooral die tere zieltjes van de kindertjes geen ‘geweld aandoen’ door ze weg te houden van (te ‘beschermen tegen’; ja, dus tóch ‘kinderbescherming’) grote veranderingen in het leven of als ouder duidelijke grenzen te stellen. Daar kunnen de kindertjes ‘niet tegen’ en belemmert ze in hun ontwikkeling..

Het feit dat de RvdK een kind door haar adviezen bewust soms jarenlang de vader afneemt, zelfs het de vader gerechtelijk onmogelijk maakt zijn kind in die jaren te mogen zíen, geeft blijk van ontkenning van de kwaliteiten van vaders en lijkt op een diepe agressie naar en respectloosheid voor vaders en hun familie.

Al had een kind geen ‘recht op ontwikkeling’, een kind ontwikkelt zich toch wel, dat is een natuurlijk gegeven van opgroeiende mensen. Slechts de manier waarop een kind zich ontwikkelt is op allerlei manieren in positieve of negatieve zin te beïnvloeden door invloeden uit de omgeving. Deze omstandigheden zijn voor elk kind anders.

“Ouders hebben samen de plicht...”

Daar moeten ze dan wel toe in de gelegenheid gesteld worden.

Door fundamentele zaken als het familieleven te onthouden aan een ouder wordt dit tot een onmogelijke opdracht, waar nooit aan voldaan kan worden..

Een (praktijk) voorbeeld van wat dan niet meer zou moeten kunnen:

In situatie x kwam nooit huiselijk geweld voor. Moeder en vader hadden een relatie waaruit een kind is geboren, zij wonen niet bij elkaar. Nooit hebben ouders iets met politie, advokatuur, rechtbank, RvdK, te maken gehad. 5,5 jaar vindt een prima familieleven met beide ouders plaats, middels een onderling afgesproken omgangsregeling. Moeder raakt echter gefrustreerd en wordt jaloers op het ‘vrije’ leven van de ex-partner. Moeder wil ook veel meer geld van vader. Vader weigert hierop in te gaan. Moeder beëindigt plotsklaps de omgang en alle contact tussen dochter en vader, dat 5,5 jaar probleemloos verliep; dochter was dol op haar vader. Moeder beschuldigt de vader vervolgens van sexueel misbruik van zijn dochter. Justitie onderzoekt de aangifte en komt na onderzoek tot sepot van de aangifte. Rechtbank herstelt de omgang niet. Moeder weigert elke medewerking aan herstel. Na inmenging van de RvdK en ruim een jaar (!) zgn. ‘onderzoek’ met ongegrond advies tegen omgang tussen dochter en vader, dat door een rechter klakkeloos wordt overgenomen, ziet vader inmiddels zijn dochter al ruim 3 jaar niet meer..

Naar moeders gedrag wordt geen enkel onderzoek gedaan. De dochter is door de moeder op traumatische wijze van haar vader gescheiden, wordt moedwillig ook haar oma en opa onthouden. Het gevolg: oudervervreemding, onthechting en ouderverstoting vinden geruisloos en zonder enig ingrijpen van RvdK en rechtbank plaats.. Een ernstige vorm van psychische kindermishandeling.

Respect voor de stem van een kind

Beperkte macht is eigen aan kinderen, een bepaalde machteloosheid is inherent aan het kind zijn. De ouder leidt het kind en geeft grenzen aan en -bij de leeftijd passend- steeds meer ruimte en verantwoordelijkheden, waarmee het kind eigenwaarde en zelfvertrouwen ontwikkelt. De machtsverhouding tussen een kind en de ouders is essentieel voor de ontwikkeling van respect voor autoriteit. Een kind waaraan teveel macht wordt gegeven wordt veelal onhandelbaar, grenzeloos en respectloos naar ouders/volwassenen, krijgt later vaak moeite met autoriteit, problemen met uitoefening van macht, in privé- en later ook in de werksfeer.

Het is daarom dat mee (mogen) praten van kinderen prima is, het is goed om naar kinderen te luisteren en ze als opgroeiend mensje te respecteren en serieus te nemen. Echter de wil van een kind blijft ondergeschikt aan de wil van de ouders, de regie (van wat er gebeurt) moet in een normale situatie bij de ouders blijven. Zíj hebben de verantwoordelijkheid om de kinderen bepaalde grenzen aan te geven, regels en gebruiken te leren, ook al willen de kinderen dat zelf soms niet. Het moet ze aangeleerd worden. Daarmee wordt de ouderlijke verantwoordelijkheid aangesproken. Serieus nemen van wat kinderen zeggen heeft grenzen. Elke ouder weet dat wat een kind zegt niet altijd klopt met de realiteit, of dat het niet altijd goed is voor het kind als datgene wat het kind zegt te willen ook ten uitvoer wordt gebracht.

Het respect voor de wil van het kind heeft ook grenzen. Kinderen willen soms:
- niet eten, niet naar bed, niet tanden poetsen, niet kamer opruimen, niet ...
- gewoon niet mee, niet naar school, niet naar de tandarts, ...
Moeten we dat respecteren en ze dan maar thuis laten ?

Ook het familieleven met de vader valt onder de zaken waar in beginsel geen discussie over mogelijk is. Een kind moet, door houding, gedrag en handelwijze van de moeder, merken en beseffen dat het normaal is om net als bij de moeder ook regelmatig bij de vader te verblijven.

Als een kind niet wil of bang is om naar het ziekenhuis of de dokter te gaan, moeten we dan maar niet gaan (als ouder wetende dat niet-gaan ernstige gevolgen kan hebben voor het kind) ?

Als ouder weet je beter en moet je je kind, naast liefdevolle aandacht en verzorging, sturing en leiding geven. Kinderen bevinden zich de facto in de afhankelijke positie dat ze hebben te gehoorzamen en dat zij van deze sturing en leiding van hun ouders leren. Samen met het stellen en handhaven van leeftijdsgebonden grenzen, geeft dat kinderen een gevoel van veiligheid, van waaruit ze zich langzamerhand kunnen ontwikkelen tot jonge volwassenen.

In de publicatie van mevr. Smulders ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’ kan ik goede passages vinden. Jammer dat zij met de steun voor de nota van mevr. Kalsbeek en het verdedigen van het beleid van de RvdK en rechtbanken (in het ontnemen van familieleven aan vooral vaders en kinderen), toch bewijst dat ze het familieleven met de beide ouders (de wortels en identiteit van een kind bepalend) niet als erg belangrijk in het leven van een kind wíl respecteren.

Mevr. Smulders ziet zichzelf als iemand die voor een ander mens mag bepalen óf zij van hun fundamentele recht én fundamentele vrijheid op familieleven met hun nageslacht gebruik mógen maken. Net als vele kinderrechters die, op basis van dit soort onzindelijk gedachtengoed, raads-adviezen tot het afnemen van het kind van het familieleven met een ouder (meestal de vader), met alle directe- en op termijn ernstig psychische gevolgen voor de kinderen, vaak ongegrond, ongecontroleerd, klakkeloos overnemen.

De veiligheid, die een kind voelt door de aanwezigheid in het leven van beide ouders, dus ook van de eigen vader, is wat RvdK en rechters aan vele kinderen vele jaren lang onthoudt door hen het familieleven met hun vader te verbieden. Een kind groeit maar één keer op, dat kán niet worden overgedaan. Elke ouder kan dit dus ook maar één keer meemaken en hierin maar één keer de ouderrol vervullen. De welwillende ouder, aan wie de uitoefening van de ouderrol onmogelijk wordt gemaakt, kan deze jaren nooit meer overdoen. Onthechte, vervreemde, psychisch beschadigde kinderen en ouders zijn het resultaat van het gevoerde wanbeleid.

Einde bemoeienis RvdK in omgangskwesties

Het gedachtengoed van de RvdK (mevr. L. Smulders), steun voor de nota van PvdA en inbreng in de discussie over het recht op ‘omgang’/familieleven, kan niet langer als serieus genomen worden en beschadigt direct en indirect vele families en kinderlevens.
Borging Familylife

Het adviseren tot -en bij rechterlijke beschikking, zondere enige strafrechtelijke grond,- opleggen van een scheiding tussen een kind en één van de ouders (meestal de vader), is tegennatuurlijk en gaat in tegen elk fundamenteel-, humanitair- en rechtsbeginsel en zou daarom in een land, dat de fundamentele rechten en vrijheden van de mens (incl. kinderen!) onderschrijft, nooit en te nimmer mogen plaatsvinden. Dus óók niet na vals gebleken beschuldigingen van misbruik.

In conflictsituaties m.b.t. frustratie van familieleven tussen kinderen en een ouder zal, als voorwaarde vòòraf aan een eventuele rechtsgang, een snel ingezette kortdurende verplichte, door de overheid voor beide ouders betaalde, forensische bemiddeling moeten plaatsvinden.

Bij éénzijdige volharding in de weigering medewerking te geven aan het ongestoord laten genieten van het familieleven van het kind met de andere ouder, zal de weigerende ouder verplichte corrigerende hulp moeten worden opgelegd met veroordeling tot de kosten van beide partijen.

Het ouderlijk gezag zal na de corrigerende hulp voorwaardelijk moeten worden gemaakt: bij recidieve van frustratie van familieleven van kind met de andere ouder, zal het ouderlijk gezag worden ontnomen en definitief aan de andere, welwillende, ouder worden overgedragen.

De borging van een (minimaal) familieleven tussen kinderen en hun beide ouders zal ten allen tijde uitgangspunt moeten zijn. Indien nodig middels het van rechtswege opleggen van daadkrachtig gehandhaafde -en respect voor het familieleven van kinderen en ouders afdwingende- sancties.

E.C. van der Waal
8 juni 2004, ’s-Hertogenbosch
www.ouderverstoting.nl

Voetnoten:
1 Raad voor de Kinderbescherming.
2 Internationaal Verdrag Rechten van het Kind.
3 Europees Verdrag Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.
4 Meestal worden de vaders het familieleven met hun kinderen ontnomen door moeders, RvdK en rechtbank. In verband met de duidelijkheid van de tekst is er in dit essay voor deze weergave gekozen, die het meest met de realiteit overeenkomt.

173. Het private domein na echtscheiding (Prof.dr.G.P.Hoefnagels)

Private domein na de echtscheiding

Bron: Website Partij van de Arbeid - PvdA, 22.07.2001

Artikel van prof. dr. G. P. Hoefnagels naar aanleiding van de PvdA-conferentie 'Omgangs(on)recht, 31 mei 2001. Peter Hoefnagels is emeritus hoogleraar familierecht, scheidingsbemiddelaar en oudlid van de Eerste Kamer.

Het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens is vanaf 1950 geldig, maar de Nederlandse overheid is niet erg ijverig geweest met de invoering en uitvoering ervan.

Het Internationaal Verdrag van de Rechten voor het Kind is in 1990 gesloten en in 1995 door Nederland ondertekend.

In de jaren zeventig verscheen het rapport Wiarda over rechten van kinderen, daarna schreven "zeven jeugdrechtspecialisten" in het Nederlands Juristen Blad over de rechten van minderjarigen. Ook in de jaren zeventig baarde het Marx-arrest opzien, waarin iedere discriminatie van kinderen (ten onzent: "onwettige", "natuurlijke", "overspelige" kinderen en we kunnen daaraan toevoegen: kinderen na echtscheiding) op grond van het EVRM werd verboden en uit de nationale wetgeving moest worden geëlimineerd. In de jaren tachtig kwam de Hoge Raad met een voorzichtig arrest over voortzetting van gezamenlijk ouderlijk gezag en een niet mis te verstane verwijzing naar het private domein in artikel 8 van het EVRM, in het bijzonder de "continuering van family life? na echtscheiding.

Na verscheidene aanmaningen van de Europese Commissie werd de vereiste continuering van 'family life' na echtscheiding van het kind met beide ouders in Nederland in 1990 in de wet vastgelegd door een omgangsrecht van rechtswege voor de ouder die geen gezag had. Alleen indien "zwaarwegende belangen" van het kind dit vereisten, kon uitsluitend de rechter hier een uitzondering op maken. Ik heb dit wetsvoorstel mee mogen behandelen in de Eerste Kamer en was er zeker van dat vijandige scheidingsemoties de relatie van het kind met de andere ouder niet meer konden frustreren. Staatssecretaris Kosto was daar ook van overtuigd.

In 1995 werd de relatie van de ouder zonder gezag ten opzichte van zijn/haar kinderen nog eens versterkt door het recht op consultatie en informatie (artt. 377 b en c, 1 BW).

Sinds 1998 is voortzetting van het ouderlijk gezag van beide ouders na echtscheiding wet. Ook deze wet vloeide rechtstreeks voort uit het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens: de continuering van family life. Daarmee werd het contact met beide ouders nog eens extra verankerd als mensenrecht. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 10 september 1999 is dat nog eens bevestigd: geen eenhoofdig gezag, tenzij een ouder "een onaanvaardbaar risico" voor het kind zou zijn. Zou dat "onaanvaardbaar risico" er zijn als een ouder omgang frustreert, omdat hij/zij niet boven de scheidingsemoties staat? Hoe dan ook, met dit Verdrag en deze wetgeving en de steeds duidelijker uitspraken van de Hoge Raad, zou een weldenkend mens zeggen, is de voortzetting van de relatie van het kind met ieder van de ouders na scheiding stevig vastgelegd en gewaarborgd. Na bijna vijftig jaar gold dit mensenrecht ook voor de vele tienduizenden kinderen van gescheiden ouders in Nederland.

Maar pas op, toen ik in 1995 na mijn wetgevend werk in de Eerste Kamer weer volop in de praktijk van het familierecht terechtkwam, bleken Verdrag, wet en mensenrechten in de praktijk een illusie. De "deskundigen" van de Staatssecretaris van Justitie bij de Raden voor de Kinderbescherming bleken in veel gevallen de wet van 1990 niet te kennen. Niks geen continuering van 'family life', niks geen mensenrechten in Nederland, niks geen kind-ouderrelatie als de verzorgende ouder het niet wilde. Nee hoor, alles ging gewoon door zoals het ging onder de oude wet en alsof het zo enthousiast ook door Nederland getekende EVRM niet bestond.

