Posts tonen met het label LJN. Alle posts tonen
Posts tonen met het label LJN. Alle posts tonen

donderdag, januari 31, 2013

566. European Case Law Identifier (ECLI) vervangt Landelijk Jurisprudentie Nummer (LJN)

Raad voor de rechtspraak, Den Haag, 31-10-2012

De Rechtspraak gaat uitspraken voortaan nummeren volgens European Case Law Identifier (ECLI). Groot voordeel van ECLI ten opzichte van het huidige Landelijk Jurisprudentie Nummer (LJN) is dat deze nummering Europa-breed wordt gebruikt. Daardoor zijn buitenlandse uitspraken beter te vinden en zijn uitspraken van de Europese hoven makkelijker te citeren. Alles is er op gericht om voor eind van het jaar ECLI’s uit te gaan geven en de hernummering van LJN uitspraken te realiseren.

Raad van Ministers van de Europese Unie
In 1999 introduceerde de Rechtspraak het Landelijk Jurisprudentie Nummer (LJN). Eerst werd dit nummer alleen gebruikt voor uitspraken die op Rechtspraak.nl werden gepubliceerd, maar vanaf 2002 is het ook in gebruik als unieke en uniforme identificatie en citeerwijze van alle in Nederland gepubliceerde uitspraken. In december 2010 heeft de Raad van Ministers van de Europese Unie aanbevolen alle rechterlijke uitspraken te nummeren met de ‘European Case Law Identifier’ (ECLI). Deze aanbeveling is door de Rechtspraak overgenomen.

ECLI:landcode:instantiecode:jaar:nummer
Het formaat van een ECLI is overal in Europa hetzelfde: ‘ECLI:landcode:instantiecode:jaar:nummer’. De landcode is tweeletterig, in het geval van Nederland ‘NL’. De instantiecodes worden door de Rechtspraak bepaald en vastgelegd in de ECLI-index. Het laatste gedeelte, nummer, is door elk land naar eigen inzicht in te vullen. In Nederland zal dit een volgnummer zijn. Een ECLI van een uitspraak van de Hoge Raad uit 2013 kan er dus zo uitzien: ECLI:NL:HR:2013:897. Dat is langer dan het huidige LJN, maar ook betekenisvoller.

Hernummering
Bestaande LJN’s blijven na hernummering herkenbaar. Zo zal de ECLI van LJN:BR5216 (een arrest van de Hoge Raad uit 2011) luiden: ECLI:NL:HR:2011:BR5216. Een één-op-één vertaling van LJN naar ECLI is echter niet altijd mogelijk. Anders dan nu krijgen een conclusie van de advocaat-generaal en een arrest van de HR voortaan beide een eigen ECLI, met een verschillende instantiecode. Ook voor oude zaken zal dit worden doorgevoerd. De Rechtspraak zorgt ervoor dat inzichtelijk is hoe hernummering heeft plaatsgevonden. Zoeken op de oude LJN’s blijft mogelijk. Ook de deeplinks die met behulp van een LJN zijn aangebracht, blijven gewoon werken.

ECLI-register
Net als het LJN identificeert de ECLI een uitspraak, maar vertelt niet waar de uitspraak is gepubliceerd. Deze informatie zit in het ECLI-register dat vergelijkbaar is met de LJN-index. Net als nu zijn de vindplaatsen van uitspraken direct op Rechtspraak.nl te zien. Juridische uitgevers kunnen de vindplaatsen voor de door hen gepubliceerde uitspraken zelf bij het openbare ECLI-register aanmelden.

In het ECLI-register zullen ook formele relaties tussen uitspraken – zoveel als mogelijk – worden vastgelegd. Daardoor kan de gebruiker op Rechtspraak.nl bijvoorbeeld doorklikken van de uitspraak in eerste aanleg naar de uitspraak in hoger beroep, of van de conclusie naar het arrest van de Hoge Raad.

Meer informatie:
  • De ‘Raadsconclusies waarin de invoering wordt aanbevolen van een Europese identificatiecode voor jurisprudentie (ECLI), en van een minimumaantal uniforme metagegevens betreffende jurisprudentie’ kunt u vinden in het Publicatieblad EU C 127 van 29 april 2011 (PDF, 742 kB).
  • Uitgevers die gebruik willen maken van de extra mogelijkheden van het ECLI-register kunnen zich aanmelden via ecliservice@rechtspraak.nl.

Tijdelijke publicatiestop door vernummering uitspraken

Raad voor de rechtspraak, Den Haag, 17-1-2013

Van vrijdag 8 februari tot en met vrijdag 15 februari worden er geen uitspraken gepubliceerd op Rechtspraak.nl. In de betreffende week wordt in een omvangrijke operatie het landelijke publicatienummer (LJN) van ruim een miljoen uitspraken vervangen door een Europees publicatienummer (ECLI). Voordeel van de nieuwe nummering is dat buitenlandse uitspraken beter te vinden zijn en uitspraken van de Europese hoven makkelijker te citeren.

