Posts tonen met het label discriminatie naar geslacht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label discriminatie naar geslacht. Alle posts tonen

dinsdag, oktober 30, 2012

558. Vader opnieuw veroordeelt tot 7 jaar cel extra bovenop eerdere veroordeling tot 9 jaar cel voor "ontvoering" van zijn dochter (totaal 16 jaar cel)

Genderjustitie bij Openbaar Ministerie en in de Nederlandse rechtspraak

Vandaag werd een Soedanese vader voor de 'ontvoering' van zijn dochter naar Soedan na een eerdere veroordeling tot 9 jaar cel, opnieuw en herhaald vervolgd door het Openbaar Ministerie (OM) voor hetzelfde feit en door de Rechtbank Utrecht voor het zelfde feit weer opnieuw veroordeeld tot nog eens 7 jaar cel wegens zgn. 'voortdurende' ontvoering.

Deze vader is nu dus veroordeeld tot in totaal 16 jaar cel. En als de pet van het OM daar vanmiddag of morgen naar staat, kan het OM weer vervolgen en er zo nog eens 9 jaar opstapelen .... en dan nog eens 9 jaar ..... en nog eens 9 jaar .... en ...

Een Nederlandse moeder kan de kinderen daarentegen straffeloos naar Nederland ontvoeren. Want terwijl het Openbaar Ministerie vrouwen en moeders voor het strafbare feit van kinderontvoering niet of nauwelijks vervolgt of zelfs weigert te vervolgen, worden vaders door datzelfde OM en hetzelfde strafbare feit juist op de boven beschreven wijze genadeloos en herhaald vervolgd en gestraft en krijgen zo eindeloos opgestapelde straffen opgelegd die een levenslange gevangenisstraf kunnen overtreffen.

En mocht u nog denken dat dit in 'de Nederlandse rechtstaat' niet voor kan komen of hooguit uitzondering is, dan heeft u helaas ongelijk. Er zijn veel meer vaders die op deze wijze slachtoffer geworden zijn van deze willekeurige justitieterreur door het Openbaar Ministerie en voor tientallen jaren in deze Nederlandse Goelag archipel verdwenen zijn door herhaalde vervolging en opeenstapeling van gevangenisstraffen voor hetzelfde vergrijp.

Zeven jaar cel voor voortdurende ontvoering dochter
Bron: Rechtspraak.nl : Rechtbank Utrecht, Utrecht, 30-10-2012

Een 45-jarige man uit Nieuwegein is opnieuw veroordeeld voor de voordurende ontvoering van zijn inmiddels 9-jarige dochter. De rechtbank heeft de man een gevangenisstraf opgelegd van 7 jaar. In 2007 nam de man zijn dochter, zonder de toestemming van de moeder die het gezag over het kind heeft, uit Nederland mee naar Soedan. Sindsdien verblijft het meisje daar.

Meisje nog steeds niet terug
De man weigert sinds 2007 alle medewerking aan de terugkeer van zijn dochter. Ook instanties zoals Interpol en het Centrum Internationale Kinderontvoering is het niet gelukt om het meisje terug te laten keren naar Nederland. Rechtbanken in Nederland en Soedan hebben bepaald dat het kind bij de moeder moet verblijven.

Eerder veroordeeld
In 2010 werd na cassatie door de Hoge Raad, een gevangenisstraf van 8 jaar en 9 maanden aan de man opgelegd voor het onttrekken van zijn dochter aan het gezag van de moeder voor de periode van juni 2007 tot en met juni 2009. Omdat er sindsdien niets veranderd is aan de situatie is er volgens de rechtbank sprake van een voortdurend delict. De man is daarom vandaag veroordeeld voor de periode juni 2009 tot en met augustus 2012.

Band minder hecht
De rechtbank is van oordeel dat de man zich nog steeds schuldig maakt aan het ontrekken van het gezag van zijn minderjarige dochter. Nu de ontvoering al jaren voortduurt, worden de gevolgen voor de moeder en de dochter ook zwaarder. De moeder verkeert al jaren in onzekerheid of zij haar dochter ooit weer terug zal zien. Ook oordeelt de rechtbank dat het niet ondenkbeeldig is dat de band tussen moeder en dochter steeds minder hecht zal worden en dat dit mogelijk zelfs tot vervreemding tussen het meisje en haar moeder kan leiden. De rechtbank rekent dit de man zeer ernstig aan.

Uitspraken: BY1613


LJN: BY1613, Rechtbank Utrecht , 16/700937-12 [P]

Datum uitspraak: 30-10-2012
Datum publicatie: 30-10-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie: 
Een 45-jarige man uit Nieuwegein is opnieuw veroordeeld voor de voordurende ontvoering van zijn inmiddels 9-jarige dochter. De rechtbank heeft de man een gevangenisstraf opgelegd van 7 jaar. In 2007 nam de man zijn dochter, zonder de toestemming van de moeder die het gezag over het kind heeft, uit Nederland mee naar Soedan. Sindsdien verblijft het meisje daar.


Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700937-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]
geboren op [1967] te [geboorteplaats] (Soedan)
wonende te [woonplaats]
thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein
raadsman mr. A.J. Hardonk, advocaat te Amsterdam

1  Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2  De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
In de periode van 19 juni 2009 tot en met 3 augustus 2012 te Veenendaal en Nieuwegein en Soedan opzettelijk zijn minderjarige dochter [minderjarige] heeft onttrokken gehouden aan het wettelijk gezag van [moeder].