Raden voor de Kinderbescherming en advocaten deden vaak niet mee aan de nieuwe wet. Als de ouder bij wie het kind verbleef (in 90 % van de gevallen de moeder) de overeenkomst van omgang, eenzijdig en uitdrukkelijk in strijd met de wet, stopzette, vroeg de advocaat in kort geding niet om voortzetting van de overeenkomst, maar om een omgangsregeling door de rechter. Op dit bij uitstek private domein deed men alsof de privaatrechtelijke overeenkomst niet gold. Maar ook omgangsregelingen die door de rechter werden vastgesteld, bleef de verzorgende ouder zo maar stopzetten. Moeders wil is wet en de wetgever kon met zijn blote benen naar bed. En als de Raad voor de Kinderbescherming werd ingeschakeld, deed hij alsof dit mensenrecht niet bestond en nam niet eens de moeite om de verzorgende ouder op haar schending van mensenrecht te wijzen. In Nederland gaan relatieverbreking en "stopzetting van de omgang", hoe onwettig ook, tot op de dag van vandaag door. Ook de politiek, toch ijverig als het mensenrechten in verre landen betreft, deed alsof continuering van het familieleven in Nederland niet als een mensenrecht bestond.

Hoe kan dat?

Er is iets taais dat in de weg zit, een taai slijm dat in een verouderde cultuur is genesteld en waartegen we een medicijn moeten vinden.

DE ONTWIKKELING VAN DE ECHTSCHEIDING SINDS 1974

Om dat taaie slijm te leren kennen dient als achtergrond de cultuur van de echtscheiding en de ontwikkeling ervan. Kort na het nieuwe echtscheidingsrecht van 1972, om precies te zijn in 1974, ontdekte ik de bemiddeling en sindsdien heb ik wekelijks met twee scheidende mensen aan tafel gezeten en 1000 scheidingsovereenkomsten gemaakt. D.w.z. van nabij zag ik de psychologie, de zaken en de juridiek van de scheiding, kortom het private domein van art.8 EVRM zich ontwikkelen.

Sinds 1972 kunnen gehuwde mensen van elkaar af op grond van "duurzame ontwrichting". Korte tijd kon door de gedagvaarde partij nog een beroep worden gedaan op "een grotere mate van schuld" van de ander, maar ook dit laatste restant schuldbeginsel is uit de wet verdwenen. De "duurzame ontwrichting" functioneert als een verstotingsbeginsel, waar ook de vrouw in ruime mate gebruik van maakt. Volgens onderzoeken uit de jaren tachtig werd de scheiding in 75 % van de gevallen door de vrouw aanhangig gemaakt. In mijn bemiddelingspraktijk neemt de vrouw vaker het initiatief tot scheiden dan de man.

Van 1974 tot heden heb ik de echtscheidingscultuur zien veranderen. Ik noem enkele veranderingen:
- het maatschappelijk taboe op de echtscheiding is verdwenen. Maakten we in de jaren zeventig, begin jaren tachtig, met de scheidenden nog een plan hoe familie en vrienden, de werkgever en de kennissen van hun scheiding op de hoogte te stellen, nu is dat alleen bij uitzondering een probleem.
- de schuldcultuur is verdwenen, de psychologie van het schuldgevoel natuurlijk niet. Het schuldgevoel wordt aan de bemiddelingstafel omgezet in een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een scheidingsovereenkomst. Maar in de cultus van de tweeadvocatenprocedures en in een aantal rapporten van de Raden blijven schuld en schuldtoewijzing vaak virulent aanwezig.
- de vrouw neemt vaker het initiatief tot scheiden dan de man.
- de "Victoriaanse scheiding" -de oudere man verliet het huwelijk met een jongere vrouw, bij voorkeur zijn secretaresse- verdween ten gunste van de emancipatoire scheiding: de vrouw zegt de man vaarwel om reden van haar eigen ontwikkeling en wegens een onbevredigende relatie.
- de oude discussie over de hoogte van de alimentatie verlegt zich vooral naar de duur van de alimentatie. Hierbij wordt door de vrouw haar carrière ter sprake gebracht. D.w.z. dat de bemiddelingsdiscussie in de kaders van levensperspectieven en leeftijden van man en vrouw wordt gevoerd, zoals daar zijn: de schoolleeftijden van de kinderen en het achttiende jaar van het jongste kind, de data van de bijdragen studiefinanciering, en de pensioenleeftijden.
- een variant is de vrouw van in de dertig of veertig die zeventig procent voor de kinderen zorgt en uitrekent wanneer en hoe zij haar carrière nog tijdig tot volle bloei brengt, terwijl de man aanbiedt graag een paar jaar extra aanvullende alimentatie te betalen als zij haar groter aandeel in de zorg voor de kinderen nog iets langer zou willen voortzetten.
- De belangrijkste verandering is de nieuwe vader. Stond de vader van de jaren zeventig meestal ver van de rechtstreekse praktische zorg voor de kinderen (dus nog dichtbij de negentiende eeuwse, vaak afstandelijke vader), nu is de zorgvader naast de zorgmoeder een gewone verschijning geworden. Ik zie dat niet alleen om me heen en bij mijn eigen kinderen, maar hoor dat ook aan de bemiddelingstafel. Ofschoon er zelden menselijke vooruitgang valt te bespeuren in deze wereld, lijkt dit vooruitgang. Vaders die net als moeders van jongs af aan nabij zijn aan hun kinderen, hen verzorgen, met hen meegroeien, die niet alleen afwassen en een ei bakken, maar gewoon kunnen koken, soms lekkerder dan zij het kan (zoals Ad Melkert), die de was doen en de luiers verschonen. Mocht de jonge vader drie kwart eeuw geleden nog niet bij de bevalling zijn en moest hij buiten de kraamkamer wachten tot de zuster met de baby kwam, vijftig jaar geleden zette hij zijn eerste schreden in de kraamkamer en, na wat voorzichtige oefeningen, is hij nu, bij alle verschil, een hulpe de vrouw bijna gelijk. Hij is evenveel in de babykamer als moeder, loopt achter de kinderwagen of heeft het kind in de draagdoek. Verdomd, die onwrikbare, statige, afstandelijke negentiende eeuwse vader is verdwenen. Hij is zelf anders. Hij doet de huishouding niet hetzelfde als de vrouw, zoals de directrice niet hetzelfde handelt als de directeur. Zelden zie je vooruitgang, maar hier zie je het.

GEZAG EN OMGANG
Informatie over de nieuwe wetgeving inzake gezag en omgang valt bij de mensen die via bemiddeling scheiden als Gods woord in een ouderling. Er wordt aan de bemiddelingstafel niet over "recht op het kind" gesproken, maar over beschikbaarheid en zorg, contact en oppas, want recht op contact kan wederzijds een plicht tot oppas betekenen. Er wordt gesproken over collegiale samenwerking van twee gezagsdragers die voor hun kinderen moeten zorgen. Al hebben zij hun rol van huwelijkspartner afgelegd (daartoe werd de scheidingsmelding, het adieu, nog eens doorgenomen -zie mijn Handboek Scheidingsbemiddeling*-), wel hebben zij te maken met hun beider rol als ouder, gebaseerd op het recht van het kind op beide ouders. Tot die collegiale gezagssamenwerking, in welke vorm dan ook, distant of hartelijk, functioneel of amicaal, zijn zij verplicht, al of niet met een incompatibilité d'humeur, voor het leven. In eenvoudige termen: de minimum doelstelling van een scheidingsovereenkomst is: dat men gelijkelijk ontevreden is en op de hoogtepunten van het leven van de kinderen zonder problemen samen aanwezig bent. In de meeste gevallen wordt een hogere doelstelling bereikt.

Kindermishandelende procedures
Wanneer mensen echter in een tweeadvocatenprocedure om de kinderen gaan strijden, lijkt het een bokswedstrijd zonder regels, een catch as catch can, waaronder kinderen lijden en ouders hun respect verliezen. Paul Vlaardingerbroek rekende uit dat er jaarlijks zo'n 16.000 echtscheidingen met kinderen zijn en in 10% ervan wordt over de kinderen geprocedeerd.*** Dat betekent jaarlijks 1.600 van zulke procedures worden gestreden; hierbij gaat het om ca. 3.200 kinderen (gemiddeld 2 per ouderpaar) die onderhevig zijn aan deloyale gevechten van hun tot in de vezels gespannen ouders (een veelvoud van dat aantal kinderen verliest per jaar overigens contact met een ouder). Alleen de commerciëel denkende advocaat wint aan zo?n strijd, want iedere emotie is goed voor een procedure. Rechters doen hun best eruit te komen, maar niet zelden zie je ze denken: "Als God het niet meer weet, weet de Raad het nog".

Maar de Raad kent vaak de wet niet, gedoogt dat de verzorgende ouder de omgang stopzet en adviseert de rechter de verzorgende ouder maar niet te storen in haar "beleving van de andere ouder" en de omgang te minimaliseren ("zaterdagmiddag van twee tot vijf eenmaal per veertien dagen"! Is dat "voortzetting van ouderlijk gezag" of voortzetting van een kindouderrelatie?). Soms zelfs wordt de stopzetting door de rechter beloond met een ontzegging van omgang, zelfs bij twee ouders met gezag, iets wat volgens artikel 377h B.W.1 helemaal niet kan (de rechter kan op verzoek van de ouders of een van hen de omgang vaststellen van het kind met de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft.) Er staat niet: de rechter bepaalt of er omgang plaatsvindt. In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening is ontzegging van omgang onmogelijk (zie 377h). Gezag impliceert contact.

In een raadsrapport valt te lezen dat er geen bezwaar is tegen omgang van het kind met vader, maar in haar beleving(!) is die omgang onduldbaar voor moeder. Ten einde raad volgt een rechter het advies van die strekking. Einde contact van het kind met zijn vader. Einde van een mensenrecht voor kind en ouder.

HOE KOMEN ZULKE BESLISSINGEN TOT STAND? WAT ZIJN DE BESTANDDELEN VAN HET TAAIE SLIJM DAT DE HANDHAVING VAN DE WET BELEMMERT?

Wat de Raad betreft is het voor de politiek interessant. De Raden vallen onder de politieke verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Justitie.

Uit enkele tientallen onderzoeken naar raadsrapporten en -adviezen, door mij gedaan om expertises aan rechtbanken en hoven uit te brengen, kan ik het volgende concluderen:
1. De raadsmedewerkers waren niet op de hoogte van de nieuwe wetgeving noch van het EVRM. Als moeders de omgang "stopzetten", informeerde de Raad haar niet over wet en verdrag, noch gaf het rapport enig blijk dat de Raad zich realiseert dat hij in een wettelijk en justitiëel kader werkt.
2. De beleving van de verzorgende moeder dat zij "er niet tegen kan dat het kind contact heeft met vader" ging boven de feiten. De beleving van de moeder ging boven de beschikbaarheid van de vader. De beleving van de moeder dat "hij het kind wel eens iets zou kunnen aandoen" ging boven de feitelijke constatering van de Raad "dat er tegen een omgang met de vader geen bezwaar was in te brengen." De beleving van de moeder ging boven de waarheid en boven de rechten van de mens, het kind en de vader.
3. Moeder wilde geen contact met vader noch een contact tussen vader en kind "omdat zij er niet tegen kon" en dat werd zonder meer aanvaard. Het onderzoek werd dan ook aan twee tafels apart gedaan, hetgeen niet strookt met de huidige kennis omtrent de psychologie van de echtscheiding en in één geval bovendien in strijd was met de opdracht van de rechter die de zaak aanhield voor bemiddeling, niet strookt met de voortzetting van het gezag van beide ouders en ook niet strookt met de Beleidsbrief van Staatssecretaris van 1997 die bemiddeling en overeenkomst voorstaat.
4. De psychologie van de scheiding komt in de besluitvorming niet uit boven "een sentiment voor de moeder". Dit sentiment is alleen verklaarbaar uit een verouderde opvatting van de zorgende moederrol en een achterlijke miskenning van de nieuwe vaders.
5. De wens van moeder om vader (zoveel mogelijk) buiten te sluiten komt voort uit haar gebrek om in haar ouderrol boven haar scheidingsemoties te staan. Wie daaraan toegeeft miskent een oud rechtsadagium: AAN EIGEN SLECHTHEID (OF GEBREK) KAN MEN GEEN RECHT ONTLENEN.

Summa summarum: het taaie slijm zit 'm in een verouderde cultus van verouderde opvattingen over vaders en moeders, onkunde van Verdrag en wet, miskenning van de rechten voor de mens en gebrek aan kennis van de psychologie van het scheidingsproces.

DE OORZAAK
De oorzaak van frustratie van omgang of contact door een van de ouders was in alle gevallen die ik onderzocht: het nonadieu, dat is een gebrek in het afscheidsgesprek tengevolge van een gebrek aan scheidingsmelding, waardoor onverwerkte scheidingsemoties bij de expartners ontstaan. In alle door mij onderzochte gevallen bleek de afwezige of onvoltooide scheidingsmelding de oorzaak van de onverwerkte emoties. (Over de scheidingsmelding, zie mijn "Handboek Scheidingsbemiddeling"* en "Gelukkig Getrouwd Gelukkig Gescheiden"**)

In geen van de duizend bemiddelingen, waarin de scheidingsmelding aan de orde kwam, werd de relatie van een kind met een ouder verbroken. In de laatste tijd constateerden we een gunstige verandering in de rechtspraktijk: de rechter hield zo'n vermaledijde procedure over het kind aan om te verwijzen naar de bemiddelaar.