De nieuwe wijze van publiceren biedt ook meer mogelijkheden voor het tonen van informatie over uitspraken. Zo wordt het mogelijk om bij een uitspraak in eerdere aanleg via een hyperlink aan te geven dat er beroep is gevolgd. Ook kan met een link worden verwezen naar een wet of regeling op Wetten.nl.

In belangrijke zaken waarbij het toch noodzakelijk is om een uitspraak op Rechtspraak.nl te plaatsen, wordt een nieuwsbericht aangemaakt waar de tekst van de uitspraak als pdf-bestand aan toe is gevoegd. Uitspraken die op deze wijze zijn gepubliceerd, worden na 15 februari alsnog ingevoerd en gepubliceerd om ze via het uitsprakenregister terug te kunnen vinden.

Link naar eerder bericht: European Case Law Identifier vervangt Landelijk Jurisprudentie Nummer


Finding Case Law on a European Scale - Current Practice and Future Work



Author: Marc van Opijnen, Department for Internet Applications of the Council for the Judiciary, the Netherlands, email: mvanopijnen@rechtspraak.nl

Abstract:
There is a growing awareness that the national judge plays a vital role in the European legal system, as is illustrated by the emergence of various initiatives for the cross-border access of national (EU-related) case law. Because these and various national systems all use their own identifiers, findability and citability are seriously hampered. This paper assesses current developments and tries to define a solution for remaining problems. A European Case Law Identifier and a central index are fundamental elements in this solution.






_____
Disclaimer: Op deze website wordt geen sluitend juridisch advies gegeven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Deze website huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel er de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding besteedt wordt, zijn we niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid voor de gegeven adviezen en reacties.
_____

woensdag, september 19, 2012

555. Verdeling kosten minderjarige bij co-ouderschap naar behoefte van het kind en draagkracht van de beide ouders (Gerechtshof Leeuwarden, LJN: BX6225, 17 juli 2012)

Verdeling kosten minderjarige bij co-ouderschap naar behoefte van het kind en draagkracht van de beide ouders (Gerechtshof Leeuwarden, LJN: BX6225, 17 juli 2012)
LJN: BX6225, Gerechtshof Leeuwarden, 200.101.032/01
Datum uitspraak: 17-07-2012
Datum publicatie: 31-08-2012
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Hoger beroep
Vindplaats: Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
Verdeling kosten minderjarige bij co-ouderschap.

Uitspraak

Beschikking d.d. 17 juli 2012
Zaaknummer 200.101.032

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. O.J.C. Toxopeus, kantoorhoudende te Veendam,

tegen

[de vader],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. Hoekman-Haan, kantoorhoudende te Stadskanaal.

Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van 15 november 2011 van de rechtbank Groningen (zaaknummer 124516/FA RK 11-320) zoals bij partijen bekend.

Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 27 januari 2012, heeft de moeder verzocht de beschikking van 15 november 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende:
I. te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige [het kind] (hierna: [het kind]), geboren op [geboortedatum] in de [gemeente X], bij haar is;
II. haar toestemming te verlenen om [het kind] op een basisschool in [plaats 2] te laten gaan;
III. te bepalen dat [het kind] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ieder weekend van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vader zal verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;
IV. te bepalen dat de vader gehouden zal zijn aan haar te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] een bedrag van € 300,- per maand.
Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 20 maart 2012, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een brief van 31 januari 2012 van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) waarin wordt meegedeeld dat de raad in deze zaak geen onderzoek heeft verricht, een faxbericht van 9 februari 2012, een brief van 15 februari 2012 en een brief van 23 mei 2012 met bijlagen, van mr. Hoekman-Haan, een brief van 17 februari 2012 met een bijlage en een faxbericht van 23 mei 2012 met bijlagen, beide van mr. Toxopeus.

Ter zitting van 7 juni 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder en de vader en hun advocaten.

Mr. Toxopeus heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar ter zitting van het hof overgelegde pleitnotitie.

De beoordeling


De vaststaande feiten
1. Uit de - inmiddels verbroken - affectieve relatie tussen de moeder en de vader is de thans nog minderjarige [het kind] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over haar uit.

2. De ouders hebben hun zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [het kind] tot op heden zo verdeeld dat [het kind] steeds om en om een week bij de vader en bij de moeder verblijft. [het kind] staat ingeschreven op het adres van de vader.

3. Bij het bereiken van de schoolgaande leeftijd door [het kind] is tussen de ouders een geschil ontstaan over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

4. Bij verzoekschrift van 16 februari 2011 heeft de vader verzocht om het hoofdverblijf van [het kind] bij hem te bepalen en te bepalen dat tussen [het kind] en de moeder een zorgregeling zal gelden van één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend.