3  De voorvragen
De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vordering en er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4  De beoordeling van het bewijs

4.1  Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte van mevrouw [moeder], de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 1 september 2010 waarin het ouderlijk gezag is toegekend aan de moeder van de minderjarige [minderjarige], de beslissingen van de rechtbank en het gerechtshof te Soedan, waarin is bepaald dat de moeder van [minderjarige] de voogdij krijgt over [minderjarige] en waarin is bepaald dat [minderjarige] aan haar moeder, mevrouw [moeder] moet worden toevertrouwd.

4.2  Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte op 20 juli 2010 door het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, welke straf de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 22 november 2011 heeft verlaagd naar een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en negen maanden.
Ook toen ging het om onttrekking van de minderjarige [minderjarige] aan het ouderlijk gezag door de moeder over de periode van 24 juni 2007 tot en met 18 juni 2009.
In die zaak zijn door de verdediging verweren gevoerd die in eerste aanleg en nadien in hoger beroep zijn verworpen.
De verdediging zal zich, in dat licht bezien en gelet op de huidige stand van de jurisprudentie ter zake van artikel 279 Wetboek van Strafrecht, thans beperken tot een strafmaatverweer.

4.3  Het oordeel van de rechtbank

Op 17 mei 2012 heeft mevrouw [moeder], moeder van de minderjarige [minderjarige], geboren op [2003], aangifte gedaan tegen verdachte. In de aangifte en haar aanvullende verklaring verklaart mevrouw [moeder] dat verdachte tijdens een vakantie in Egypte hun dochter [minderjarige] in juni 2007 tegen haar wil in naar zijn familie in Soedan heeft gebracht. Van dit feit heeft zij op 10 oktober 2007 aangifte gedaan en verdachte is hiervoor veroordeeld.
Middels bemiddeling is geprobeerd om [minderjarige] terug naar Nederland te halen. Daarnaast werden Interpol, een hoogwaardigheidsbekleder uit Soedan, een mediator en het Centrum Internationale Kinderontvoering ingeschakeld om [minderjarige] naar Nederland terug te halen.
Dit is niet gelukt. Verdachte heeft nooit medewerking verleend aan de terugkeer van [minderjarige].
Aangeefster [moeder] heeft ook in Soedan een procedure aanhangig gemaakt, hetgeen resulteerde in een beslissing van het gerechtshof te Khartoum (Soedan) van 7 maart 2012 waarin is geoordeeld dat [minderjarige] aan de moeder moet worden toevertrouwd.
Tot op heden is [minderjarige] nog steeds niet terug en wordt zij nog steeds onttrokken aan het gezag van aangeefster [moeder] .
Bij beschikking van de rechtbank Utrecht, sector handels- en familierecht van 1 september 2010 is de echtscheiding tussen [moeder] en verdachte uitgesproken, waarbij het ouderlijk gezag over hun minderjarige dochter [minderjarige] aan [moeder] is toegekend .
Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem van 19 juli 2010 is verdachte veroordeeld ter zake van onttrekking aan het gezag van de minderjarige [minderjarige] over de periode 24 juni 2007 tot en met 18 juni 2009 tot een gevangenisstraf van negen jaren .
De beslissing van het gerechtshof van 19 juli 2010 is door de Hoge Raad op 22 november 2011 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De gevangenisstraf is in verband met een overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot acht jaren en negen maanden .
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij handelt zoals hij heeft gedaan en dat ook zal blijven doen omdat het als zijn taak als goede vader beschouwt om aldus een goede toekomst voor zijn dochter te bewerkstelligen .

Bewijsoverwegingen
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in juni 2007 met instemming van de moeder van zijn dochter, mevrouw [moeder], met wie hij toen nog gehuwd was, [minderjarige] naar Soedan heeft gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat dit verweer van verdachte geen bespreking behoeft, nu dit reeds in de eerdere procedure in eerste aanleg en in hoger beroep aan de orde is gesteld en is gepasseerd.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 279 Wetboek van Strafrecht een zogeheten voortdurend delict betreft, hetgeen betekent dat het strafbare feit wordt gepleegd tot het moment dat aan de strafbare toestand een einde komt. Dit houdt in dat de strafbare toestand eindigt op het moment dat [minderjarige] aan haar moeder wordt overgedragen, hetgeen tot op heden nog niet is gebeurd.
Verdachte heeft voldoende mogelijkheden en gelegenheid gehad om een einde te maken aan de verboden toestand, welke hij bewust niet heeft gebruikt, zodat elke dag dat [minderjarige] niet aan de zorg van haar moeder is toevertrouwd, verdachte zich schuldig maakt aan de onttrekking aan het gezag van zijn dochter [minderjarige].

4.4  De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
In de periode van 19 juni 2009 tot en met 3 augustus 2012 te Nederland en Soedan, opzettelijk een minderjarige, te weten [minderjarige], geboren op [2003], die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, heeft onttrokken gehouden aan het wettig over de minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen [minderjarige], waarvan de moeder genaamd is [moeder], en inmiddels het eenhoofdige gezag heeft over [minderjarige] en hij, verdachte, de vader is, opzettelijk zonder instemming van die [moeder], voornoemde [minderjarige] op een plaats in Soedan (bij zijn familie) gelaten, en heeft nagelaten er voor te zorgen dat voornoemde [minderjarige] terugkeerde naar die [moeder], zodat de uitoefening van het gezag door die [moeder] onmogelijk was geworden, dat voornoemde [minderjarige] daardoor werd onttrokken aan het wettig gezag, hetwelk de moeder over [minderjarige] uitoefende;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5  De strafbaarheid

5.1  De strafbaarheid van het feit
Strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.
Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

5.2  De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6  De strafoplegging

6.1  De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van het voorarrest.

6.2  Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met de door het gerechtshof in hoger beroep reeds opgelegde vrijheidsstraf, waardoor geen ruimte meer voor zwaardere gevallen mogelijk is. Ook in het licht van de jurisprudentie in soortgelijke gevallen, lijkt de door het gerechtshof en nadien door de Hoge Raad opgelegde straf van uitzonderlijke zwaarte en daarmee niet passend.