In een zaak die ik kortgeleden voor een door de rechter verplichte bemiddeling kreeg, was bijna drie jaar gevochten voor rechtbank en hof. Vele rechters hadden er vele uren aan besteed. Na drie uur bemiddelen was er een omgangsovereenkomst en werd door de ouders het "Paraplugesprek met de kinderen" in volle overeenstemming gevoerd. (Voor het paraplugesprek zie: "Gelukkig Getrouwd, Gelukkig gescheiden"**) In andere zaken met door de rechter opgelegde bemiddeling kwam de omgang wel meteen tot stand, maar waren meer bemiddelingszittingen nodig om de strijdbijl te begraven.

Gevolgen van de verbreking van de ouderkindrelatie: tijdens de anderhalf tot vier jaar durende procedures leert het kind dat agressie, boosheid en vervreemding tussen ouders normaal is, dat een relatie zo maar kan wegvallen, dat je tegen beter weten in onwaarheden over je vader of moeder mag zeggen, dat een ouder verstoten wordt. Tenslotte ondergaat het kind het ouderverstotingssyndroom, zoals de Amerikaanse hoogleraar kinderpsychiatrie Richard Gardner beschrijft. (Zie: The Parental Alienation Syndrome", waarbij identiteitsverlies, waarvoor het kind vaak pas op dertig- of veertigjarige leeftijd een therapie zal doormaken.)

HOE VOORKOMEN WE PROCEDURES OVER KINDEREN NA ECHTSCHEIDING? ZIJN ZULKE PROCEDURES NOG NODIG? HEBBEN ZIJ ENIG NUT?

Advies aan wetgever, rechter en Orde van advocaten: barrières opwerpen tegen tweeadvocatenprocedures in het algemeen en in het bijzonder over kinderen (zie stellingen 41 en 42 in genoemd Handboek*). Hierbij kan aangesloten worden aan de Beleidsbrief van de Staatssecretaris van Justitie in 1997 aan de Tweede Kamer, waarin zij schrijft: Scheidende mensen zijn primair zelf verantwoordelijk voor de rechtsgevolgen van hun scheiding. D.w.z. dat zij tot overeenkomsten dienaangaande moeten komen, desgewenst met een bemiddelaar. De aanbeveling van de Staatssecretaris leidt tot het primaat van de overeenkomst en, daarvan afgeleid, het primaat van de bemiddeling. Wat let de wetgever om geen eenzijdige verzoeken tot echtscheiding of aanverwante procedures toe te staan zonder daaraan voorafgaand gebleken serieuze pogingen om tot overeenkomsten te komen?

Zeker in kinderzaken is verplichte bemiddeling noodzakelijk, want de juridische processen functioneren als exercitievelden van vechtende ouders die in strijd zijn met het belang en de ontwikkeling van het kind. Het is niet goed in een oorlog groot te worden. Het kind dient beschermd te worden tegen zulke respectvernietigende, tijdrovende, de kinderleeftijd en het kinderlijk tijdbesef verre overschrijdende, geldverslindende en kindermishandelende procedures, waarvoor de overheid, in casu de wetgever, nota bene de wapens levert en waaraan de Nederlandse Orde van Advocaten geen grenzen stelt. Alleen reeds de tijdsduur nodig om de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming te maken, is in strijd met het kinderlijk tijdsbesef en ontzet kinderlevens.

Bovendien zijn de meeste rapporten overbodig, want ze gaan nog over de vraag "wie de beste of de slechtste ouder is". Sommige rapporten lijken meer op gesubsidiëerde roddel dan op serieuze forensische rapportage Pro Justitia. De vraag naar de beste of slechtste ouder komt nog uit de tijd dat één ouder de macht kreeg en de andere niets en mist relevantie. Dat mag de overheid ook niet onderzoeken, niet tijdens huwelijk en niet na scheiding, want datzelfde ouderlijk gezag loopt bij echtscheiding door. Zo'n onderzoek is ook in strijd met een een ander mensenrecht, nl. het privacybeginsel, neergelegd in art. 8 EVRM.

Het recht kan slechts kaders scheppen voor familierechtelijke relaties, niet de relatie zelf verbeteren. De onderzoeken van de Raad in scheidingszaken naar de relaties stammen uit een tijd dat het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens niet bestond en de Raad nog moest uitzoeken "wie de beste ouder was." Onder het Verdrag en de huidige wet worden beide ouders na scheiding even goed of slecht geacht als tijdens huwelijk. Hun kwaliteit is tijdens huwelijk en na scheiding niet aan de orde. Tenzij een kinderbeschermende maatregel nodig zou zijn, maar daarmee verlaten we het private domein van de echtscheiding, maar het lijkt me zeer de vraag of de Raad die een privaatrechtelijke kwestie na echtscheiding onderzoekt, dit onderzoek zonder vorm van proces mag veranderen in een publiekrechtelijk kinderbeschermingsonderzoek. Het gaat hier immers om private rechten van kinderen en ouders op contact met elkaar, niet om kinderbeschermingsrecht. Rechten van kinderen, zoals neergelegd in het omgangs en gezagrecht, behoren tot het privaatrecht; kinderbeschermingsrecht heeft een publiekrechtelijk karakter (waarvoor de Raden voor de Kinderbescherming zijn ingesteld). Sinds op echtscheiding geen taboe meer rust, sinds de schuld aan scheiden geen reden meer is om iemand het gezag te onthouden (dat was ongeveer een eeuw geleden zo) is echtscheiding geen signaal om kinderen te beschermen.

Procedures betreffende gezag en omgang missen in vrijwel alle gevallen relevantie, tenzij het nodig zou zijn de rechter te vragen om de voorzetting van de contacten tussen kind en ouders te verbeteren, daartoe tot een regeling van het contact te komen en eventueel een bemiddeling op te leggen. De voortzetting van de contacten zelf is reeds beslist door de wet. Alleen in gevallen van incest, kindermishandeling of frustratie van de ouderkindrelatie kunnen zulke procedures nog relevant zijn. Ook in deze gevallen zal het verstandig zijn eerst de scheidingsmelding te controleren of te behandelen, omdat het nonadieu de onverwerkte scheidingen en de deloyaliteit jegens omgang veroorzaakt.

Bij frustratie van contact door de verzorgende ouder kan de rechter, zonder enig rapport, op de eerste zitting paradoxale toewijzing van de verblijfplaats uitspreken. Maar het is meestal voldoende om dat aan de orde stellen en de zaak ter controle aan te houden, eventueel met bemiddeling. Het kan ook zijn dat de rechter, wat de verblijfplaats van het kind betreft, een belangenafweging wil maken en daarvoor een onderzoek wenst naar de feitelijke beschikbaarheid en de mogelijkheden van zorg. Maar zo'n onderzoek kan, voor zover het al niet op de zitting zelf plaatsvindt, binnen enkele weken plaatsvinden.

PARADOXALE TOEWIJZING
Ik kan waardering opbrengen voor degenen die geen harde sancties willen tegen frustratie van omgang, maar zo'n frustratie is wel in strijd met wet en Verdrag en met de rechten en belangen van kinderen en het kan kinderen ook voor hun leven gehandicapt maken. In mijn Handboek* zult u voor zulke gevallen aantreffen de paradoxale gezagstoewijzing: wie niet loyaal staat tegenover een royale omgang, wordt het gezag ontnomen ten gunste van de ouder die wel royale omgang toestaat. Wie geen contacten toestaat of "de voortzetting van family life" minimaliseert tot de beruchte paar uurtjes om de veertien dagen, maakt zijn of haar emoties niet ondergeschikt aan de ouderrol. Hij of zij staat een goed functioneren van het gezamenlijk gezag in de weg en levert een onaanvaardbaar risico op als medegezagsdrager. Verlies van het ouderlijk gezag in zo'n geval, zoals ik in mijn Handboek voorsta, is een uiterste middel.*** In de tweede druk zal ik daaraan vooraf laten gaan de paradoxale toewijzing van de verblijfplaats. Dat heeft dezelfde gevolgen, maar juridisch blijft het gezamenlijk gezag bestaan.

Op een symposium over mediation vroeg een rechter hoe dat kon, als de loyale ouder niet voor het verblijf van het kind kon zorgen. Het antwoord is: juridisch gaat het niet om het feitelijk verblijven, maar om de vraag wie heeft "de macht over de verblijfplaats". Dit middel zal in de meeste gevallen voldoende ruimte bieden om de contacten tussen ouder en kind te herstellen, al of niet via daaraan gepaard gaande bemiddeling. Pas als dat niet voldoende zou zijn voor herstel van het contact, komt de eenhoofdige gezagstoewijzing aan de orde ten gunste van de ouder die loyale omgang bevordert. Maar zover zal het doorgaans niet komen, constateerde ik reeds in de praktijk.

Uiteraard zal de rechter tevens naar bemiddeling verwijzen om de scheidingsmeldingsinteractie te doen plaatsvinden, waardoor de verstopte scheidingsverwerking, die de procedure veroorzaakte, alsnog wordt gedeblokkeerd. Tegen verplichting van zo'n bemiddeling bestaat evenmin bezwaar als tegen verplichte inenting of een noodzakelijke blinde darmoperatie.

Peter Hoefnagels, emeritus hoogleraar familierecht en scheidingsbemiddelaar. Oudlid van de Eerste Kamer. Scheidingsbemiddelaar.

* G.P.Hoefnagels: "Handboek Scheidingsbemiddeling. Mediation als methode van recht en psychologie". Tjeenk Willink, Deventer 2000.
** G.P.Hoefnagels: "Gelukkig Getrouwd Gelukkig Gescheiden. Bemiddeling en overeenkomst bij trouwen en scheiden." (publieksuitgave) 4e druk. L.J.Veen, Amsterdam 2000.
*** In dezelfde geest: P. Vlaardingerbroek: Omgangsrecht. Een lezing over omgangsrecht en zijn juridische (on)mogelijkheden. Lezing aan de KUB te Tilburg.


HET PRIVATE DOMEIN NA ECHTSCHEIDING
Emeritus Prof. dr. G.P. Hoefnagels

Bron: Website Ouderverstoting

Voordracht van prof. dr. G. P. Hoefnagels voor de Vereniging Personen- en Familierecht Advocaten op 15 november 2001 in Landgoed De Reehorst te Driebergen, 2001

1950 - 2001. Wet en Verdrag, een illusie?

KORTE GESCHIEDENIS:

RECHT OP CONTINUERING RELATIES KIND-OUDERS EN GROOTOUDERS:

- 1950 EVRM: CONTINUERING VAN FAMILY-LIFE
- 1974 MARX-ARREST
- 1981 ARREST HOGE RAAD GEZAMENLIJK GEZAG NA ECHTSCHEIDING
- 1990 INTERNATIONAAL VERDRAG VAN DE RECHTEN VAN HET KIND (DOOR NEDERLAND ONDERTEKEND IN 1995)
- 1995: RECHT OP CONSULTATIE EN INFORMATIE VOOUR OUDER-ZONDER-GEZAG
- 1998 VOORTZETTING GEZAMENLIJK OUDERLIJK GEZAG ALS NORM. GEZAG IMPLICEERT CONTACT (377h B.W.1)
- 1999: H.R.: UITSLUITEND EENHOOFDIG GEZAG BIJ "ONAANVAARDBAAR RISICO"
- 2000: VERBLIJFPLAATS, AMBTSHALVE, ALS NEVENVOORZIENING

Het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens is vanaf 1950 geldig, maar de Nederlandse overheid is niet erg ijverig geweest met de invoering en uitvoering ervan.

(Het Internationaal Verdrag van de Rechten voor het Kind is in 1990 gesloten en in 1995 door Nederland ondertekend.)

In de jaren zeventig baarde het Marx-arrest opzien, waarin iedere discriminatie van kinderen (te onzent: "onwettige", "natuurlijke", "overspelige" kinderen en we kunnen daaraan toevoegen: kinderen na echtscheiding) op grond van het EVRM werd verboden en uit de nationale wetgeving moest worden geëlimineerd. In de jaren tachtig kwam de Hoge Raad met een voorzichtig arrest over voortzetting van gezamenlijk ouderlijk gezag bij "goede verstandhouding" als een eerste stap naar "de continuering van family-life" en een niet mis te verstane verwijzing naar het private domein in artikel 8 van het EVRM, in het bijzonder het recht op privacy in de vorm van het respect voor de ouder-kind-verhouding na echtscheiding. Artikel 8 heeft met continuering van family-life van den beginne daarin betrokken de grootouders en de ouders uit niet gelegaliseerde samenlevingen, ook die zonder gezag. Het gaat om de rechten op relaties van het kind.

De vereiste continuering van 'family life' na echtscheiding van het kind met beide ouders werd in Nederland in 1990 in de wet vastgelegd door een omgangsrecht van rechtswege voor het kind en de ouder die geen gezag heeft (377a BW 1). Alleen indien "zwaarwegende belangen" van het kind dit vereisten, kan uitsluitend de rechter hier een uitzondering op maken door ontzegging (377a, 3e lid). Ik heb dit wetsvoorstel mee mogen behandelen in de Eerste Kamer en was er zeker van dat vijandige scheidingsemoties de relatie van het kind met de andere ouder niet meer konden frustreren. Staatssecretaris Kosto, die de wet in beide Kamers behandelde, was daar ook van overtuigd.

In 1995 werd de relatie van de ouder zonder gezag ten opzichte van zijn/haar kinderen nog eens versterkt door het recht op consultatie en informatie (artt. 377 b en c, 1 BW).