5. Bij verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, van 27 april 2011 heeft de moeder verzocht om het hoofdverblijf van [het kind] bij haar te bepalen en tevens te bepalen dat als zorgregeling tussen [het kind] en de vader zal gelden één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend, subsidiair dat ieder van de ouders [het kind] om en om een week bij zich heeft van zondagmiddag tot zondagmiddag.

6. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door de rechtbank heeft de vader zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij heeft verzocht om te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijf bij hem krijgt, dat [het kind] zal worden ingeschreven op een basisschool in [plaats 1] en dat een zorgregeling zal gelden waarbij [het kind] de ene week bij hem en de andere week bij de moeder verblijft.

7. Bij de bestreden beschikking is bepaald dat [het kind] haar hoofdverblijf bij de vader heeft, dat zij de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijft en is aan de vader vervangende toestemming verleend om [het kind] in te schrijven op een basisschool in [plaats 1]. De moeder is hiertegen in hoger beroep gekomen.

De geschilpunten
8. De geschilpunten tussen partijen betreffen:
- het hoofdverblijf en daarmee samenhangend de plaats waar [het kind] naar school dient te gaan;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind].

Het hoofdverblijf, de plaats waar [het kind] naar school dient te gaan en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
9. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat in de gegeven situatie het belang van [het kind] het meest is gediend met handhaving van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat [het kind] de ene week bij haar vader en de andere week bij haar moeder verblijft en met vaststelling van haar hoofdverblijf bij de vader, waarbij [het kind] (onveranderd) in [plaats 1] naar school gaat. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank dienaangaande over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daar aan toe dat in hoger beroep niet van andere feiten of omstandigheden is gebleken dan die in eerste aanleg reeds zijn meegewogen en welk oordeel het hof, zoals gezegd, overneemt.

De door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind]
10. De moeder heeft als (mede-)verzorgende ouder in haar beroepschrift verzocht om een bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] ter hoogte van € 300,- per maand. Ter zitting van het hof heeft zij bij haar verzoek gepersisteerd. De moeder heeft daarbij de behoefte van [het kind] gesteld op € 389,- per maand, hetgeen de vader niet, althans onvoldoende, heeft weersproken zodat het hof daar vanuit zal gaan.

11. De vader heeft tegen het verzoek van de moeder ingebracht dat hij reeds een groot deel van de kosten van [het kind] draagt en dat, zoals uit de door hem overgelegde draagkrachtberekening blijkt, er voor het overige geen ruimte is voor een aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van [het kind].

De verdeling van de kosten van [het kind]
12. [het kind] verblijft om en om een week bij de vader en bij de moeder. De kosten van [het kind] ter hoogte van € 389,- per maand worden daarom voor de helft aan elk van de beide ouders toegerekend, te weten € 194,50 per maand. Het hof overweegt voorts dat ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van hun kind.

De draagkracht van de vader
13. De door de vader in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening is - behoudens voor wat betreft het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting - door de moeder niet, althans onvoldoende weersproken zodat het hof deze berekening als uitgangspunt zal nemen.

14. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij de kosten van de kinderopvang betaalt. Uit de door de vader overgelegde stukken is gebleken dat deze kosten in 2012 (€ 391,59 minus € 333,58) € 58,- netto per maand bedragen.

15. Het hof zal een nieuwe draagkrachtberekening maken en daarbij het kindgebonden budget, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de netto kosten van de kinderopvang meenemen. Dit leidt tot de aan deze beschikking gehechte berekening (I). Daaruit blijkt dat de vader een draagkrachtruimte van € 589,- per maand heeft waarvan 70%, te weten € 412,- per maand, beschikbaar heeft ten behoeve van [het kind]. Aangezien de vader het kindgebonden budget ontvangt, kan hij geen aanspraak op fiscaal voordeel maken.

De draagkracht van de moeder
16. Van de zijde van de moeder zijn bij brief van 23 mei 2012 financiële gegevens overgelegd die door de vader niet, althans onvoldoende, zijn weersproken zodat het hof daar van uit zal gaan. Aangezien niet anders is gesteld of gebleken, hanteert het hof ter zake van het inkomen van de moeder de door haar overgelegde jaaropgaven over 2011. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de woonlasten, de premie zorgverzekering, huur- en zorgtoeslag en de aflossing op het flexibel krediet, zoals daarvan uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt. Dit leidt tot de aan deze beschikking gehechte berekening (II). Daaruit blijkt dat de moeder een draagkrachtruimte van € 66,- per maand heeft waarvan 70%, te weten € 46,- per maand, beschikbaar is voor [het kind].

17. Uit de aan deze beschikking gehechte draagkrachtvergelijking (III) blijkt dat naar rato van de draagkracht van de ouders het aandeel van de vader in de behoefte van [het kind] € 350,- per maand bedraagt en dat het aandeel van de moeder € 39,- per maand bedraagt. De kosten van [het kind] die aan elk van beide ouders worden toegerekend bedragen € 194,50 per maand per ouder, zodat de vader in de behoefte van [het kind] aan de moeder (€ 39,- minus € 194,50) € 155,50 per maand dient te betalen. De vader kan, ook na aftrek van zijn aandeel in de behoefte van [het kind], dit bedrag aan de moeder betalen. Het hof zal aldus beslissen.