6.3  Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is op 19 juli 2010 door het gerechtshof veroordeeld ter zake van onttrekking aan het gezag van een minderjarige over de periode 24 juni 2007 tot en met 18 juni 2009 tot een gevangenisstraf voor de maximale duur van 9 jaar, welke straf nadien door de Hoge Raad is teruggebracht tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en 9 maanden.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich thans nog steeds schuldig maakt aan de onttrekking aan het gezag van zijn minderjarige dochter [minderjarige].
[minderjarige] verblijft momenteel nog steeds bij familie van verdachte in Soedan, terwijl er diverse Nederlandse en Soedanese rechterlijke uitspraken liggen, waarbij is bepaald dat [minderjarige] aan haar moeder moet worden toevertrouwd. Verdachte negeert al deze rechterlijke uitspraken en doet niets om te bewerkstelligen dat [minderjarige] bij haar moeder, mevrouw [moeder], in Nederland terugkeert.
Nu het delict nog steeds voortduurt, worden de gevolgen voor de direct betrokkenen, mevrouw [moeder] en [minderjarige], steeds zwaarder. Mevrouw [moeder] verkeert al jaren in onzekerheid of zij haar dochter ooit weer bij zich zal hebben in Nederland en is de afgelopen jaren vele malen teleurgesteld. De rechtbank acht het niet ondenkbeeldig dat de band tussen moeder en [minderjarige] als gevolg van het voortduren van het delict, door het verloop van tijd steeds minder hecht zal worden en dat dit mogelijk zelfs tot vervreemding van haar moeder zal leiden.
De rechtbank rekent verdachte dit zeer ernstig aan.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan verdachte wederom een vrijheidsstraf van lange duur dient te worden opgelegd.
De duur van de op te leggen vrijheidsstraf zal van lange duur zijn, maar lager dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen de eerder aan verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht jaren en negen maanden.

7  De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 63 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

8  De beslissing
De rechtbank:

Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
  • spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
  • onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is;
  • verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging
  • veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ZEVEN (7) JAREN;
  • bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mv. mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mv. mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mv. mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 oktober 2012.


Extra straf voor ontvoeren dochter
NOS Nieuws : dinsdag 30 okt 2012, 15:20

In 2007 nam de man zijn dochter van 4 mee naar zijn familie in Sudan.

Een 45-jarige man uit Nieuwegein is voor de tweede keer veroordeeld voor het ontvoeren van zijn dochter. De rechtbank in Utrecht legde hem een gevangenisstraf op van 7 jaar. Eerder werd hij al veroordeeld tot 8 jaar en 9 maanden.

In 2007 nam de man zijn dochter van 4 mee naar zijn familie in Sudan. Dat gebeurde zonder toestemming van de moeder, die het gezag over het kind heeft. Het meisje is inmiddels 9 jaar en is waarschijnlijk nog steeds bij familie in Sudan. De man weigert zijn medewerking aan haar terugkeer naar Nederland.

Rechtbanken in zowel Sudan als Nederland hebben bepaald dat het kind bij de moeder thuishoort.

'Voortdurend delict'
De eerdere veroordeling van de man van Sudanese afkomst, die in Nederland zijn straf uitzit, gaat over de periode juni 2007 tot en met juni 2009. De rechtbank spreekt van een "voortdurend delict" en heeft hem daarom opnieuw veroordeeld, nu voor de periode van juni 2009 tot en met augustus 2012.

De rechtbank vindt het een heel ernstig feit dat de man het meisje bij haar moeder weghoudt en heeft daarom besloten opnieuw een lange straf op te leggen. "Daarbij speelt mee dat de moeder haar dochter al 5 jaar moet missen en in onzekerheid verkeert of ze haar überhaupt ooit nog zal terugzien", zegt de persrechter.

Hechtingsproblemen
"Voor het meisje geldt dat je je kunt afvragen of ze inmiddels niet van haar moeder is vervreemd." Na zo'n tijd gaan ook hechtingsproblemen een rol spelen, aldus de rechtbank. "Het is zeer kwalijk dat de vader dit heeft bewerkstelligd."

De rechtbank kan niet zeggen of de man nu wel zal meewerken aan terugkeer van het kind naar Nederland.



_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

zaterdag, november 20, 2010

360a. Casus 1 - Aangifte Onttrekking (WvS, Art. 279) bij politie en OM in de praktijk

Casus 1 - Aangifte- en vervolgingsbeleid naar geslacht bij het misdrijf 'onttrekking aan ouderlijk gezag' - Over gender racisme en discriminatie naar geslacht door politie en OM


Inleiding

'Onttrekking' (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) is het weghouden van de kinderen bij een andere ouder met gezamenlijk gezag in strijd met de door de familierechter bij de scheiding beschikte regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Het is een zwaar misdrijf dat als volgt omschreven staat in het Wetboek van Strafrecht:
Artikel 279: Misdrijf van onttrekking aan het ouderlijk gezag
Wetboek van Strafrecht, Tweede Boek. Misdrijven, Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, Artikel 279: Onttrekking

1.Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

2.Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.
Discriminatie naar geslacht door politie, OM en rechterlijke macht
Het is echter ook een misdrijf waarbij structureel gender racisme en discriminatie naar geslacht bij (a) het aangiftebeleid van de politie, (b) het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie en (c) het veroordelingsbeleid van de rechterlijke macht in Nederland hoogtij vieren op een wijze die aan elke geloofwaardigheid van de Nederlandse rechtstaat inmiddels een einde heeft gemaakt.