Sinds 1998 is voortzetting van het ouderlijk gezag van beide ouders na echtscheiding wet. Ook deze wet versterkte de continuering van family life. Daarmee werd het contact van het kind met beide ouders nog eens extra verankerd als mensenrecht. Ontzegging van dit recht is in geval van gezamenlijk gezag uitgesloten. Gezag impliceert contact (377h BW 1). Sinds het arrest van de Hoge Raad van 10 september 1999 is het gezamenlijk gezag nog eens bevestigd: geen eenhoofdig gezag, tenzij een ouder "een onaanvaardbaar risico" voor het kind zou zijn. Zou dat "onaanvaardbaar risico" er zijn als een ouder omgang frustreert, omdat hij/zij niet boven de scheidingsemoties staat? Als de ouderrol ondergeschikt wordt gemaakt aan vijandige ex-partner-emoties begint het proces van ouderverstoting en dat is "een onaanvaardbaar risico". December 2000 erkende de H.R. de rechterlijke beslissing tot bepaling van de verblijfplaats als nevenvoorziening. Hoe dan ook, met dit Verdrag en deze wetgeving en de steeds duidelijker uitspraken van de Hoge Raad, zou een weldenkend mens zeggen, is de voortzetting van de relatie van het kind met ieder van de ouders na scheiding stevig vastgelegd en gewaarborgd. Na vijftig jaar Europees Verdrag geldt dit mensenrecht ook voor de vele tienduizenden kinderen van gescheiden ouders in Nederland.

Maar toen ik in 1995 na mijn colleges op de universiteit en mijn wetgevend werk in de Eerste Kamer weer volop in de praktijk van het familierecht terechtkwam, bleken Verdrag, wet en mensenrechten in die praktijk een illusie. De door de rechter veronderstelde "deskundigen" bij de raden voor de kinderbescherming bleken in veel gevallen de wetten van 1990, 1995 en 1998 betreffende gezag en omgang niet te kennen. Zij gedoogden eenzijdige "stopzettingen" van omgang. Niks geen continuering van 'family life', niks geen mensenrechten in Nederland, niks geen kind-ouderrelatie als de verzorgende ouder het niet wilde. Nee hoor, alles ging gewoon door zoals het ging onder de oude wet, alsof wet en EVRM niet bestond.

Raden voor de kinderbescherming, rechters en advocaten deden vaak niet mee aan de nieuwe wet. Als de ouder bij wie het kind verbleef (in 90 % van de gevallen de moeder) de overeenkomst van omgang, eenzijdig en uitdrukkelijk in strijd met de wet, stopzette, zei de raadsmedewerker, dus de overheid, niet tegen de moeder dat dit in strijd was met de wet, noch stelt hij de rechter onmiddellijk op de hoogte van het onwettig gedrag. Wat is zo'n overheidsorgaan dan nog waard? Wat is een rapport Pro justiti dan nog waard? Ook vroeg de advocaat in kort geding vaak niet om voortzetting van de overeenkomst, maar om een omgangsregeling door de rechter, alsof die regeling al niet bestond. Op dit bij uitstek private domein, waar de ouderlijke verantwoordelijkheid ook door de regering telkens weer primair wordt gesteld, deed men alsof de privaatrechtelijke overeenkomst niet gold. Ook omgangsregelingen die door de rechter worden vastgesteld, blijft de verzorgende ouder stopzetten. Moeders wil is wet en de wetgever kan met zijn blote benen naar bed. In Nederland gaan onwettige relatieverbreking en "stopzetting van de omgang" tot op de dag van vandaag door. Ook de politiek, toch ijverig als het mensenrechten in verre landen betreft, doet alsof continuering van het famileleven in Nederland niet als een mensenrecht bestaat.

Hoe kan dat?

Er is iets taais dat in de weg zit, een taai slijm dat in een verouderde cultuur is genesteld en waartegen we een medicijn moeten vinden. Wat is die verouderde cultuur?

DE ONTWIKKELING VAN DE ECHTSCHEIDING SINDS 1974

Om dat taaie slijm te leren kennen dient als achtergrond de cultuur van de echtscheiding en de ontwikkeling ervan.

Ten tijde van het ontstaan van het nieuwe echtscheidingsrecht van 1972 ontwierp ik een proces-theorie, waarin vijf processen van scheiden werden beschreven:

(Sheet 3: )

1. het menselijk of psychologisch scheidingsproces;
2. het zakelijk scheidingsproces;
3. het juridisch scheidingsproces;
4. het proces van de omstanders;
5. het maatschappelijk scheidingsproces.

Deze processen liepen niet parallel, maar kwamen geregeld met elkaar in botsing. Het ging mij om het consumenten-perspectief in het recht, maar er bestond geen afstemming op het menselijk, relationeel of psychologisch proces van scheiden.

Terwijl ik aan de beschrijving van deze processen bezig was, ontdekte ik - het was in 1974 - de bemiddeling, waardoor afstemming van het zakelijk en juridisch proces op het menselijk proces van scheiden vanzelfsprekend werd.* Sindsdien heb ik wekelijks met twee scheidende mensen aan tafel gezeten en 1000 scheidingsovereenkomsten gemaakt. D.w.z. van nabij zag ik de psychologie, de zaken en de juridiek van de scheiding, kortom het private domein van art.8 EVRM zich ontwikkelen.

(Sheet 4:)
VERANDERINGEN IN DE SCHEIDINGSCULTUUR:

-'Schuld' maakt plaats voor verantwoordelijkheid
- 'duurzame ontwrichting' wordt 'verstoting'
- Vrouw neemt vaker inititief tot scheiden
-'Victoriaanse scheiding' maakt plaats voor emancipatoire scheiding
- accent op duur van alimentatie, carrière-perspectief en levensperspectief
- de zorgvader

Sinds het scheidingsrecht van 1972 kunnen gehuwde mensen van elkaar af op grond van "duurzame ontwrichting". Korte tijd kon door de gedagvaarde partij nog een beroep worden gedaan op "een grotere mate van schuld" van de ander, maar ook dit laatste restant van schuld is uit de wet verdwenen. De "duurzame ontwrichting" functioneert als een wettelijk verstotingsbeginsel, waar ook de vrouw in ruime mate gebruik van maakt. Volgens onderzoeken uit de jaren tachtig werd de scheiding in 75 % van de gevallen door de vrouw aanhangig gemaakt. In mijn bemiddelingspraktijk neemt de vrouw vaker het initiatief tot scheiden dan de man.

Van 1974 tot heden heb ik de echtscheidingscultuur zien veranderen. Ik noem enkele veranderingen:
- het maatschappelijk taboe op de echtscheiding (proces 5) is zo goed als verdwenen. Maakten we in de jaren zeventig, begin jaren tachtig, met de scheidenden nog een plan hoe de omstanders, familie, vrienden, de werkgever, de kerk en de kennissen (proces 3), van hun scheiding op de hoogte te stellen, nu is dat alleen bij uitzondering een probleem.
- de schuldcultuur (proces 3 en 5) is zo goed als verdwenen, de psychologie van het schuldgevoel(proces 1) natuurlijk niet. Het schuldgevoel wordt aan de bemiddelingstafel omgezet in een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een scheidingsovereenkomst. Maar in de cultus van de twee-advocaten-procedures en in een aantal rapporten van de raden blijven schuld en schuldtoewijzing vaak virulent aanwezig.
- de vrouw neemt vaker het initiatief tot scheiden dan de man.
- de "Victoriaanse scheiding" -de oudere man verliet het huwelijk met een jongere vrouw, bij voorkeur zijn secretaresse- verdween ten gunste van de emancipatoire scheiding: de vrouw zegt de man vaarwel om reden van haar eigen ontwikkeling en wegens een onbevredigende relatie.
- de oude discussie over de hoogte van de alimentatie verlegt zich vooral naar de duur van de alimentatie. Hierbij wordt door de vrouw haar carrière ter sprake gebracht. D.w.z. dat de bemiddelingsdiscussie in de kaders van levensperspectieven en leeftijden van man, vrouw en kinderen wordt gevoerd, zoals daar zijn: de schoolleeftijden van de kinderen en het achttiende jaar van het jongste kind, de data van de bijdragen studiefinanciering, en de pensioenleeftijden.
- een variant is de vrouw van in de dertig of veertig die zeventig procent voor de kinderen zorgt en uitrekent wanneer en hoe zij haar carrière nog tijdig tot volle bloei brengt, terwijl de man aanbiedt graag een paar jaar extra aanvullende alimentatie te betalen als zij haar groter aandeel in de zorg voor de kinderen nog iets langer zou willen voortzetten.
- een belangrijke verandering is de nieuwe vader. Stond de vader van de jaren zeventig meestal ver van de rechtstreekse praktische zorg voor de kinderen (dus nog dichtbij de negentiende eeuwse, vaak afstandelijke vader), nu is de zorgvader naast de zorgmoeder een gewone verschijning geworden. Ik zie dat niet alleen om me heen en bij mijn eigen kinderen, maar hoor dat ook aan de bemiddelingstafel. Ofschoon er zelden menselijke vooruitgang valt te bespeuren in deze wereld, lijkt dit vooruitgang. Vaders die net als moeders van jongsafaan nabij zijn aan hun kinderen, hen verzorgen, met hen meegroeien, die niet alleen afwassen en een ei bakken, maar gewoon kunnen koken, soms lekkerder dan zij het kan), die de was doen en de luiers verschonen. Mocht de jonge vader drie kwart eeuw geleden nog niet bij de bevalling zijn en moest hij buiten de kraamkamer wachten tot de zuster met de baby kwam, vijftig jaar geleden zette hij zijn eerste schreden in de kraamkamer en, na wat voorzichtige oefeningen, is hij nu, bij alle verschil, een hulpe de vrouw bijna gelijk. Hij is evenveel in de babykamer als moeder, loopt achter de kinderwagen of heeft het kind in de draagdoek. Verdomd, die onwrikbare, statige, afstandelijke negentiende eeuwse vader is verdwenen. Hij is zelf anders. Hij doet de huishouding niet hetzelfde als de vrouw, zoals de directrice niet hetzelfde handelt als de directeur. Zelden zie je vooruitgang, maar hier zie je het.

GEZAG EN OMGANG

Informatie over de nieuwe wetgeving inzake gezag en omgang valt bij de mensen die via bemiddeling scheiden als Gods woord in een ouderling. Er wordt aan de bemiddelingstafel niet over "recht op het kind" gesproken (dat recht bestaat bij mijn weten ook niet), maar over beschikbaarheid en zorg, relatie, contact en oppas (zie het zorgmodel van Van Leuven). Er wordt gesproken over collegiale samenwerking van ouders die voor hun kinderen moeten zorgen. Al hebben zij hun rol van huwelijkspartner afgelegd (daartoe werd de scheidingsmelding, het adieu, nog eens doorgenomen -zie mijn Handboek Scheidingsbemiddeling**-), wel hebben zij te maken met hun rol als ouder, gebaseerd op het recht van het kind op contact met beide ouders. Tot die collegiale gezagssamenwerking, in welke vorm dan ook, distant of hartelijk, functioneel of amicaal, zijn ouders verplicht, al of niet met een incompatibilité d'humeur, voor het leven. Respect voor de partner mag verdwenen zijn, wederzijds respect van de ouders voor elkaar is, hoe afstandelijk soms ook, noodzakelijk. Collegiaal respect. De ouder die dat respect mist, is een risico voor het kind. In eenvoudige termen: de minimum doelstelling van de ouderlijke afspraken in een scheidingsovereenkomst is: dat men gelijkelijk (on)tevreden is en op de hoogtepunten van het leven van de kinderen (examens, huwelijk, toneelvoorstelling) zonder problemen samen aanwezig is. In de meeste gevallen wordt een hogere doelstelling bereikt.

Kindermishandelende procedures

Wanneer mensen echter in een twee-advocaten-procedure om de kinderen gaan strijden, lijkt het een bokswedstrijd zonder regels, een catch as catch can, waaronder kinderen lijden en ouders hun respect verliezen. Dat ligt in beginsel niet aan de advocaten, maar aan de polariserende structuur van de procedure. De kinderen lijden onder déloyaliteit van ouders tegenover elkaar. Daar leden zij eventueel reeds onder in de turbulente fase (vóór de scheidingsmelding). de kribbigheid, de haat en agressie, de vervreemding tussen de ouders worden tijdens het proces manifest en beheersen de emoties van de ouders. Als de omgang met de andere ouder ondertussen niet doorgaat, moet het kind door de verzorgende ouder iets verteld worden en dat is meestal niet veel goeds. Het kind hoort aanvankelijk wel dat er leugentjes zijn over vader, maar door herhaling en om bij moeder niet teveel agressie op te roepen, "leert" het niet meer te reageren. Het ouderverstotingsproces wordt ingezet. Er is tijd nodig om het kind aan te praten dat er een ouder aan hem ontvalt. Er moet verzonnen worden. Die tijd wordt door de procedure aan moeder gegeven als ondertussen de omgang wordt stopgezet. Het ouderverstotingsproces is een complex proces. Het kind moet gaan denken en handelen tegen zijn belang in, schrijft de Amerikaanse hoogleraar kinderpsychiatrie Richard Gardner in zijn lijvige studie over het Parental Alienation Syndrome.

(Sheet 5:)
Parental Alienation Syndrome (PAS) of HET OUDERVERSTOTINGSSYNDROOM.
(Op Sheet boek van Richard Gardner en samenvatting voor Nederland)

Het begint met programmering van het kind: eerst minachting van de niet-verzorgende ouder, nageprate leugens, vijandschap jegens de familie van de andere ouder, het overnemen van de haat-emoties, uitsluiting, eindigend in het Parental Alienation Syndrome, de zg. PAS. Het is een vorm van psychische kindermishandeling met als resultaat: kinderen die voor hun verdere leven gekenmerkt zijn door:
- emoties van de programmerende ouder worden overgenomen, een- zijdige idealisering
- dingen aannemen die niet overeenstemmen met hun eigen waarnemingen;
- verwarring, onzekerheid, gebrek aan zelfvertrouwen;
- breuk met de werkelijkheid; problemen met inschatten van de werkelijkheid;
- meermalen openlijke vijandigheid tegen de verstoten ouder, soms tot moord toe (de moord in Renkum). Naast de vijandigheid soms ook het gevoel een groot verlies te ervaren.
- Depressies en paranoia komen vaak voor bij PAS-kinderen.
- Vaak ontstaat er identiteitsverlies (PAS-jongens na vaderverstoting, PAS-jongens na moederverstoting)
- Pas op veel latere leeftijd zoeken zij soms weer contact met de verstoten ouder, niet zonder schuldgevoel jegens de programmerende ouder, soms na een forse therapie, soms na een breuk met de programmerende ouder.