De slotsom
18. Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing
Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [het kind], geboren op
[geboortedatum] in de [gemeente X], met ingang van 27 januari 2012 op € 155,50 per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet reeds zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder moeten worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, M.P. den Hollander en I.A. Vermeulen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 juli 2012 in bijzijn van de griffier.

dinsdag, april 24, 2012

538. Onbegrijpelijke vrijspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2012 die ‘het niet nakomen van de omgangsregeling’ bij gezamenlijk gezag in uitspraak LJN: BW0594 niet strafbaar stelt

LJN: BW0594, Gerechtshof Amsterdam , 23-002595-10
Datum uitspraak: 20-03-2012
Datum publicatie: 02-04-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
Vrijspraak overtreding artikel 279 Sr. Geen sprake van opzettelijke onttrekking aan het wettelijk gezag of toezicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Naar de kennelijke bedoeling van de wetgever dient het naleven van een omgangsregeling in beginsel te worden gehandhaafd d.m.v. civielrechtelijke maatregelen. Een aparte strafbaarstelling is door de wetgever vooralsnog niet overwogen.

Uitspraak

parketnummer: 23-002595-10
datum uitspraak: 20 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13/425099-09 tegen

[verdachte],
geboren te [plaats en datum],
wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 30 maart 2010 en 18 mei 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 december 2003 tot en met 1 april 2009 te Blaricum en/of te Hoogezand, gemeente Hoogezand Sappemeer, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer minderjarig(e) kind(eren), te weten [naam en geboortedatum kind 1] en/of [naam en geboortedatum kind 2], heeft onttrokken aan het wettig over die/dat minderjarig(e) kind(eren) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die één of meer minderjarige kind(eren) uitoefent, terwijl bovengenoemde minderjarige(n) jonger dan 12 jaar is/zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de inleidende dagvaarding nietig dient te worden verklaard, nu deze niet binnen de wettelijke termijn is betekend en de verdachte geen afstand heeft gedaan van deze termijn.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer over en maakt deze tot de zijne. Het verweer wordt verworpen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat de verdachte geen dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen heeft ontvangen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor zover hetgeen door de raadsman is aangevoerd al zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is de dagvaarding in hoger beroep blijkens de door de advocaat-generaal overgelegde akte van uitreiking rechtsgeldig aan de verdachte betekend. Het verweer wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsman ook in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, schending van het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel, schending van het ne bis in idembeginsel en détournement de pouvoir.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank ten aanzien van deze door de raadsman gevoerde verweren over en maakt die tot de zijne. Nu ook overigens niet is gebleken van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, die tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden, worden de verweren verworpen.

Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uren met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de Reclassering Nederland en zich daartoe bij de reclassering zal melden.

Vrijspraak
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij het strafbare feit als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zou hebben begaan. Bij de beantwoording van de vraag of dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen heeft het hof het volgende in beschouwing genomen.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 29 oktober 2002 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen de verdachte en [naam aangever] uitgesproken en is bepaald dat hun twee minderjarige kinderen [namen kind 1 en kind 2] hun hoofdverblijfplaats bij de verdachte hebben. De verdachte en de aangever behielden van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen (hierna: de kinderen). Dit brengt mee dat de verdachte niet strafrechtelijk kan worden verweten de kinderen aan het gezag te hebben onttrokken. Zij heeft immers zelf mede het gezag.

De vraag die vervolgens rijst is of de verdachte kan worden verweten dat zij gedurende de ten laste gelegde periode de kinderen opzettelijk heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefent. In dat verband zijn de navolgende omstandigheden van belang.

De rechtbank Groningen heeft bij beschikking van 24 april 2003 een omgangsregeling vastgesteld op grond waarvan de aangever gerechtigd is de kinderen een weekend per twee weken bij zich te ontvangen, alsmede gedurende de helft van de basisschoolvakanties, waarbij de verdachte en de aangever zijn overeengekomen dat de aangever de kinderen niet zal meenemen naar, of anderszins in contact brengt met, zijn moeder of verdere familieleden van hem met uitzondering van zijn vader (de opa v.z. van de kinderen).

De verdachte heeft, naar zij ook heeft erkend ter terechtzitting in hoger beroep en ter terechtzitting in eerste aanleg, zich op verschillende tijdstippen in de ten laste gelegde periode niet gehouden aan voornoemde omgangsregeling.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 februari 2005 NJ 2005,203 - daarbij voortbouwend op een in 1991 gewezen arrest (NJ 1991,824) - overwogen dat degene die het wettig gezag uitoefent over een minderjarige daarnaast ook het opzicht over die minderjarige kan uitoefenen. Het oordeel van het Hof - in die aan de Hoge Raad voorgelegde zaak - dat de verdachte de minderjarigen aan het bevoegd uitgeoefende opzicht had onttrokken door zich niet aan de omgangsregeling te houden en de kinderen niet op de daarvoor bepaalde dag bij hun moeder terug te brengen, gaf niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad.