Wanneer een moeder (vrouw) aangifte van onttrekking doet tegen een vader (man), dan is een enkel telefoontje van moeder naar de politie voldoende om:
1. landelijk onmiddelijk het hele Nederlandse politiekorps met gillende sirenes uit te laten rukken zonder dat zelfs nog maar een proces-verbaal door de politie werd opgemaakt,
2. pers, media en burgerij landelijk in rep en roer te brengen met zgn. Amber Alerts,
3. het OM vervolgens bij de vervolging tegen de vader als dader, onder het motief dat het een repeterend misdrijf zou zijn, bij herhaling (ja u leest dat goed) de hoogste straf van 6 tot 9 jaar gevangenis te laten eisen,
4. het OM achteraf als verrader te laten optreden door elke gesloten overeenkomst of afspraak willens en wetens gemaakt met de vader waarbij alsnog de kinderen terug geleid kunnen worden achteraf met voeten te treden en niet na te komen,
5. de strafrechter te bewegen de maximale straf van 6 tot 9 jaar bij herhaling op te leggen aan de vader als dader (ja u leest dat weer goed).

Want dat is "in a nutshell" de karakteristiek van het Nederlandse aangifte-, vervolgings- en veroordelingsbeleid door politie, OM en rechterlijke macht in onderlinge collusie wanneer door een moeder tegen een vader telefonisch aangifte wordt gedaan.

Wanneer echter een vader tegen een moeder van hetzelfde misdrijf aangifte doet bij de politie, dan gebeurt er niets, maar dan ook helemaal niets, van dat al:
1. De politie wil de aangifte eerst niet opnemen en stuurt vader weg, weigert vervolgens de aangifte deugdelijk te onderzoeken en/of moeder als dader te horen, en/of maakt zich er met een 'Jantje van Leien' vanaf (moeder ontkent of spreekt dat tegen meneer),
2. Het OM wil de aangifte daaropvolgend niet vervolgen en seponeert, liefst pas na 6 maanden tot een jaar, en op absurde gronden, zonder rekenschap af te leggen,
3. De rechterlijke macht traineert het in procedure nemen van een zaak en weigert een straf op te leggen of legt een symbolische straf op van enkele uurtjes taakstraf die niet uitgevoerd word.

Deze structurele discriminatie naar geslacht door politie, justitie en rechterlijke macht bij de afhandeling van het misdrijf van onttrekking (art. 279) heeft inmiddels zo'n stuitende omvang aangenomen dat het Vaderkenniscentrum.nl de komende periode een aantal casussen waaruit dat blijkt gaat publiceren om deze aan u voor te kunnen leggen.

Het extreme aangifte-, vervolgings-, en veroordelingsbeleid wanneer moeders aangifte tegen vader doen mag bij u inmiddels bekend verondersteld worden, o.m. uit het langsvliegende Amber Alert-circus.

Hieronder kunt u lezen hoe het daarentegen bij politie en OM toegaat, wanneer een vader aangifte van onttreking aan het ouderlijk gezag door de moeder doet/wil doen.

Peter Tromp
Vaderkenniscentrum.nl


Casus 1: Een vader doet aangifte van het misdrijf van onttrekking door een moeder



Inhoudsopgave:
A. Proces-verbaal aangifte onttrekking (WvS, Art. 279)
B. Informatie uit Politieregisters
C. Sepot Politie Gelderland-Zuid
D. Beklagbrief vader aan Openbaar Ministerie inzake sepot
E. Antwoord van het OM op de beklagbrief vader aan Openbaar Ministerie inzake sepot

A. PROCES – VERBAAL AANGIFTE VAN ONTTREKKING (WVS, ART. 279)

Aangifte

Plaats delict : [plaats delict]
HKS object : Woning, [omschrijving woning]
Pleegdatum : Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip]
Verbalisant : [verbalisant]

Ik, verbalisant, [verbalisant], verklaar het volgende:

Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip], verscheen voor mij, in het politiebureau, [adres] te [plaats], een persoon die mij opgaf te zijn:

Achternaam : [achternaam]
Voornamen : [voornamen]
Geboren : [geboortedatum]
Geboorteplaats/land : [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht : man
Burger service nummer  : [BSN]
Nationaliteit : Nederlandse
GBA-nummer : [GBA]

Hij deed aangifte terzake overige misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid en verklaarde het volgende:

“Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip] werd op de [plaats delict], het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

Ik doe aangifte van onttrekking van het ouderlijk gezag van mijn kinderen. Dit feit is gepleegd op [datum voorjaar] 2010 omstreeks [tijdstip] op bovengenoemde locatie.

Met betrekking tot het onttrekken van het ouderlijk gezag kan ik u het volgende verklaren:

Ik lig momenteel in scheiding met mijn vrouw. Wij hebben samen [aantal] kinderen. [namen en leeftijden van de kinderen]. Mijn vrouw heet [vrouw], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende [plaats delict].

Op [datum voorjaar] 2010 heeft mijn vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank [locatie]. Ik heb op [datum voorjaar 2010] een verweerschrift ingediend bij de rechtbank te [locatie].

Omtrent het ouderlijk gezag van de kinderen heeft de rechtbank te [locatie] een beschikking opgesteld op [datum]. In de beschikking staat vastgesteld onder [vindplaats in de beschikking] dat ik de kinderen op de volgende tijdstippen mag zien:
-in de oneven weken van [tijdstip op vaste namiddag in de week] tot [tijdstip op vaste vooravond in de week twee dagen later]
-in de even weken op [vaste ochtend in de week] van [tijdstip] tot [tijdstip]
-daarnaast mag ik op [vaste dag in de week] met [naam kind 1] naar [activiteit]. En op [twee vaste avonden in de week] met [naam kind 2] naar [activiteit].