Paul Vlaardingerbroek rekende (op basis van cijfers van het CBS) uit dat er jaarlijks zo'n 16000 echtscheidingen met kinderen zijn en in 10% ervan wordt over de kinderen geprocedeerd.** Jaarlijks worden zo'n 1600 procedures gestreden, waarbij 3200 kinderen onderhevig zijn aan gevechten van hun tot in de vezels gespannen déloyale ouders. Alleen de commerciëel denkende advocaat wint aan zo'n strijd, want iedere emotie is goed voor een procedure. Rechters doen hun best eruit te komen, maar niet zelden zie je ze denken: "Als God het niet meer weet, weet de raad het nog". En te vaak handelen ze ernaar.

Want de raad kent vaak de wet niet, gedoogt dat de verzorgende ouder de omgang stopzet en adviseert de rechter de verzorgende ouder maar niet te storen in haar "beleving van de andere ouder" en de omgang te minimaliseren ("zaterdagmiddag van twee tot vijf eenmaal per veertien dagen"! Ijssalon-omgang. Is dat "voortzetting van ouderlijk gezag"? Voortzetting van een kind-ouder-relatie? Soms zelfs wordt de stopzetting door de rechter beloond met een ontzegging van omgang, zelfs bij twee ouders met gezag, wat volgens artikel 377h B.W.1 helemaal niet kan. Gezag impliceert contact. De rechter kan, als een ouder erom vraagt, wel regelen hoeveel contact. Hoe kun je gezag uitoefenen zonder omgang? Overigens is zo'n verzoek om een omgangsregeling door de rechter tevens een indicatie voor bemiddeling, meestal wegens een non-adieu (of gebrek aan scheidingsmelding). De collega's samen aan tafel in ieder geval.

In een raadsrapport dd. 2000 valt te lezen dat er geen bezwaar is tegen omgang van het kind met vader, maar in moeders beleving(!) is die omgang onduldbaar. Advies: geen omgang. Ten einde raad volgde de rechter het advies. Einde contact van het kind met zijn vader. Het onwettig einde van een mensenrecht voor kind en ouder.

HOE KOMEN ZULKE BESLISSINGEN TOT STAND? WAT ZIJN DE BESTANDDELEN VAN HET TAAIE SLIJM DAT HANDHAVING VAN DE WET BELEMMERT?

Wat de raad betreft is het voor de politiek interessant. De raden vallen onder de politieke verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van justitie. In een aangename en veelbelovende bespreking op het hoofdkantoor van de raden in augustus vernam ik van het hoofd van het hoofdkantoor dat er thans veranderingen in gang zijn gezet bij de raden, waarover straks meer. Maar tot voor kort en ook gisteren nog konden we ons verbazen over het negeren door verscheidene raadsmedewerkers van de wet, het gedogen van stopzetting van omgang, het niet aan één tafel spreken met beide ouders, het gebrek aan kennis van de wetgeving inzake gezag en omgang en van de psychologie van het scheidingsproces, het negeren van de scheidingsmelding als passage van de irrationele naar de rationele fase van scheiden, een ondeskundige rapportage, een en ander naast gunstige uitzonderingen bij een aantal rapporteurs.

Een recente procedure in kinderzaken

Volgen we een recente zaak die februari 2000 in kort geding aanhangig werd gemaakt en enig zicht geeft op de activiteiten en passiviteiten van rechter, raad en advocaat en bijna alle malheurs van vandaag te zien geeft, in ieder geval genoeg om ons vanmiddag bezig te houden. We zullen het DE ZAAK PAULUS noemen.

(Sheet 6: )
DE ZAAK PAULUS

- Na 18 jaar huwelijk wordt in 1997 Paulus geboren.
- Moeder verlaat de woning met medeneming van Paulus. Echtscheiding 1998. Vader heeft meer dan een jaar iedere zondag omgang, vastgelegd in overeenkomst en door de rechter.
- Juli 1999: Moeder stopt omgang. Vader probeert moeder te bewegen omgang te hervatten, maar zonder succes.
Februari 2000: kort geding aanhangig.
Maart 2001: De rechter in kort geding beslist tot "onmiddellijke omgang, bemiddeling en een raadsrapport binnen drie maanden".
April 2001: De moeder weigert na uitnodiging van de raad met de man aan tafel te komen; de raad gedoogt dat. De cliënt meldt het aan zijn advocaat.
- Mei 2001: De volgende afspraak van de raad is met haar alleen. De raad slaat de door de rechter verplichte bemiddeling in de wind, zonder de rechter zulks te berichten. Op weg naar de afspraak met de raad, keert de vrouw terug naar huis en meldt zich ziek. De raad neemt het voor kennisgeving aan, de advocaat ook.
- Honorering van gedrag bevordert dat gedrag en moeder blijft omgang weigeren. De raad gedoogt dat. De advocaat van de man neemt het voor kennisgeving aan.
- De raad stelt de rechter niet op de hoogte van moeders weigeringen, handelt lijnrecht tegen de opdrachten van de rechter en miskent aldus het forensisch, wettelijk en rechterlijk kader.
-De raad maakt een nieuwe afspraak met de man apart en de vrouw apart na de vacanties, het is inmiddels september 2001.
De rechter dringt aan op rapport.
- De raad spreekt met de vrouw, maar vraagt nergens naar wat moeder aan het kind heeft verteld.
- Vader ziet het kind in de supermarkt en speelt er een uurtje mee. Het kind is blij hem te zien.
- Van september tot december 2000 vraagt de raad uitstel. Het rapport komt tenslotte, na nogmaals aandringen van de rechter, begin december 2000. Het kort geding van maart werd op 30 december voortgezet.
- Er was, zei het raadsrapport, geen bezwaar tegen contact van het kind met de vader, maar "de beleving van de verzorgende moeder" maakte dat zij "er niet tegen kan dat het kind contact heeft met vader".
- De beleving ging boven de feiten. De beleving van de moeder ging boven de beschikbaarheid van de vader. De beleving van de moeder dat "hij het kind wel eens iets zou kunnen aandoen" ging boven de feitelijke constatering van de raad "dat er tegen een omgang met de vader geen bezwaar was in te brengen." Advies: geen omgang voorlopig totdat moeder hulpverlening heeft gekregen en zover zal zijn. (Neemt u in acht als het woord "hulpverlening" valt. Het is een kunstwoord. Het kunstwoord suggereert dat ooit alles goed zal worden, als de verlosser komt. Als vader eerst gestraft wordt met het kind. In de jaren zestig schreef ik met anderen een boek: "Help, ik word geholpen". Ik variëer op het gedicht van Lucebert: "Help, het helpen heeft zijn gezicht verbrand." Waaraan verbrandde zijn gezicht? Aan de subsidiestroom. Die paar echte helpers vergeven mij, maar het wordt tijd dat zij hun collega's wakker schudden. Er is ook geen plan van hulpverlening. Er zal ook niets gebeuren, behalve de oudervervreemding en ouderverstoting. De procedure heeft tot doel: het belang van het kind, maar niemand heeft het over het kind. Natuurlijk lijdt Paulus onder de déloyaliteit van zijn ouders, but nobody cares, de raad niet, de moeder niet, en de rechter ziet twee vechtende ouders.
- De cliënt belt mij een week voor het kort geding en stuurt de stukken. Zijn advocaat belt mij de avond voor de zitting. Hij is geen familierechtadvocaat en is niet op de hoogte van de artikelen 251 BW e.v., noch van 377a en 377h BW. Ik leg hem desgevraagd uit dat stopzetting van omgang niet mag, dat bij eenhoofdig gezag ontzegging van omgang door de rechter mogelijk is, maar bij gezamenlijk gezag ontzegging niet mogelijk is.
- Op de zitting vergeet hij het gezag van vader en informeert hij de rechter dat voor stopzetting van omgang ontzegging nodig is.
- De rechter neemt het raadsadvies over en de instructie van de advocaat, nota bene met ontzegging van omgang van een vader met gezag, dus in strijd met de wet (377h), en met voorbijgaan aan zijn tussenvonnis van negen maanden geleden. De rechter vergat zijn eigen tussen-vonnis en spreekt een Alzheimer-vonnis uit.
- De beleving van de moeder ging boven de waarheid en boven de rechten van de mens, het kind en de vader.

Wat gebeurt er met het kind en zijn beleving? Het raadsrapport wijdt er geen woord aan. Niemand eigenlijk. De procedure in kinderzaken pretendeert het belang van het kind voor ogen te hebben, maar de procedure zelf negeert dat belang en is daarmee doorgaans in strijd, zeker als de omgang ondertussen niet doorgaat. De duur van de procedure is onverenigbaar met het kinderlijk tijdbesef. De déloyaliteit, d.w.z. de haat en vijandschap tussen de ouders wordt door de procedure verhevigd en het is juist die déloyaliteit (lees: haat en agressie) waar het kind onder lijdt, zowel tijdens huwelijk als na scheiding. Als de scheidingsmelding niet heeft plaatsgevonden, gaat de turbulente fase ook na de scheiding door.

Wat zegt de omgangsfrustrerende ouder tegen het kind? Niemand ten processe vraagt ernaar. Niet veel goeds over zijn vader. Het kind leert eerst dat een relatie zo maar kan wegvallen, niet door overlijden, maar vanwege haat en agressie als opvoedingsmiddelen. Het moet vinden dat de andere ouder niet deugt en zo wordt het proces van oudervervreemding en ouderverstoting ingezet.

In alle expertises die ik in deze zaken uitbracht bleek de oorzaak te liggen in het non-adieu, het gebrek aan afscheid door afwezigheid van een voltooide scheidingsmelding. Ook in deze zaak. Moeder ging het huis uit naar een kliniek die bij haar binnenkomst diagnostiseerde dat ze afhankelijk was van haar man. Ik las de papieren van de kliniek. Doelstelling behandeling: autonomie van de vrouw. Drie maanden later: doelstelling bereikt: de vrouw ging scheiden. Het kind was in die maanden bij de kinderloze zus van de vrouw en bij de moeder van de vrouw. Daar is het vijf dagen van de week nog.

Gebrek aan kennis van de psychologie van het scheidingsproces

De omgang werd in feite geweigerd op grond van het feit dat de verzorgende ouder ex-partner-emoties liet prevaleren boven de ouderrol. Dat kan alleen door beide partijen samen aan één tafel verholpen worden. Wie dat weigert houdt de partner-emoties in stand ten koste van de ouderrol. Een overheid, een raad dus, die dat aanvaardt en het onderzoek dan maar aan twee tafels apart doet, is niet op de hoogte van de psychologie van de echtscheiding en handelde in het genoemde geval bovendien in strijd met de opdracht van de rechter. Evenmin strookt zo'n apart horen van de ouders met de Beleidsbrief van de Staatssecretaris van 1997 die bemiddeling en overeenkomst voorstaat. 1997. Hoe taai is taai slijm, dat ambtenaren zich niets aantrekken van hun opperste, politieke chef? En niets weten van de in degelijke studies beschreven ouderverstoting van Richard Gardner, die door het ministerie van justitie werd uitgenodigd op een congres voor kinderbeschermers in Nederland.

Het zogenaamd "gedragskundig rapport" van de raadsmedewerker gaf geen blijk iets te weten van de psychologie van het scheiding. Het rapport bleef hangen in een sentiment voor de moeder. Dit sentiment is ook verklaarbaar uit gebrek aan kennis van de psychologie van het scheidingsproces, in het bijzonder van de scheidingsmelding en haar katharse-functie, naast een verouderde opvatting van de zorgende moederrol en een achterlijke miskenning van de nieuwe vaders. Uit dit taaie slijm van gebreken en sentimenten wordt de uitweg gezocht in geen omgang om "rust" te krijgen, "rust" voor de verzorgende moeder en waarschijnlijk ook rust voor de rechter en de raad die daarmee hopen van de zaak af te zijn.

De "rust" voor het kind is schijn, want voor het kind houdt de strijd niet op. Het begon met 'Pappa is niet lief', maar dat is bij een onverwerkte scheiding van de moeder onvoldoende. Waarom niet naar pappa? Daar is wat grover geschut voor nodig. Pappa komt er zwart en gehavend uit. Is dat voor het kind "rust"?

Gevolgen van de verbreking van de ouder-kind-relatie: tijdens de anderhalf tot vier jaar durende procedures wordt voor het kind, zoals we zagen, het ouder-verstotingproces ingezet en wordt een dierbare relatie aan de dijk gezet. Tenslotte ondergaat het kind het ouderverstotingssyndroom met de psychische stoornissen van dien. Dit proces van ouderverstoting heet in de door mij gewraakte praktijk dus "rust". Het klinkt als het militair commando aan een compagnie in oorlogstijd: "Op de plaats: rust". Tijdens die rust kan het kind de loopgraven in van een bijvoorbaat verloren gevecht.