In de onderhavige zaak doet zich de spiegelbeeldige situatie voor. Het handelen van de verdachte kenmerkt zich door het gedurende een langere periode niet meewerken aan de effectuering van een, door de rechter vastgestelde, omgangsregeling. De vraag komt op of op die spiegelbeeldige situatie voornoemd arrest zonder meer kan (of: dient te) worden toegepast, nu de Hoge Raad in zijn arrest van 12 mei 2009 LJN BH9032 - voor zover thans van belang - heeft overwogen:

“Nu de uitspraak van de Canadese rechter van 25 februari 2005 inhoudt dat aan de opgeëiste persoon - tijdelijk - het gezag over haar minderjarig kind is toevertrouwd en dat aan de vader een omgangsrecht is toegekend, kan niet worden gezegd dat de opgeëiste persoon het kind heeft onttrokken aan het in artikel 279 Sr bedoelde gezag of opzicht door op of omstreeks 18 maart 2005 - dus vóór de beslissing van de Canadese rechter van 24 maart 2005 (hof: waarin werd beslist dat aan de vader het tijdelijk gezag toekwam) - met het kind Canada te verlaten.”

Daarnaast is van belang hetgeen te lezen valt in de geschiedenis van de totstandkoming van Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding, zoals in werking getreden op 1 maart 2009.

In de Memorie van Toelichting bij wetsontwerp 30145 (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) is onder meer het volgende opgenomen:
(…) 1. Algemeen
Het is voor de ontwikkeling van een kind belangrijk dat het, ook na scheiding van zijn ouders, contact heeft met beide ouders en dat de ouders zich gezamenlijk verantwoordelijk blijven voelen voor zijn verzorging, opvoeding en ontwikkeling.
(…) Het wetsvoorstel wil deze ontwikkeling en versterken en beoogt daarmee de scheidings- en omgangsproblematiek te verminderen.

  3. Verantwoordelijkheid overheid
(...) De Stichting Samenwerkingsverband Familierecht heeft in haar advies aangegeven het wetsvoorstel te steunen maar heeft tevens aangegeven een effectief sanctiebeleid in de voorstellen te missen. Het wetsvoorstel doet inderdaad geen voorstellen om specifieke sancties op te leggen bij het niet nakomen van een zorg- of omgangsregeling. De bevoegdheid om op verzoek sancties op te leggen verandert niet.
 Voor een overzicht van de mogelijkheden verwijs ik naar mijn brief inzake effectuering omgang (Kamerstukken II 2003/04, 29520, nr. 6). Ik ben van mening dat het niet noodzakelijk is om, aanvullend op de huidige mogelijkheden, sanctiemogelijkheden in de wet op te nemen omdat hierdoor de ouders meer mogelijkheden in handen krijgen om hun strijd (over de hoofden van de kinderen) voort te zetten. De voorstellen zoals in het wetsontwerp opgenomen, in het bijzonder het ouderschapsplan, en de initiatieven die zijn genomen op het gebied van de mediation en de jeugdzorg zullen naar verwachting de scheidings- en omgangsproblematiek verminderen. Met deze maatregelen beoogt de overheid zijn verantwoordelijkheid te nemen zoals deze voortvloeit uit de internationale verplichtingen.

In de in de Memorie van Toelichting genoemde brief van 18 juni 2004 is de Minister van Justitie ingegaan op de effectuering van omgang en in het bijzonder op de dwang- en sanctiemogelijkheden. De minister heeft daarbij verwezen naar een eerdere brief van zijn hand van 13 april 2004 , waarin hij zijn voornemens kenbaar heeft gemaakt om de echtscheidingsprocedure te verbeteren. De minister heeft in de brief van 18 juni 2004 (vergaderjaar 2003-2004, Kamerstuk 29520, nr. 6) onder meer het volgende gesteld:

(…) Deze voorstellen die ik heb gedaan, hebben ten doel zoveel mogelijk te voorkomen dat er omgangsconflicten ontstaan. (…) Toch vraagt de problematiek rond omgang ook om een sluitstuk. Als ondanks de maatregelen en de inzet van mediation een kind geen omgang heeft met één van zijn ouders en de rechter de omgang niet heeft ontzegd, zal de omgang geëffectueerd moeten worden. De effectuering van omgang is echter, zoals gezegd, een gecompliceerd vraagstuk. Dit komt omdat omgang in het belang van het kind is, maar de neveneffecten van de effectuering dit niet altijd zijn. Zo heeft het effectueren van de omgangsregeling met behulp van de sterke arm (politie) verstrekkende gevolgen voor een kind. In de discussie over effectuering van omgang dient een balans te worden gevonden tussen enerzijds de noodzaak tot het effectueren van een omgangsregeling en anderzijds het belang van het kind..
(…) In de wet is een aantal civielrechtelijke dwangmiddelen opgenomen. In mijn brief van 4 december 2002 (Kamerstukken II 2002/03, 28600 VI, nr. 105) is een bijlage gevoegd met een overzicht van deze dwangmiddelen. De volgende dwangmiddelen kunnen worden opgelegd door de rechter bij het niet nakomen van een omgangsregeling :1. Dwangsom (…) 2.Lijfsdwang (…)Naast deze dwangmiddelen is het mogelijk om de volgende middelen in te zetten om omgang te effectueren: 1.Opschorting van de betaling van kinderalimentatie (…) 2. Vermindering of ontzegging partneralimentatie (…) 3.Ondertoezichtstelling (…) 4. Wijziging gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag (…) 5.Wijziging eenhoofdig gezag in gezamenlijk gezag (…) 6.. Wijziging verblijfplaats .. van het kind (…)..
(…) In de praktijk blijken deze (dwang)middelen niet afdoende te werken, omdat er gevallen zijn waarin omgang niet tot stand komt, terwijl de omgang door de rechter niet is ontzegd. De vraag is wat de taak van de overheid is om de omgang alsnog te realiseren.
Inzake de effectuering van de omgang heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens een aantal uitspraken gedaan (o.a. Glaser tegen het Verenigd Koninkrijk, 19 september 2000, no. 32346/96, par. 66 en Mark tegen Duitsland, 31 mei 2001, no. 45989/9). In de uitspraken komt naar voren dat de Staat enerzijds verplicht is om maatregelen te treffen teneinde de medewerking aan de omgang tot stand te brengen. Anderzijds kunnen deze maatregelen niet steeds worden afgedwongen, omdat de toepassing van dwang wordt begrensd door de rechten en belangen van betrokkenen, in het bijzonder die van het kind.
(…) In de zaak van Sophia Gudrún Hansen tegen Turkije heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens … Turkije veroordeeld, omdat het Hof van mening is dat Turkije niet alle noodzakelijke stappen heeft genomen om de omgangsregeling tot stand te laten komen.(…)
Deze uitspraak en de discussie in de Tweede Kamer hebben mij aanleiding gegeven nogmaals te bekijken of de overheid aan zijn plicht voldoet om maatregelen te treffen om omgang te realiseren en tevens te beoordelen of er aanvullende maatregelen nodig zijn. (…) Aanvullend op de bestaande mogelijkheden om maatregelen te treffen, ben ik voornemens om in de wet tot uitdrukking te brengen dat er een plicht tot omgang is.
(…) Naar verwachting is het stellen van deze norm ook belangrijk bij de effectuering van omgang.”
In de brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 april 2004 (Vergaderjaar 2003-2004, Kamerstuk 29520, nr.1) heeft de Minister - voor zover hier van belang - geschreven:
“Op 4 december 2002 en 4 juni 2003 heb ik Uw Kamer bericht over deze scheidings- en omgangs-problematiek. (…)
In de brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28600 VI, nr. 105) is, onder het kopje “Strafbaarstelling van het niet nakomen van een omgangsregeling” opgenomen:
“Ten aanzien van de aanbeveling een strafbepaling in de wet op te nemen sluit ik mij aan bij het door mijn voorganger ingenomen standpunt hiervan af te zien, onder meer omdat hiermee een handhavingsverplichting wordt geschapen, die onvoldoende toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het middel van (civielrechtelijke) lijfsdwang (art.585 Rv). We beschikken zoals eerder vermeld al over een uitgebreid scala aan civielrechtelijke dwangmiddelen. Ik wil bovendien benadrukken dat ik het strafrecht beschouw als een ultimum remedium en geen geëigend middel acht om deze problematiek op te lossen”
Voorts staat in de Memorie van Antwoord gericht aan de leden de Eerste Kamer (kamerstuk Eerste Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 301245, C) bij wetsontwerp 30145 (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) nog het navolgende:
(…) De aan het woord zijnde leden… vroegen welke instrumenten kunnen worden gehanteerd om de verdeling van zorg- en opvoedingstaken daadwerkelijk af te dwingen als de andere ouder daaraan niet of niet voldoende meewerkt.
De volgende civielrechtelijke dwangmiddelen kunnen worden opgelegd:
1. Dwangsom (....), 2. Lijfsdwang.
(…) Daarnaast kan de rechter op verzoek van een der partijen in de beschikking een afgiftebevel eventueel met behulp van de sterke arm opnemen. Een effectief middel om de zorg- en omgangsregeling af te dwingen lijkt het (voorlopige) toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.
(…) Ook bestaat de mogelijkheid om een kind onder toezicht te laten stellen.
(...) Voorts kan worden gewezen op de mogelijkheid een bijzondere curator( ...) te benoemen die het kind in en buiten rechte vertegenwoordigt.”
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat het naleven van een omgangsregeling naar de kennelijke bedoeling van de wetgever in beginsel dient te worden gehandhaafd door middel van de genoemde maatregelen van civielrechtelijke aard. Maatregelen van strafrechtelijke aard zijn daarbij immers niet voorgesteld. Ook een aparte strafbaarstelling - naast de civielrechtelijke dwangmaatregelen - van een ouder die de medewerking aan een omgangsregeling weigert - is door de wetgever vooralsnog niet overwogen. Het Wetboek van Strafrecht kent daartoe immers geen specifieke strafbepaling.