Afgelopen [datum voorjaar 2010] was ik om [tijdstip] precies op het adres [plaats delict]. Daar deed mijn vrouw de deur open en zij vertelde mij meteen dat ik de kinderen die dag niet mee zou krijgen. Zij gaf mij daarbij geen reden op.

Ik heb toen de telefoon gepakt om de politie te bellen. Mijn vrouw zei toen tegen mij: “ja, bel de politie maar”. Vervolgens heeft zij de deur dicht gedaan. De politie is volgens mij toen bij mijn vrouw langs geweest. Toen heeft zij aangegeven dat zij de kinderen niet meer aan mij mee wil geven.

Ik heb dus uiteindelijk mijn kinderen wederom niet meegekregen. Mijn vrouw heeft zich dus niet gehouden aan de uitspraak van de rechtbank. Dit is niet de eerste keer dat zij dit doet, ik heb hier vorige week [datum voorjaar] 2010 ook al aangifte van gedaan. De politie heeft toen ook al met haar gesproken, zij had toen aangegeven dat zij de kinderen in de toekomst wel weer aan mij mee wil geven.

Ik kan u vertellen dat ik afgelopen [datum voorjaar 2010] [naam kind 2] opgehaald heb om naar [activiteit] te gaan. Ik heb [naam kind 2] toen gewoon meegekregen. Mogelijk dat dit gekomen is doordat de politie met haar heeft gesproken.

Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Terug naar inhoudsopgave

B. INFORMATIE UIT POLITIEREGISTERS

[datum voorjaar]-2010 nr. [meldingsnummer]
[man] belde om te vertellen dat de kinderen van hem door zijn ex niet werden meegegeven voor de bezoekregeling van vandaag [datum voorjaar 2010] van [tijdstip] tot [tijdstip]. Zonder opgaaf van reden. Zij opende wel de voordeur voor hem maar zei hem dat hij de kinderen niet mee kreeg. [man] heeft kinderen niet gehoord of gezien. Hij voorziet problemen voor de rest van de week, hij heeft elke dag een bezoekregeling om kinderen te zien. Heb uitgebreid gesproken met hem en hem verteld dit alles vast te leggen. Heb haar geprobeerd te bellen maar zij was constant in gesprek. [man] is zeer teleurgesteld in het optreden van de politie en eist dat politie haar tot de orde roept. Collega’s zijn vervolgens bij haar langs gegaan. Zij zegt te weigeren de kinderen mee te geven en weet dat zij volledig ingaat tegen het rechtelijk bevel van de bezoekregeling. Zij zegt dat hij de kinderen mishandelt en dat hij ze mee neemt naar het buitenland en dat wil ze niet hebben.

Terug naar inhoudsopgave

C. SEPOT-BRIEF POLITIE GELDERLAND-ZUID [DISTRICTSVERMELDING]

Ons kenmerk : [PV-nummer]
Telefoon : [telefoonnummer]
Datum : [datum najaar] 2010
Betreft : Afloopbericht

Geachte heer [man],

Naar aanleiding van de aangifte die door of namens u gedaan is onder bovengenoemd kenmerk, deel ik u het volgende mede.

Wij hebben uw aangifte nader bekeken. Daarbij bleek dat het juridisch gezien hier niet gaat om een strafrechtelijk feit. De politie doet alleen onderzoek naar strafrechtelijke feiten en daarom kunnen wij in dit geval geen onderzoek instellen. De aangifte blijft wel in onze administratie geregistreerd.

Mocht u het niet eens zijn met deze beslissing dan kunt u binnen 6 weken na ontvangst van deze brief, schriftelijk en gemotiveerd uw beklag doen bij het Openbaar Ministerie, adres:
            Arrondissementsparket [locatie en adres]
Als u daarbij een kopie meestuurt van deze brief, bevordert dit een snelle afhandeling

Heeft u naar aanleiding van deze brief nog vragen of heeft u aanvullende informatie, dan kunt u op werkdagen tussen 08.30 uur en 16.30 uur, contact opnemen met het Centraal Informatiepunt Slachtoffers te [locatie], telefoonnummer: [telefoonnummer].
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben ingelicht.

De districtschef
Namens deze,
Districtsadministratie [Districtsvermelding]

Terug naar inhoudsopgave

D. BEKLAGBRIEF VADER BIJ OPENBAAR MINISTERIE INZAKE SEPOT

Aan: Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket [locatie en adres]
Betreft: beklag over brieven Politie Gelderland-Zuid
Datum: [datum van indiening binnen de daarvoor gestelde termijn van 6 weken]

Geachte heer/mevrouw,

Met grote verbazing heb ik kennis genomen van de brieven van het bedrijfsbureau van Politie Gelderland-Zuid, [districtsvermelding] van [datum najaar] 2010, kenmerk [kenmerk] en kenmerk [kenmerk]. De brieven zijn bijgevoegd bij deze brief.

In de brieven wordt gemeld dat de aangiften die ik heb gedaan met betrekking tot onttrekking van het ouderlijk gezag, artikel 279 Sr, niet zou gaan om een strafbaar feit. Dit bevreemd mij zeer. Mogelijk dat u een ander Wetboek van Strafrecht hanteert dan in Nederland gehanteerd wordt. Graag zou ik dan van die versie een afschrift willen ontvangen. Ik ga er echter van uit dat u hetzelfde Wetboek van Strafrecht hanteert. In dat geval dient u zich, net zoals ik en iedere andere Nederlandse rechtspersoon, te houden aan de wettelijke regels.