(Sheet 7:)
DE KLACHT ALS WAPEN

Het non-adieu van de partners, het gebrek aan afscheid of scheidingsmelding leidt bij een aantal verzorgende ouders, in het bijzonder bij de zg. "terugtrekkers" -zoals Mc.Gillavry ze noemt naar het communicatie-model van Watzlawick-, tot het inzetten van derden, zoals de politie, de slachtofferhulp, het meldpunt kindermishandeling en tenslotte de aangifte van strafbare feiten. Sinds Pipo de Clown en de Bolderkar is aangifte van incest favoriet. Sex ligt voor de hand. Sex is bij de hand. De klacht als wapen, schreef de daarin gespecialiseerde advocaat Chris Veraart in zijn boek "Valse zeden". (In Nederland is, schreef A. van Montfoort in zijn dissertatie, inzake incest niet gekozen voor het hulpverleningsmodel, maar voor het strafrechtelijk ingrijpen. Dat gaat zover dat zelfs jonge kinderen gehoord worden en als getuigen gebruikt tegen hun ouders. Van Leuven bepleit de aangifte te herleiden tot het relationele model tussen de partners. Dus bemiddeling. Inderdaad zien we na een voltooide scheidingsmelding een heilzamer weg geopend tussen de ouders. Over de relationele aspecten van incest, zie ook de dissertatie van de psychiater Dr. S. Van der Kwast.) De keren dat mij om een expertise werd gevraagd bij een incest-aangifte, liep deze uit op een sepot of een vrijspraak, ook als politie en hulpverleners bevooroordeeld handelden. Sinds de recente kritische en verhelderende expertise van justitie over de studio-verhoren lijkt de hype van "incest moet" naar zijn einde te lopen. Het aantal onbewezen aangiftes is, volgens Gronings onderzoek, zeer hoog.

De wens van moeder om vader (zoveel mogelijk) buiten te sluiten komt voort uit haar gebrek om in haar ouderrol boven haar scheidingsemoties te staan. Wie daaraan toegeeft, rechter, raad of advocaat, miskent een oud rechtsadagium: AAN EIGEN SLECHTHEID (OF GEBREK) KAN MEN GEEN RECHT ONTLENEN.

Summa summarum: het taaie slijm zit 'm in een verouderde cultus van verouderde opvattingen over vaders en moeders na echtscheiding, onkunde over Verdrag en wet, miskenning van de rechten voor de mens en voor het kind en gebrek aan kennis van de psychologie van het scheidingsproces en gebrek aan kennis van het ouderverstotingsproces en het ouderverstotingssyndroom. Kortom, het omgaan met de normen en de emoties van echtscheiding, recht en psychologie zijn aan de orde.

Tot slot van het eerste deel van mijn one man shows een televisie-uitzending met de advocaat van de vrouw. Ik zal er een deel uit voordragen. De video-band is in het bezit van uw voorzitter.

DE ADVOCAAT. EEN TELEVISIE-UITZENDING

De advocaat van de vrouw had op de televisie haar zienswijze op kinderzaken uiteengezet in een uitzending dd. 28 februari 2000 met de titel "In het belang van het kind". Ik laat u dit horen ter eigen beoordeling. Naar eigen zeggen heeft ze drieduizend kinderzaken gedaan. Het gaat om een stem uit de praktijk. Ik citeer de advocaat:

"Ik adviseer de mannen die bij me komen en die problemen hebben met de omgang. Dan begin ik op de eerste plaats de rechtspositie te verduidelijken en te zeggen, dat ze als man in het Nederlandse recht praktisch nergens staan en dat ze bijna nergens op kunnen terugvallen, dat ze afhankelijk zijn van de goodwill van hun partner en dat dat inhoudt, wat mij betreft, en dat woord gebruik ik heel vaak: pappen en nat houden.

Dat wil zeggen dat ik zeg van nou geef maar toe, en ook al vindt u het onredelijk wat uw vrouw van u eist of noem maar op. Probeer in ieder geval de situatie niet zodanig te laten escaleren dat mevrouw het kind weghoudt, want als het eenmaal zover is, dan kun je het niet meer terugdraaien.

Ik bedoel dan staan de posities van partijen al zover van elkaar verwijderd dat gewoon die vrouw er als het ware een prestige-object van maakt om haar kind maar van de man weg te kunnen houden en ik zeg tegen de vader dan ook: u moet zich.., u moet toch maar proberen in gesprek te blijven en ondanks het feit dat u meent...het onredelijk vindt, toch uw vrouw op een of ander manier tegemoet te komen in het belang dat u het kind ziet.

Presentator:....

Advocaat: "Je kunt niet naar de politie gaan en zeggen van: kijk, hier heb ik een beschikking van de rechtbank, haalt u mijn kind als vader, dus haalt u mijn kind maar af en brengt u het mij maar weer terug.., een politie is daar niet voor geschikt. Ik bedoel dan zeggen ze: dat is een familierechtelijke kwestie, zoek het zelf maar uit. Je staat in feite machteloos, als je..."

Presentator: "Dat is wel raar als een advocaat dat zegt."

Advocaat: "Ja...als ik, ja..als ik voor de vrouw optreed niet, maar wel als ik voor de man optreed...dan sta ik machteloos als een vrouw niet wil meewerken. Dan heb ik inderdaad nog de mogelijkheid van gijzeling en het opleggen via kort geding van een dwangsom, maar dat heb ik nog nooit meegemaakt...en ik denk als ik dat in de praktijk een keer zou doen, dat dat gewoon averechts zou uitwerken."

Presentator: "Wat ziet u hier bij u het liefste binnenkomen, een gescheiden man of een gescheiden vrouw?"

Advocaat: "Een gescheiden vrouw, ja, want een gescheiden vrouw die krijgt in het Nederlandse echtscheidingsrecht praktisch alles wat ze wil..."

Presentator: "Dat is een winning case voor u?"

Advocaat: "Ja, dat is voor mij een winning case, dat is voor mij een heel prettige zaak om het zo maar eens te zeggen. Je vraagt dus het huis; als er kinderen zijn, krijgt de vrouw altijd het huis toegewezen, de man moet maar zien waar hij onderdak vindt. Ik heb vaak meegemaakt dat de man in de auto slaapt, terwijl de vrouw het huis en de kinderen krijgt toegewezen. Ze vraagt alimentatie. Je stelt zelf de omgangsregeling op zoals het jou het beste uitkomt. Behaaglijk rust je vervolgens achterover en dan is de man aan het woord en die, ja, die moet voor elke kleine centimeter, om het zo maar eens te zeggen, strijden voor wat hij wil hebben. Die vindt wellicht de alimentatie te hoog, die vindt de omgangsregeling te weinig ruim, die vindt dat hij ook recht heeft op het huis, je kunt er praktisch zeker van zijn dat je op alle punten scoort.

........... De rechter vraagt meestal ook de rapportage van de raad voor de kinderbescherming....Waar moet de rechter anders enige waarde aan hechten...?"

Presentator: "Gaat daarmee de kinderbescherming niet een beetje op de stoel van de rechter zitten?"

Advocaat: "Ja, dat zou je wel kunnen zeggen, daarom zeg ik altijd tegen de mannen die ik hier heb, de vaders: als de raad voor de kinderbescherming komt, weer dat pappen en nat houden, probeer u zo goed mogelijk te presenteren, probeer zo weinig mogelijk fanatiek te zijn, probeer u zo goed mogelijk uit te drukken, het huis zo goed mogelijk in orde te hebben, het kind zo goed mogelijk te verzorgen, gewoon om een goede indruk te maken, want die rapportage is doorslaggevend."

Een rechter: ".....dat er een wet moet komen dat het een strafbaar feit zou worden....een extra mogelijkheid naast dwangsom en gijzeling..."

Advocaat: "Ik ken zoveel vrouwen die zo'n ontzettende haat hebben, dat als ik dat wetboek van strafrecht erbij pak en ze dat onder de neus duw, dat ik dan meer indruk maak dan wanneer ik een verhaal ophang van het kind heeft recht op zijn vader...Dan krijg je iets op je strafblad, dat is voor je eigen leven ook een belasting."

Presentator: "Kan het in het belang van het kind zijn, bijvoorbeeld als je kijkt naar de rust voor een kind, dat het papa dan maar niet meer ziet?"

Advocaat: "Ja, ja,... dat is dan heel triest voor de man, als het zover moet komen...

Op een gegeven moment zeg ik dan ook vaak tegen cliënten: probeer uw aandacht op uw werk te richten, of ga sporten of probeer een hobby erbij te krijgen, het komt allemaal op de lange termijn wellicht op zijn pootjes terecht, maar niet nu. U bent teveel gefixeerd op dat doel, omgang met dat kind..."

EINDE UITZENDING.


EINDE EERSTE BEDRIJF. DISCUSSIE

Vraag aan de zaal: Hoe zou u het hoger beroep aanpakken?

Vraag 2: De raad heeft nu als norm: in alle zaken van omgang en gezag eerst verplichte bemiddeling, pas daarna de rechter, voorzover nog nodig. (Zie "Meerjaren Beleidsplan Raden kinderbescherming 2001") Het voor justitie gedane onderzoek van Chin A Fat concludeert overeenkomstig. Het is de bedoeling dat dit wet wordt. Wat vindt u hiervan?

Ik dank u voor uw luisteren. Ik zal nu graag luisteren naar uw discussie. A Bientôt!


HET PRIVATE DOMEIN 2 EEN NIEUWE AANPAK IN KINDERZAKEN

(Sheet 8:)
HET HOGER BEROEP IN DE ZAAK PAULUS

- De man kiest een advocaat met kennis van zaken, een familierecht-advocaat, en gaat in hoger beroep.
- Ik maak een expertise en toets het raadsrapport aan de psychologie van het scheidingsproces, de psychologie van het kind en aan de wet. De expertise kraakt het rapport onder het acht keer herhaalde motto: Moeders wil is wet. Het Alzheimervonnis kraakt mee. Ik adviseer verplichte bemiddeling wegens het non-adieu en tot herstel van de scheidingsmelding.
- De advocaat van de man verzoekt het hof een combinatie van primaire en subsidiaire mogelijkheden tot: 1. verblijfplaats bij vader, loyale omgang voor moeder; 2. onmiddellijke omgang, desnoods met de sterke arm; 3. verplichte bemiddeling 4. aanhouding van de zaak in afwachting van het resultaat van de bemiddeling.
- De advocaat van de vrouw maakt gebruik van alle vertragingsmogelijkheden en zet ondertussen de vrouw aan tot aangifte van mishandeling van de vrouw, te beginnen op een datum voor het huwelijk in 1978. De vrouw verklaart in het proces-verbaal dat zij dit doet om omgang te voorkomen. De klacht als wapen.
- Het Hof bepaalt tenslotte begin juli 2001 een datum, maar de advocaat van de vrouw stelt dat zij dan op vacantie is, waardoor het kort geding tenslotte eind augustus 2001 dient, dat is één jaar en zes maanden na aanvang kort geding.
- "Pappen-en-nathouden" heet deze strategie. (Pikante bijzonderheid: op de aanvankelijk vastgestelde datum in juli bleek de advocaat op het uur van de zitting gewoon op kantoor te zijn.)

De procedure dient in het belang van het kind te zijn, maar de advocaat vecht voor de wens van de cliënt, dat is: zoveel of zo weinig mogelijk omgang tussen ouder en kind.

(Sheet 10: )
MENSELIJK PROCES -ZAKELIJK PROCES- JURIDISCH PROCES

De bedoeling is dat het zakelijk en juridisch proces afgestemd worden op het menselijk proces van scheiden.

Vanuit het menselijk proces van scheiden gezien, hebben de cliënten en het kind belang bij een voltooide scheidingsmelding, een stevig adieu alvorens het zakelijk en juridisch scheidingsproces kan beginnen. In de bemiddeling is dat goed te doen. Het primaat van de overeenkomst of de schikking in der minne is geregeld in de gedragscode; het daaruit volgend primaat van de bemiddeling is niet geregeld, zelfs niet in scheidingszaken, waar het voor de hand ligt. Het primaat van de overeenkomst is nog steeds niet geregeld in de wet. Wel in de Gedragscode die aan de minnelijke schikking voorrang geeft. De mediation is ontstaan uit een proces-theorie met als beginsel: stem het zakelijk en juridisch proces af op het menselijk proces van scheiden. Zonder die afstemming verergeren we de emoties. Er worden procedures opgezet om conflicten te beslechten, waardoor weer procedures worden opgezet, waaruit conflicten ontstaan. Door afstemming van het juridisch proces op het menselijk of relationeel proces van scheiden geven we de justitiabelen hun eigen verantwoordelijkheid terug.

DE OORZAAK: HET NON-ADIEU

(Sheet 2: )
RELATIONEEL PROCES

De oorzaak van frustratie van omgang of contact door een van de ouders was in alle gevallen die ik onderzocht: het non-adieu, dat is een gebrek in het afscheidsgesprek tengevolge van een gebrek aan scheidingsmelding, waardoor onverwerkte scheidingsemoties bij de ex-partners ontstaan. In de meer dan duizend bemiddelingen, waarin de scheidingsmelding aan de orde kwam, slaagde het paraplugesprek van de ouders met de kinderen.

In het laatste jaar constateerden we een gunstige verandering in de rechtspraktijk: de rechter hield zo'n procedure over het kind aan om te verwijzen naar de bemiddelaar. Het hoofdkantoor van de raad heeft mij verzekerd dat dit ook de instructie is aan de raden. Als de bemiddeling tegelijk met de omgang plaats vindt, is dat een goede oplossing. Het is niet raadzaam de omgang afhankelijk stellen van de bemiddeling. Integendeel: de rechter moet de norm stellen. Bemiddeling had geen zin, toen een rechter partijen naar een communicatie-psycholoog stuurde met de mededeling dat de omgang kon beginnen als "de" communicatie hersteld was. Het was voor de omgang-frustrerende partij niet moeilijk de bemiddeling stuk te laten lopen en daarmee de omgang.