Op grond van het vorenstaande is, hoewel de verdachte - zoals hiervoor is vastgesteld - zich op verschillende tijdstippen in de ten laste gelegde periode niet heeft gehouden aan de door de rechter opgelegde omgangsregeling,naar het oordeel van het hof geen sprake van opzettelijke onttrekking aan het wettelijk gezag of toezicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. S. Clement en mr. E.J. van Keken, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2012.

Mr. Van Keken is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

_____
Mw. mr. S. Clement is senior raadsheer aan het Gerechtshof Amsterdam sinds 01-07-2010
Mw. mr. E.J. van Keken is Raadsheer-plaatsvervanger aan het Gerechtshof Amsterdam sinds 16-09-2009 en senior rechter aan de Rechtbank Haarlem sinds 01-01-2011 (met als nevenbetrekking Annotator bij JVGGZ - Jurisprudentie Verplichte geestelijke gezondheidszorg, SDU Uitgevers Den Haag sinds 01-06-2010)
Dhr. mr. P.A.M. Hoek is Raadsheer aan de Gerechtshof Amsterdam sinds 01-02-2009

_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

Hoge Raad:

donderdag, oktober 27, 2011

111027. Moeder verhuist zonder toestemming van vader naar plaats die co-ouderschap onmogelijk maakt (LJN BU2003, Rb Haarlem 20111011, Co-ouderschap - Toestemmingsvereiste verhuizing - Hoofdverblijf naar vader)

LJN: BU2003, Rechtbank Haarlem , 184261/2011-2717
http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BU2003

Datum uitspraak: 11-10-2011
Datum publicatie: 27-10-2011
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
De verhuizing van de moeder naar [plaats A] heeft tot gevolg dat aan de co-ouderschapsregeling zoals partijen waren overeengekomen geen uitvoering meer kan worden gegeven op een wijze die in het belang van de minderjarige te achten is. De rechtbank merkt daarbij op dat aan de co-ouderschapsregeling al gedurende twee jaren zonder ernstige conflicten tussen partijen of problemen in de ontwikkeling van de minderjarige en op dat hieraan op een voor de minderjarige vertrouwde wijze uitvoering wordt gegeven. De moeder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank laten leiden door haar eigen behoefte om naar [plaats A] te verhuizen en aan haar behoefte het belang van de minderjarige en het belang van de vader ondergeschikt gemaakt. De moeder had kunnen voorzien dat deze verhuizing op termijn de uitvoering van de co-ouderschapregeling onmogelijk zou maken. De omstandigheid dat de vader tegen de verhuizing van de moeder op dat moment geen stappen heeft ondernomen, doet hieraan niet af. De moeder heeft daarmee een situatie veroorzaakt die in strijd met de belangen van de minderjarige te achten is. Het verzoek van de vader mbt hoofdverblijf van de minderjarige bij hem te bepalen wordt toegewezen onder afwijzing van het verzoek van de moeder.

Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel
familie- en jeugdrecht


hoofdverblijfplaats/schoolkeuze/omgang/alimentatie

zaak-/rekestnr.: 184261/2011-2717

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 11 oktober 2011

in de zaak van:

[naam moeder],
wonende te [plaats A] ,
hierna mede te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.A. Mulders, gevestigd te Haarlem,

--tegen--

[naam vader],
wonende te [plaats B],
hierna mede te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.J.F. Manders, gevestigd te Haarlem.


1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:
- het op 10 augustus 2011 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift met bijlagen van de moeder;
- het op 22 september 2011 ingekomen verweerschrift met bijlagen van de vader;
- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 23 september 2011,
en het verhandelde ter terechtzitting op 26 september 2011 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De vaststaande feiten

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

2.1 Partijen hebben van oktober 2006 tot en met november 2008 een affectieve relatie gehad.

2.2 Uit deze relatie is op [datum] 2007 de minderjarige [naam minderjarige] geboren. De minderjarige is door de vader erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2.3 Bij het uiteengaan hebben partijen afgesproken dat de moeder met [naam minderjarige] in de woning van de vader te [plaats B] blijft wonen, totdat zij een fulltime baan en geschikte woonruimte voor haarzelf en [naam minderjarige] heeft verkregen. Vader zou zolang bij zijn ouders verblijven.
Daarbij hebben zij onder meer afgesproken dat [naam minderjarige] op de dagen dat de moeder werkt door de ouders van de vader zal worden verzorgd.