Ik ben het niet eens met de door de Politie Gelderland-Zuid opgestelde brieven. Buiten dat in de brieven iedere vorm van argumentatie ontbreekt, wordt met deze beslissing de wet volledig naast zich neergelegd. Alvorens in te gaan op de redenen waarom ik het niet eens ben, eerst wat achtergrondinformatie zodat u een volledig beeld krijgt van wat er zich afspeelt.

Elk kind heeft het recht bij zijn ouders op te groeien en om met beide ouders contact te houden wanneer het van een of van beiden gescheiden leeft, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind. Dit is vastgelegd in het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind, welk geratificeerd is door Nederland. Mede op grond van dit verdrag is in maart 2009 een wetswijziging “Voortgezet ouderschap en zorgvuldige echtscheiding” doorgevoerd.

Helaas verlopen niet alle echtscheidingen even vlekkeloos. In een aantal gevallen ontvouwt zich een hevige strijd tussen beide ouders. In een aantal andere gevallen wordt de strijd gevoerd door één van de ouders. Dit laatste is bij mij het geval. En daar waar kinderen in het spel zijn, zijn de kinderen vaak de dupe van de strijd die gevoerd wordt.

In mijn geval begon de moeder van mijn kinderen vrijwel direct na de beslissing van de rechtbank te [locatie] omtrent de omgangsregeling, zoals opgesteld in de beschikking van [datum najaar] 2009, de omgangsregeling te frustreren. De kinderen werd het recht op omgang met hun vader ontnomen. Verschillende malen is getracht met tussenkomst van mijn advocaat en de politie de omgangsregeling weer op gang te brengen, echter de problemen hielden aan.

Ik heb uiteindelijk op [datum voorjaar] 2010 en op [datum voorjaar] 2010 aangifte gedaan van onttrekking van de ouderlijke macht op grond van artikel 279 Wetboek van Strafrecht.

Dit artikel wordt veelvuldig toegepast in gevallen waarin, laten we maar man en paard noemen, vaders hun kinderen niet terugbrengen naar hun moeder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben. In dat geval worden vaders, veelal hardhandig, aangepakt in het bijzijn van hun kinderen en worden de kinderen teruggebracht naar de moeder. Indien aangifte wordt gedaan door de moeder van onttrekking van de ouderlijke macht wordt een strafrechterlijk onderzoek ingesteld en wordt de vader strafrechterlijk vervolgd.

In het geval dat de moeder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben weigert om de kinderen mee te geven aan de vader, wordt er door politie en justitie plotseling anders gehandeld. In dat geval wordt er niet opgetreden tegen de moeder. Dit is ook bij mij het geval geweest. De politie handelt daarmee in strijd met artikel 2 van de Politiewet 1993, waarin staat: "De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven". Het gevolg van het handelen van de politie is dat de kinderen het recht op zorg en omgang met de vader wordt ontnomen.

Er is bovendien sprake van ongelijke behandeling in het optreden van de politie. Dit is in strijd met artikel 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Voor vaders zijn er in dat geval twee mogelijkheden om er voor te zorgen dat de kinderen toch zorg en omgang kunnen krijgen met de vader. Vader kan een civielrechtelijke procedure starten of kan trachten de moeder strafrechtelijk te laten vervolgen. In mijn geval heb ik beide gedaan.

Ik heb een kort geding aangespannen bij de rechtbank te [locatie] om er voor te zorgen dat de beschikking van [datum najaar] 2009, zoals is vastgesteld door de rechtbank te [locatie], wordt nageleefd. De rechter heeft daarbij geoordeeld dat al mijn verzoeken, waaronder het verzoek om een dwangsom voor iedere dag dat de omgangsregeling niet wordt nageleefd, werden afgewezen. Met andere woorden: via een civielrechtelijke procedure is het niet mogelijk gebleken het recht op zorg en omgang met vader af te dwingen. Ook hier is sprake van een ongelijke behandeling. De beslissing van de rechtbank heeft er overigens voor gezorgd dat mijn kinderen vervolgens gedurende 4,5 maand geen enkel contact meer hebben gehad met hun vader, maar dit terzijde.

Dan de strafrechtelijke procedure. Bij het doen van aangifte van onttrekking van de ouderlijke macht stuitte ik op verzet bij de politie. Dit terwijl ieder burger gerechtigd is om aangifte te doen van een strafbaar feit (art. 161 Wetboek van Strafvordering) en de politie verplicht is de aangifte op te nemen (art. 163 Wetboek van Strafvordering, lid 5). Als burger, of in ieder geval als vader, moet je op je strepen gaan staan om dit voor elkaar te krijgen. Het heeft me dan ook 5 weken gekost om de aangifte die ik heb gedaan op [datum voorjaar] 2010 ([PV nummer]) uiteindelijk opgenomen te krijgen. Wel vreemd, aangezien de moeder van mijn kinderen het wel eenvoudig voor elkaar heeft gekregen om een valse aangifte te doen van stalking door mij. Ook dit doet vermoeden dat er sprake is van een ongelijke behandeling.

Moeders zijn zich terdege bewust van de rechtsongelijkheid die zowel door justitie als politie wordt gebezigd. Zij zijn zich bewust dat de ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben, de macht hebben om te kunnen bepalen wanneer de kinderen de andere ouder mag zien. Zij zijn zich bewust dat de politie niet optreedt tegen dit handelen. Zij zijn zich bewust dat de rechter in hun voordeel zal uitspreken. Zij zijn zich bewust dat de officier van justitie niet tot strafvervolging over zal gaan. En zo lang moeders op geen enkel vlak worden aangepakt of zelfs maar aangesproken worden, zullen ook in de toekomst moeders de zorg en omgang met vaders blijven frustreren. Het is een zichzelf in stand houdend systeem.