(sheet 13:)
DE ZAAK PAULUS. ZITTING EN UITSPRAAK

- Het Hof luisterde aandachtig. De raadsvrouwe van de man richtte zich op de aangifte van mishandelingen sinds 1978. De advocaat van de man verwees het proces verbaal van aangifte in keurige bewoordingen naar de prullenmand. Hij wees in dit verband op het communicatie-mechanisme van dwingers en terugtrekkers. Hij attendeerde het Hof op de mogelijkheid van Begeleide Omgang door de Raad en de noodzaak van een gekwalificeerde bemiddelaar. Hij vroeg of het gerucht juist was dat de vrouw met kind verhuisd was.
- De advocaat van de vrouw zei dat de vrouw en het kind thans over de grens in Duitsland woont, maar dat het kind domicilie had te haren kantore. Door een van de raadsheren werd doorgevraagd; de advocaat van de vrouw zei dat een raadsmedewerker haar toestemming gegeven had voor de verhuizing naar Duitsland.
- De vertegenwoordiger van de raad zei dat, indien dit juist was, de raadsmedewerker haar boekje te buiten was gegaan.
- Het hof bleek uit zijn vraagstelling het recht op contact tussen vader en zoon zeer ernstig te nemen.
- Dat bleek ook uit het arrest van september 2001.In de strenge beoordeling in het arrest werd de vrouw met ernstige maatregelen bedreigd, zoals verlies van het gezag, indien zij de omgang langer zou frustreren. Het dictum luidde: Onmiddellijke omgang, de eerste malen met medewerking van het BOR van de raad. Gelijktijdige bemiddeling door de raad.
In het arrest werd nog de door de vrouw opgegeven woonplaats in Nederland genoemd.

GEVOLGEN VAN HET ARREST tot op heden 14 november 2001:

- De man zat er bij de raad achter heen om zijn kind te zien. Totnutoe is er geen omgang noch afspraak daartoe.
- De raad had, naar eigen zeggen, het arrest op 26 october nog niet ontvangen. De man stuurde onmiddellijk het arrest naar de raad. De raad had geen adres van het kind. De vrouw had geen advocate meer. Volgens de raad werkt het BOR alleen als moeder ook meewerkt. De raad zei alleen te werken binnen de Nederlandse grenzen.

Vraag aan de zaal: Wat is uw beoordeling van het arrest? Hoe staat het met de rechtsmacht? Wat kan de man of de advocaat van de man nu doen?

(Sheet 14:)
SITUATIE EN MOTIEVEN VAN DE OUDERVERSTOTER

Wat bewoog moeder tot haar extreme ontouderingsprogrammering en de enorme hoeveelheid energie en geld die zij daarin stak. Zeker, het verstoorde scheidngsproces, de afwezigheid van het adieu. Maar ook daar waren oorzaken voor. Het is van groot belang om daar meer van te weten en de aandacht van de rechter daarop te concentreren. Ouderverstoting is een ernstige vorm van psychische kindermishandeling. Wat zijn de motieven van de dader? Wat dreef deze moeder daartoe? Wat dreef haar zo kort na de geboorte van Paulus het huis te verlaten zonder iets te zeggen?

De moeder van Paulus, daar had die kliniek gelijk in, is een afhankelijke vrouw. Na de geboorte ontfermde de oudste zus van de man zich al gauw over het kind. Zij was kinderloos. Zij kwam vaak op bezoek bij de ouders van Paulus en ging zo met het kind om dat man en vrouw tegen elkaar zeiden: ze doet alsof het haar eigen kind is. Ook de moeder van de vrouw (oma) vond een levensvervulling in de baby. Zij had de man van haar dochter altijd op handen gedragen, maar na de komst van de baby veranderde dat. De beide vrouwen gingen moeder adviseren te scheiden. Zij was altijd afhankelijk van haar moeder geweest. Toen moeder naar de kliniek ging, ging Paulus naar de oudste zus en de grootmoeder. De vader had een vooraanstaande positie in de gezondheidszorg. Die was aan het fuseren. Hij was er niet op bedacht dat de beide vrouwen een plan uitvoerden. De moeder van Paulus had door toedoen van haar man een full time betrekking; vijf dagen bleef het kind bij grootmoeder en/of oudste zus. De man vertrouwde hen. Hij probeerde zijn vrouw terug te krijgen, maar zij wenste niet met hem te spreken. Of mocht zij niet met mem spreken? Zij zocht hem wel op, als oma het niet wist. De oudste zus zorgde ervoor dat de man de helft van zijn vermogen stortte op de rekening van de vrouw. "Als hij haar terug wilde, moest hij nu royaal zijn." Maar het hielp niet. Steeds duidelijker waren de kaarten geschud. De man haalde het kind geregeld op bij oma. Volgens de omgangsregeling. Totdat oma daar bezwaar tegen maakte. Het ophalen moest anders. Even later zette moeder (moeder?) de omgang stop. Nog wat later verzon moeder de mishandelingen. Dat had ze in de kliniek, in feite een blijf-van-mijn-lijf-huis, gehoord. Daarvan vertelde ze aan oma en de oudste zus. De man kan niet geloven dat zijn vrouw dat verzon. Hij is er nog steeds zeker van dat de twee vrouwen erachter zitten. Moeder rijdt wel eens langs zijn huis. Ik heb hem gevraagd wat hij zou doen, als de vrouw voor de deur staat en hem zegt terug te komen. "Dan is ze meteen welkom." Natuurlijk mag ze van oma niet aan een tafel met hem. Het was Oma die op weg naar de raad moeder deed terugkeren. Oma heeft haar levensvervulling in Paulus gevonden. De dochter zit vijf dagen op kantoor. Moeder heeft een nieuwe vriend. Een afhankelijke vrouw, gesteund door twee vrouwen en haar vriend. Daar kan geen man, geen wet, geen verdrag, geen rechter, geen hogere rechter tegen op. Let maar op.

(sheet 15:)
VERPLICHTE BEMIDDELING

In een zaak die ik kortgeleden voor een door de rechter verplichte bemiddeling kreeg, was drie jaar om omgang gevochten voor rechtbank en hof.

Vader en moeder hebben beiden het gezag over een jongen van veertien en een meisje van tien. Zij verblijven bij moeder. Er is drieën een half jaar geprocedeerd over de omgang met hun vader, twee keer de rechtbank, voor de tweede keer het Hof, dan beslist het Hof: bemiddeling en omgang, te regelen tijdens de bemiddeling.

De eerste keer komt de vrouw niet opdagen. De vrouw had ook bij de raad het onderzoek twee maanden opgehouden door niet te verschijnen. Ik voer een goed gesprek met haar advocaat, wijs hem erop dat ik als bemiddelaar in foro verslag aan de rechter moet uitbrengen. Er wordt een nieuwe afspraak gemaakt. Tijdens het heen en weer gebel naar de vrouw en beide advocaten vertelt de man dat de jongen hem geregeld opzoekt en hij hem ziet op het voetbalveld zonder dat zijn moeder het weet. Ik verzoek de man de rest in aanwezigheid van zijn vrouw te vertellen.

Met zijn drieën aan tafel zegt de man dat zijn vrouw het initiatief tot scheiden had genomen, omdat zij een advocaat had ingeschakeld, maar de vrouw zei dat hij het initiatief nam.
De man: “Onzin, die advocaat schreef mij dat jij wilde scheiden. Ik vond het verschrikkelijk.”
De vrouw: “Ik nam die advocaat, omdat ik hoorde dat jij een ander had.”
De bemiddelaar vraagt wat ieder nu wil.
De man vertelt van hun slechte huwelijk, dat hij op een zaterdagmiddag was vertrokken, nadat hij met de beide kinderen, toen 11 en 7 jaar, was gaan wandelen. Ze hadden gezegd: “Wat ben je stil?”
“Ik wil jullie wat zeggen.” Het lukte hem niet.
“Iets met mamma?” vroeg het meisje. En toen hadden de kinderen het zelf gezegd: “Ga je weg bij mama?” De kinderen zeiden wat hij niet durfde zeggen. Daarna was hij vertrokken, nog diezelfde middag.
De man snoot zijn neus.
De vrouw reageerde woedend op zijn verhaal. “Je was een week zo maar weg. En ik moest het van je advocaat horen.”
“Ik kon niet meer met je praten.”
“Maar wel de jongens beïnvloeden.”
“Ik wilde niet weggaan zonder de kinderen...
“Maar wel zonder mij! Je vrouw, weet je wel?”
Hij mompelt voor zich uit.
Bemiddelaar: “Wat zegt u?”
Zachtjes: “Ik wilde van haar af.”
“Vertelt u het aan mevrouw.”
Hij kijkt haar aan. Zij hem.
“Vergeef me dat ik het je niet eerder zei.”
“Wat?”
“Ik wil niet langer met je. Ik wil niet...¼”. Het adieu op zachte toon.
De vrouw huilt. Ik haal een glas water. De man kijkt naar haar, poetst neus en ogen, kijkt dan naar mij. Ik leg mijn vinger op mijn mond om hem te zeggen dat hij nu niets moet zeggen.
Na een korte onderbreking zitten we weer aan tafel. De vrouw wil zich verontschuldigen, ik onderbreek haar en zeg: “Iedere traan scheelt een kilo agressie.”
Ze lacht, bet haar ogen.
Ik vraag: “Wilt u ook van hem scheiden?”
“Nu wel.”
Ik introduceer het paraplugesprek en dus ook de omgang.
Ze denken terug aan de procedure, de strijd. “Het was een verschrikkelijke tijd”, vinden ze beiden.
Ik informeer hun over de normen, de wet.

(Sheet 16:)
HET PARAPLUGESPREK

Ze spreken het paraplugesprek af; beiden willen dat zo spoedig mogelijk. Ze zullen in elkaars aanwezigheid aan de kinderen zeggen dat ze goed contact met de ander moeten onderhouden. “Ik zal zeggen dat ze een goede moeder is”, verbetert de man. Man en vrouw ondertekenen een omgangsovereenkomst.
De bemiddeling heeft drie uur geduurd.
De vrouw belt mij na enkele dagen enthousiast op. Het paraplugesprek had plaatsgevonden. Haar man is veranderd, zegt ze. “Onherkenbaar. Een prima vader.”
De man belt een dag later, tevreden, en besluit: “Drie jaar procederen wat in drie uur kan. Een ton in het water gegooid.”
Ik breng schriftelijk verslag uit aan beide advocaten en besluit: “Een en ander is dus geheel volgens het EVRM en onze wetgeving geregeld.”

Na drie uur bemiddelen, eerst dus de scheidingsmeldingsoperatie en dan de omgang, was er een omgangsovereenkomst en werd door de ouders het "paraplugesprek met de kinderen" in volle overeenstemming gevoerd. (Voor het paraplugesprek zie: "Handboek Scheidingsbemiddeling" of "Gelukkig Getrouwd, Gelukkig gescheiden"**) In andere zaken met door de rechter opgelegde bemiddeling kwam de omgang ook meteen tot stand, maar waren meer bemiddelingszittingen nodig om de strijdbijl te begraven.

HOE VOORKOMEN WE PROCEDURES OVER KINDEREN NA ECHTSCHEIDING? ZIJN ZULKE PROCEDURES NOG NODIG? HEBBEN ZIJ ENIG NUT?

Advies aan wetgever, rechter en Orde van advocaten: barrières opwerpen tegen twee-advocaten-procedures in het algemeen en in het bijzonder over kinderen (zie stellingen 42 en 43 in genoemd Handboek*). Hierbij kan aangesloten worden aan de Beleidsbrief van de Staatssecretaris van Justitie in 1997 aan de Tweede Kamer, waarin zij schrijft dat scheidende mensen primair zelf verantwoordelijk zijn voor de rechtsgevolgen van hun scheiding. D.w.z. dat zij tot overeenkomsten dienaangaande moeten komen, desgewenst met een bemiddelaar. De aanbeveling van de Staatssecretaris leidt tot het primaat van de overeenkomst en, daarvan afgeleid, het primaat van de bemiddeling. Wat let de wetgever om geen eenzijdige verzoeken tot echtscheiding of aanverwante procedures toe te staan zonder daaraan voorafgaand gebleken serieuze pogingen om tot overeenkomsten te komen, al of niet met behulp van een bemiddelaar? Wat let de rechter om eenzijdige verzoeken en dagvaardingen naar de bemiddelaar te verwijzen?

Zeker in kinderzaken is verplichte bemiddeling noodzakelijk, want de juridische processen functioneren als exercitievelden van vechtende ouders die in strijd zijn met het belang en de ontwikkeling van het kind. Het is niet goed in een oorlog groot te worden. Het kind dient beschermd te worden tegen zulke respectvernietigende, tijdrovende, de kinderleeftijd en het kinderlijk tijdbesef verre overschijdende, geldverslindende en kindermishandelende procedures, waarvoor de overheid, in casu de wetgever, de wapens levert en waaraan de Nederlandse Orde van Advocaten geen grenzen stelt. (Ik bundel hier de bezwaren van de voorzitter van uw vereniging met die van mij. Het is een duivelslitanie die nog langer en pejoratiever kan worden gemaakt.) Alleen reeds de tijdsduur nodig om de rapporten van de raad voor de kinderbescherming te maken, is in strijd met het kinderlijk tijdsbesef en ontzet kinderlevens.

Als de rapporteur niet met beide ouders aan één tafel gaat zitten (het uitgangspunt trouwens van gezamenlijk gezag en samen ouder zijn), krijgen de ouders de kans in termen van verwijten over elkaar te praten, arrangeert zich in het rapport al gauw een soort schuld aan scheiden, uitmondend in de oude vraag uit het alles-of-niets-stelsel: "wie de beste of de slechtste ouder is". Door al die herhaalde scheidingsverwijten komen de scheidingsemoties in een vals en disfunctioneel perspectief te staan en gaan sommige rapporten meer op gesubsidiëerde roddel lijken dan op serieuze forensische rapportage Pro Justitia. Wat een onderzoek naar de psychologie van het scheidingsproces had moeten zijn, verwordt tot buurvrouwen-roddel. Zo'n onderzoek mist relevantie.

Het recht op privacy
Hier rijst ook een juridische vraag die ik aan uw onderzoek en praktijk aanbeveel: mag de overheid in een civielrechtelijke zaak van gezag en omgang het ouderlijk gezag zodanig onderzoeken met het oog op feitelijke uitschakeling van één ouder? Wat tijdens huwelijk niet mag, mag ook niet na scheiding, want datzelfde ouderlijk gezag loopt bij echtscheiding door. Is zo'n onderzoek in strijd met een ander mensenrecht, nl. het privacy-beginsel, neergelegd in art. 8 EVRM.