Ik zal nu aangeven waarom ik het niet eens ben met de stelling dat het niet zou gaan om een strafbaar feit.

Het artikel met betrekking tot onttrekking van het ouderlijk gezag betreft artikel 279 Wetboek van Strafrecht. Dit artikel luidt:

Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid

Artikel 279
  1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
  2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

In een uitspraak van de Hoge Raad (LJN AR8250, 01198/04) van 15 februari 2005 stelt de Hoge Raad dat het niet houden aan een omgangsregeling door een ouder belast met ouderlijk gezag wel degelijk een strafbaar feit is.

De Nationale Ombudsman heeft in het rapport 2007/034 van 16 februari 2007 de volgende aanbeveling gegeven: “Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie ziet de Nationale Ombudsman aanleiding om de korpsbeheerder in overweging te geven om de relevante jurisprudentie (de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005) als uitgangspunt te nemen voor het politieoptreden bij omgangsproblemen.”

In de slotbeschouwing van het betreffende rapport stelt de Nationale Ombudsman voorts:
“De Nationale ombudsman wenst hier te benadrukken dat, indien er sprake is van gezamenlijk gezag, de ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de kinderen en de onderlinge verhoudingen. De ruimte voor de politie om zich in dit soort conflicten te mengen is beperkt.

Voorts verwijs ik u ook naar de uitspraken die zijn gedaan door Rechtbank Leeuwarden (LJN BH2027, 17/754502-08 VON) van 5 februari 2009 en door Rechtbank Maastricht van 20 februari 2009, waarin bevestigd wordt dat het gaat om een strafbaar feit.

Bovenstaande stelt dus dat het niet houden aan een omgangsregeling wel degelijk een strafbaar feit is. Dientengevolge verzoek ik u uw beslissing te heroverwegen. Het spreekt vanzelf dat ik mij zal richten tot de Nationale Ombudsman als u nog steeds van mening blijft dat het hier niet gaat om een strafbaar feit.

Om u verder alvast een stap voor te zijn verzoek ik u een zorgvuldige afweging te maken met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen. Ik ben me bewust dat het voor u een lastige kwestie is en dat u daarom, om het uzelf makkelijk te maken, vlug geneigd bent de aangifte te seponeren. In dat geval vraag ik u uiteraard om een goed beargumenteerde sepotreden. Een sepotreden als “onvoldoende wettig en overtuigend bewijs” kan in mijn ogen niet gegeven worden, aangezien moeder op [datum voorjaar] 2010 zelf heeft aangegeven “te weigeren de kinderen mee te geven en weet dat zij volledig ingaat tegen het rechtelijk bevel van de bezoekregeling” (citaat afkomstig uit politieregisters). Ik heb u echter uitgelegd dat moeder weet dat zij zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk niet aangepakt wordt en zij zich daarom niet houdt aan de omgangsregeling. Door niet strafrechtelijk te vervolgen geeft u wederom een signaal af naar de moeder dat het niet houden aan de omgangsregeling toegestaan is en zullen toekomstige problemen met betrekking tot de omgang zich blijven voordoen. U belast daarmee uw eigen politieapparaat met onnodig veel werk en handelt niet conform artikel 2 van de Politiewet.

Ik hoop dat u gaat inzien dat u mede verantwoordelijk bent voor de omgangsproblematiek en daarmee mede veroorzaker bent van de schade die dit toebrengt aan mijn kinderen.

Ik schrijf u deze brief overigens op de dag van de rechten van het kind, de dag bovendien dat moeder zich wederom niet houdt aan de omgangsregeling, die nota bene door haar zelf is voorgesteld aan de rechter.

Ik zie uw reactie met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,
[vader]

Bijlagen: 2

Terug naar inhoudsopgave

E. ANTWOORD OPENBAAR MINISTERIE OP BEKLAGBRIEF VADER INZAKE SEPOT

Contactpersoon: [contactpersoon]
Doorkiesnummer: [doorkiesnummer]
Datum: 6 december 2010
Ons kenmerk: [kenmerk]
Onderwerp: beklag

Geachte heer [vader],

Bij deze bericht ik u dat ik in uw brief van 20 november jl. aanleiding heb gezien om de politie nader onderzoek te laten doen. Zodra ik de resultaten van dit onderzoek ontvangen heb, zal ik u hier nader over berichten.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

De Officier van Justitie
namens deze,

[sr. parketsecretaris]
sr. parketsecretaris

Terug naar inhoudsopgave
_____
Disclaimer: Vaderkenniscentrum kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Het Vaderkenniscentrum huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel het Vaderkenniscentrum de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is het Vaderkenniscentrum niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van het Vaderkenniscentrum worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van Vaderkenniscentrum voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

maandag, oktober 24, 2005

15. Feministisch advocate veroordeeld voor geslachtsdiscriminatie

Advocate mag mannelijke cliënt niet per definitie weigeren
Bron: Jurofoon; 17 oktober 2005

Een advocate weigerde een man juridische bijstand omdat ze uitsluitend voor vrouwen werkt, maakt een verboden onderscheid op grond van geslacht, aldus de Commissie Gelijke Behandeling. De advocate ziet het probleem niet zo: ze vergelijkt zich met een kapper die alleen dames knipt.