De onderzoeken van de raad in scheidingszaken naar de relaties stammen uit een tijd dat het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens niet bestond en de raad nog moest uitzoeken "wie de beste ouder was." Onder het Verdrag en de huidige wet worden beide ouders na scheiding even verantwoordelijk geacht als tijdens huwelijk, onafhankelijk van hun aard of karakter. Zowel vanuit justitie als vanuit de hulpverlening wordt thans, in het bijzonder in zaken van gezag en omgang, te weinig een beroep gedaan op de ouderlijke verantwoordelijkheid. "Hoe durft u, ouder, in plaats van uw kind te plaatsen onder de paraplu van uw gezamenlijke verantwoordelijkheid, een potje te gaan vechten in ruziënde procedures waar uw kinderen onder lijden?"

Onlangs is tegen Fora, een door de raad ingeschakeld rapportage-orgaan, een procedure aangevangen, omdat vader als narcist omschreven was. Klachtgever kreeg gelijk van het tuchtcollege, omdat de kwalificatie niet onderbouwd zou zijn. Daarenboven, lijkt me, rijst de vraag of zulke kwalificaties niet in strijd zijn met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Kinderen hebben recht op contact met hun ouders, ook als deze narcistisch, neurotisch, borderline of gestoord zouden zijn. Deze kwalificaties zijn dan ook in beginsel niet relevant in een rapport in foro. De kwaliteit van het ouderschap valt tijdens huwelijk en na scheiding onder het recht op privacy van het gezin en is in het kader van een privaatrechtelijke regeling in beginsel niet ter beoordeling van de overheid. Tenzij een kinderbeschermende maatregel nodig zou zijn, maar daarmee verlaten we het privaatrechtelijke domein van de echtscheiding. De overgang van kinderrecht naar kinderbeschermingsrecht dient niet lichtvaardig te worden genomen. Het gaat bij gezag en omgang immers om private rechten van kinderen en ouders op contact met elkaar, niet om kinderbeschermingsrecht. Rechten van kinderen en ouders, zoals neergelegd in het omgangs- en gezagrecht, behoren tot het privaatrecht; de verantwoordelijkheid van de ouders en de rechten van kinderen op hun ouders blijven onverlet. Juist vanwege de eigen rechten van kinderen zou in zaken van gezag en omgang veel meer gebruik gemaakt kunnen worden van (SHEET 17:) het instituut van de bijzonder curator, zodat het belang van het kind op de zitting rechtstreeks wordt vertegenwoordigd, bijvoorbeeld als de rechter de verblijfplaats moet bepalen.

In het kinderrecht blijven de eigen verantwoordelijkheid van ouders en kinderen onverminderd in stand. Kinderbeschermingsrecht heeft een publiekrechtelijk karakter. Via kinderbeschermingsmaatregelen als ondertoezichtstelling, voorlopige toevertrouwing, ontheffing en ontzetting neemt de overheid de verantwoordelijkheid van de ouders geheel of gedeeltelijk over. Ondertoezichtstelling is, gezien het onvermogen van de hulpverlening, meestal contra-geïndiceerd. Sinds op echtscheiding geen taboe meer rust, sinds de schuld aan scheiden geen reden meer is om iemand het gezag te onthouden (dat was ongeveer een eeuw geleden zo), sinds het alles-of-niets-stelsel van voogdij en toeziende voogdij is verdwenen, is echtscheiding geen signaal om kinderen te beschermen, tenzij bij kans op ouderverstoting of een andere vorm van bewezen kindermishandeling.

Bewezen kindermishandeling, want in de hitte van de scheidingsemotie wordt incest al gauw een rituele klacht. De klacht als wapen.**** In deze gevallen zal het verstandig zijn eerst de scheidingsmelding te controleren en te behandelen, omdat het non-adieu de onverwerkte scheidingen en de omgangsfrustratie veroorzaakt. Kortom, als de ouderrol bij een ouder ondergeschikt wordt aan de ex-partner-emoties, waardoor frustratie van contact door de verzorgende ouder het gevolg is, kan de rechter, zonder enig rapport, op de eerste zitting paradoxale toewijzing van de verblijfplaats uitspreken ten gunste van de ouder van wie loyale omgang te verwachten is. De Hoge Raad laat wijziging van de verblijfplaats als nevenvoorziening toe (H.R. 15 december 2000, Nederlandse Jurisprudentie nr. 123, 2001). Maar het is bij omgangsfrustratie door de verzorgende ouder meestal voldoende om de wijziging aan de orde stellen en de zaak ter controle aan te houden, meestal met bemiddeling. Bemiddeling zal met oog op de scheidingsmelding en het paraplugesprek doorgaans een weldaad zijn voor man, vrouw en kinderen en het wederzijds respect van de ouders kunnen herstellen.

(Het kan ook zijn dat de rechter, wat de verblijfplaats van het kind betreft, een belangenafweging wil maken en daarvoor een onderzoek wenst naar de feitelijke beschikbaarheid en de mogelijkheden van zorg. Dit is geen privacy-onderzoek naar psychische stoornissen van ouders, maar naar zorgfuncties van ouders. Zo'n onderzoek kan, voorzover het al niet op de zitting zelf plaatsvindt, binnen enkele weken plaatsvinden. (Zie het zorgmodel van Van Leuven.****)

Nu volgt een zaak die ik recent na aanhouding ter bemiddeling kreeg en die niet zo vlot liep als de hierboven geschetste. Man en vrouw hadden beiden het gezag over twee jongetjes. Man en vrouw hadden tweeëneenhalf jaar fel geprocedeerd. Moeder stond geen omgang toe. De raad steunde haar verbod teneinde de verzorgende moeder en de zaak tot 'rust' te brengen. De vrouw had een groter talent om met de autoriteit van de raad om te gaan dan de man. De raad vond "dat de man niet meewerkte". (Nogal wiedes, want hij kreeg zijn kinderen niet te zien.) De man diende een klacht in tegen de raad en won deze. De zaak werd aan een andere vestiging overgedragen. Deze rapporteur adviseerde wijziging van de verblijfplaats, aangezien moeder niet wenste mee te werken aan de omgang. De advocaat van de man vroeg tevens om bemiddeling. De rechter stond dat toe en hield de zaak aan.

Aan de bemiddelingstafel bleek dat er geen afscheidsgesprek was geweest. De vrouw was met de kinderen abrupt vertrokken. De man had haar en de kinderen wekenlang vergeefs gezocht. Kortom, een agressie-escalerend non-adieu. De procedures hadden de rest gedaan. Man en vrouw kijken elkaar aan de bemiddelingstafel het eerste half uur niet aan, terwijl zij over elkaars 'leugens'voor de rechter spraken. De man geeft paradoxale boodschappen af: 'Ik kan je vermoorden. Mijn kinderen! Twee maanden hield je ze van me weg!' En even later: 'Wil je met de kinderen weer bij me komen wonen?'
Ze schudt van nee.
Bemiddelaar: 'Weest u eens duidelijk, mevrouw.'
Ze praat moeilijk, klagend. 'Ik wil niet meer. Niet meer met jou.'
De man luistert. Ze kijkt hem aan, draait dan weer weg.
'Ik geloof het niet', zegt de man.
'Wilt u haar terug?' vraag ik hem.
Fel zegt hij: 'Nooit meer. Nu niet meer. Na al die leugens voor de rechter. Comedie van jou en je advocaat.'
Bemiddelaar: 'Hoort u, mevrouw, dat hij van u af wil?'
'Ik geloof hem niet', zegt de vrouw.

Het is voor de bemiddelaar duidelijk dat de scheidingsmelding volgende keer weer moet gebeuren. Wat ze melden refereert niet aan hun relatie, maar aan de rechtzittingen. Het non-adieu en de vervreemdende procedures hebben wonden geslagen, de wonden zijn gekorst, ze zijn niet meer gewend gewoon te zeggen wat ze vinden, het adieu zit verborgen, verstopt. Ze zijn gewend aan de machtsstrijd en nog niet aan de gezamenlijke voordelen van bemiddeling. Ze praten niet over hun relatie, maar over de pijn van het non-adieu en van de laatste twee jaren.

Ik stel de omgang aan de orde. Leg de normen uit, de wet en de beslissing van de rechter conform de wet. We maken een voorlopige regeling, een royale omgang, tot en met de volgende bemiddeling. De volgende bemiddeling worden omgang en overdracht geëvalueerd. De scheidingsmelding blijft nog lange tijd verstopt.

Het forensisch kader met daarin de dreiging van wijziging van de verblijfplaats bracht de vrouw aan de bemiddelingstafel en tot medewerking aan het gesprek. Maar de strijdhouding overheerste wederzijds aanvankelijk de bemiddeling. De bemiddeling ging hier op den duur ook werken als begeleiding en evaluatie van omgang en overdracht. Doel blijft natuurlijk een collegiale gezagssamenwerking, te beginnen met een goed paraplugesprek met de kinderen.

Voor mij opvallend was dat de informatie over de normen voor gezag en omgang voor de vrouw nieuw waren. Erger, ze zat op een normatief dwaalspoor (het oude karrepad van het alles-of-niets-stelsel) en dat sloot aan bij de emoties van de onverwerkte scheiding, het non-adieu. Zonder handhaving van de wettelijke normen staan bemiddeling, therapie en onderzoeken, maar vooral de kinderen, in de kou. Recht en psychologie, normen en emoties, zijn in deze zaken schering en inslag geweven, dienen in ieder geval schering en inslag geweven te zijn.

PARADOXALE TOEWIJZING
Ik kan waardering opbrengen voor degenen die geen harde sancties willen tegen frustratie van omgang, maar zo'n frustratie is wel in strijd met een welomschreven mensenrecht in wet en Verdrag en met de rechten en belangen van kinderen. Gefrustreerde omgang kan kinderen ook voor hun leven gehandicapt maken. In de eerste druk van mijn Handboek* zult u voor zulke gevallen aantreffen de paradoxale gezagstoewijzing: wie niet loyaal staat tegenover een royale omgang, wordt het gezag ontnomen ten gunste van de ouder die wel royale omgang toestaat. Hij of zij staat een goed functioneren van het gezamenlijk gezag in de weg en levert een onaanvaardbaar risico op als mede-gezagsdrager. Verlies van het ouderlijk gezag in zo'n geval is een uiterste middel. In de tweede druk laat ik daaraan voorafgaan de paradoxale toewijzing van de verblijfplaats. Dat heeft dezelfde gevolgen, maar juridisch blijft het gezamenlijk gezag bestaan.

Op een symposium over mediation vroeg een rechter hoe dat kon, als de omgangsloyale ouder niet voor het verblijf van het kind kon zorgen. Het antwoord is: juridisch gaat het niet om het feitelijk verblijven, maar om de vraag wie heeft "de macht over de verblijfplaats". Dit middel zal in de meeste gevallen voldoende ruimte bieden om de contacten tussen ouder en kind te herstellen, al of niet via daaraan gepaard gaande bemiddeling. Pas als dat niet voldoende zou zijn voor herstel van het contact, komt de eenhoofdige gezagstoewijzing aan de orde ten gunste van de ouder die loyale omgang bevordert. Maar zover zal het doorgaans niet komen, constateerde ik reeds in de praktijk.

Uiteraard zal de rechter tevens naar bemiddeling verwijzen om de scheidingsmeldingsinteractie te doen plaatsvinden, waardoor de verstopte scheidingsverwerking, die de procedure veroorzaakte, alsnog wordt gedéblokkeerd. Tegen verplichting van zo'n bemiddeling bestaat evenmin bezwaar als tegen verplichte inenting, een bezoek aan de tandarts of een noodzakelijke blinde darmoperatie. Gaat u bij pijn van uw kind vrijwillig naar de tandarts? Spinoza geeft het antwoord. Vrijheid is erkenning van de noodzaak.

Een vijfpuntige ster
Zo kan de advocaat in de vele gevallen waarin de omgang gefrustreerd wordt door een ouder, de rechter op goede gronden een vijfpuntige ster (SHEET 18) vragen, te weten: 1. onmiddellijke omgang 2. wijziging van verblijfplaats, cq. van gezag; 3. verplichte bemiddeling. 4. Een en ander met aanhouding van de zaak, zulks ter controle van de omgang, cq. de verblijfplaatswijziging. 5. de sterke arm.

De sterke arm
Wanneer gevreesd mag worden dat omgang of verblijfplaatswijziging, ondanks de rechterlijke uitspraak, gefrustreerd wordt, voegt men daaraan toe: desnoods met de sterke arm. In plaatsen waar de politie ontwend is gevolg te geven aan familierechterlijke beschikkingen kan de advocaat een en ander met de politie bespreken. We denken het recht teneinde toe. De sterke arm is het sluitstuk van de rechtstaat. Maar dat behoef ik juristen niet uit te leggen.

Peter Hoefnagels, emeritus hoogleraar familierecht en scheidingsbemiddelaar. Oud-lid van de Eerste Kamer.

Literatuur:
* G.P.Hoefnagels: "Handboek Scheidingsbemiddeling. Mediation als methode van recht en psychologie". Tweede druk. Tjeenk Willink, Deventer 2001.
* G.P.Hoefnagels: "Gelukkig Getrouwd Gelukkig Gescheiden. Bemiddeling en overeenkomst bij trouwen en scheiden." (publieksuitgave) 5e druk. L.J.Veen, Amsterdam 2001.
**In dezelfde geest: P. Vlaardingerbroek: Omgangsrecht. Een lezing over omgangsrecht en zijn juridische (on)mogelijkheden, aan de KUB te Tilburg op 14 maart 2000.
***Richard Gardner: The Parental Alienation Syndrome. A Guide for Mental health and Legal professionals. Second Edition, Creskill, New Yersey, U.S.A. 1998.
C, van Leuven. Het gezamenlijk Gezag na scheiding. EchtscheidingBulletin 1998. C.van Leuven: De klacht als wapen. EchtscheidingBulletin december 2001.