De meeste advocaten zijn gespecialiseerd in bepaalde rechtsgebieden, zoals arbeidsrecht of strafrecht. De advocate in kwestie richtte zich op haar specialisatie: "vrouw en recht". Ze werkt alleen voor vrouwen en weigert dan ook uit principe mannelijke cliënten te helpen. Toen een man haar in een alimentatiezaak om juridische hulp vroeg, werd hem medegedeeld dat zij hem niet kan bijstaan.

De advocate vindt dat ze mannen mag weigeren. Vrouwen beleven een echtscheiding anders dan mannen. Optreden voor zowel vrouwen als mannen betekent dat steeds geswitcht dient te worden tussen twee werelden. Door zich te concentreren en op één wereld kan de advocate cliënten beter bijstaan. De advocate kan met vrouwelijke emoties beter omgaan, daarom sluit ze bepaalde mensen op basis van relevante kenmerken uit van haar diensten. Het afwijzen van de klant is volgens haar 'te vergelijken met een dameskapper die slechts dames knipt.'

Volgens de advocate roept een echtscheiding bij vrouwen andere emoties op dan bij mannen. Terwijl vrouwen graag zekerheid over de verzorging van de kinderen willen krijgen, zouden mannen vooral aan de hoogte van de alimentatie en de verdeling van de gemeenschap van goederen denken.

De man was het absoluut niet eens met de advocate. Hij wijst erop dat mannen bij echtscheiding en alimentatie vaak aan het kortste eind trekken en dat van een achterstandspositie van vrouwen geen sprake is. De man voelde zich gediscrimineerd en diende een klacht in bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB).

De CGB vroeg de Nederlandse Orde van Advocaten om advies, waaruit bleek dat een advocaat de vrijheid heeft zaken al dan niet in behandeling te nemen en dat "vrouw en recht" een erkend juridisch specialisme is. Een dergelijke advocaat moet zich kunnen richten op een specifieke groep cliënten, in dit geval vrouwen.

Een advocaat heeft een zekere mate van vrijheid om een zaak wel of niet aan te nemen. Maar het geslacht van de cliënt mag daarbij geen rol spelen, net zo min als bijvoorbeeld zijn etnische afkomst.

Advocaten zijn op zich niet verplicht elke zaak aan te nemen die zich aandient. Er kunnen tal van redenen zijn om dat niet te doen, zoals tijdelijke overbelasting of persoonlijke afkeer van een cliënt en zijn daden.

De Advocatenwet bepaalt dat een rechtszoekende die geen advocaat kan vinden omdat hij of zij wordt afgewezen, de deken van advocaten kan verzoeken een advocaat aan te wijzen. De aangewezen advocaat is dan verplicht de cliënt aan te nemen.

De CGB gaf de man gelijk. De advocate had geen redenen gegeven waarom vrouwen een echtscheiding anders ervaren dan mannen. Haar stelling dat per definitie geen vertrouwensband kan bestaan wegens het geslacht van de cliënt, is volgens de CGB in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving.

Over de vergelijking met een dameskapper: er zijn uitzonderingen mogelijk op de Algemene Wet Gelijke Behandeling, zoals een kapper die alleen dames knipt. Dit omdat er nu eenmaal vrouwenkapsels en herenkapsel zijn. Dit gaat echter niet op voor juridische dienstverlening.

--------------------------------------------

Verweerster maakt verboden onderscheid op grond van geslacht door verzoeker geen juridische bijstand te verlenen omdat hij een man is.
Bron: Commissie Gelijke Behandeling; Oordeel 2005-169; Samenvatting; 13 september 2005

- Volledig oordeel 2005-169

Samenvatting oordeel:
Verzoeker had een advocaat nodig die hem zou kunnen bijstaan in een lopende zaak. In dat kader heeft hij telefonisch contact opgenomen met verweerster. Bij het horen van zijn naam heeft verweerster verzoeker medegedeeld dat zij hem niet kan bijstaan omdat zij alleen voor vrouwen werkt. Verzoeker is van mening dat verweerster hiermee onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. Verweerster is van mening dat zij geen verboden onderscheid op grond van geslacht maakt. Voor advocaten bestaat geen rechtsplicht om een ieder die daarom verzoekt rechtsbijstand te verlenen. Vrouwen beleven een echtscheiding anders dan mannen.

Optreden voor zowel vrouwen als mannen betekent dat steeds geswitcht dient te worden tussen twee werelden. Door zich te concentreren op één wereld kan verweerster zich specialiseren en cliënten beter bijstaan. Verweerster kan met vrouwelijke emoties beter omgaan. Daarom sluit verweerster bepaalde mensen op basis van relevante kenmerken uit van haar diensten. De Commissie heeft de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna, de Orde) om advies gevraagd. De Orde is van oordeel dat een advocaat de vrijheid heeft zaken al dan niet in behandeling te nemen. Voorts beschouwt de Orde vrouw-en-recht als juridisch specialisme.

Deze specialisatie brengt met zich mee dat advocaten zich moeten kunnen richten op een bepaalde groep van cliënten, in casu vrouwen. De Commissie constateert dat verweerster op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd waarom vrouwen een echtscheiding anders beleven dan mannen. De stelling dat de vertrouwensband tussen een advocaat en cliënt per definitie niet kan bestaan vanwege iemands geslacht geeft blijk van ongefundeerde vooronderstellingen, en is in die zin strijdig met de doelstellingen van de gelijkebehandelingswetgeving. Er zijn ook geen wettelijke uitzonderingen van toepassing op het handelen van verweerster.

Daarom oordeelt de Commissie - in afwijking van het advies van de Orde - dat verweerster direct onderscheid op grond van geslacht maakt door verzoeker geen juridische bijstand te verlenen.