2.4 Bovenstaande regeling is medio februari 2009, voordat de moeder vervangende woonruimte had gevonden geëindigd. De vader heeft zijn woning weer betrokken en de moeder heeft tijdelijk bij een vriend onderdak gevonden. [naam minderjarige] is bij de vader blijven wonen en werd doordeweeks verzorgd door de ouders van de vader.

2.5 Op 16 juli 2009 zijn partijen ter beëindiging van het door de moeder aangespannen kort geding overeengekomen dat [naam minderjarige] vrijdag 17 juli 2009 om 18.00 door de moeder bij zijn grootouders (vz) wordt opgehaald en omgang met haar zal hebben tot zondagavond 19 juli 2009, waarbij hij teruggebracht wordt bij de grootouders. [naam verblijft vervolgens de hele week bij de vader/de grootouders. [naam minderjarige] wordt vervolgens op zondagavond 26 juli 2009 om 19.00 uur door de moeder opgehaald bij de vader/de grootouders waarna [naam minderjarige] de hele week bij de moeder verblijft. Partijen zijn daarbij ondermeer overeengekomen dat deze regeling van gelijke wekelijkse omgang tussen [naam minderjarige] en de ouders daarna voorlopig geldt tot 15 januari 2010 en dat zij voor 15 januari 2010 in onderling overleg een ouderschapsplan zullen opstellen.

2.6 De moeder heeft op 8 maart 2010 een door haar gekochte woning in [plaats A] betrokken. In juli 2011 is de moeder bevallen van een zoon uit de relatie tussen haar en haar nieuwe partner. Op [datum] 2011 wordt [naam minderjarige] vier jaar oud en zal hij naar de basisschool gaan.

2.7 Partijen hebben vanaf eind augustus 2010 getracht via mediation tot een ouderschapsplan te komen, hetgeen niet is gelukt.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek van de moeder strekt tot:
a. het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [naam minderjarige] bij de moeder in [plaats A];
b het verlenen van vervangende toestemming aan de moeder om [naam minderjarige] in te schrijven op de basisschool [naam] te [plaats A];
c. het vaststellen van een zorg- en contactregeling, inhoudende dat [naam minderjarige] de oneven weken van vrijdagmiddag na school om 08.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [naam minderjarige] uit school ophaalt en brengt en dat [naam minderjarige] in de even weken van woensdagmiddag uit school om 12.00 uur t/m donderdagochtend naar school op 08.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [naam minderjarige] uit school ophaalt en brengt.
d. het vaststellen van een door man te betalen kinderbijdrage van € 382 per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.

3.2 De moeder heeft haar verzoek gebaseerd op de stelling dat het vanaf het moment dat [naam minderjarige] naar de basisschool gaat niet langer in zijn belang is gelet op de reisafstand dat de gedeelde zorgregeling blijft voortduren. Zij is daarbij van mening dat zij, omdat zij slechts drie halve dagen per week werkt in haar eigen zaak waarbij zij haar eigen werktijden kan bepalen, de meest aangewezen persoon is om de verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] op zich te nemen. Bovendien is moeder de primaire hechtingsouder. Het is daarbij voor de moeder erg belangrijk dat [naam minderjarige] deel uitmaakt van haar nieuwe gezin en ook een hechte band met zijn broertje kan ontwikkelen. De vader werkt 40 uur per week, zodat de feitelijke zorg voor [naam minderjarige] indien het hoofdverblijf bij de vader is, op de schouders van zijn ouders terecht zal komen. Voor de moeder is dit niet acceptabel, mede gezien het feit dat zij wel in staat is om deze zorg zelf op zich te nemen.

4 Het verweer en zelfstandig verzoek

4.1 De vader heeft het verzoek gemotiveerd bestreden en heeft zelf verzocht te bepalen dat:
a. de hoofdverblijfplaats van [naam minderjarige] in het vervolg bij zijn vader te [plaats B] zal zijn;
b de vader vervangende toestemming wordt verleend om [naam minderjarige] te doen inschrijven op een, nog nader te bepalen, basisschool in [plaats B];
c. [naam minderjarige] in de oneven weken van vrijdagmiddag na school om 12.00 uur tot en met maandagochtend naar school om 08.30 uur bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [naam minderjarige] uit school ophaalt en naar school brengt;
d. [naam minderjarige] in de even weken van woensdagmiddag uit school om 12.00 uur tot en met donderdagochtend naar school om 08.30 uur bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [naam minderjarige] uit school ophaalt en naar school brengt;
e. [naam minderjarige] gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de moeder verblijft,
zulks met afwijzing van de verzoeken van de moeder.

4.2 De vader stelt zich op het standpunt dat er voor de moeder geen noodzaak was om naar [plaats A] te verhuizen. De moeder heeft hem ook nimmer om toestemming verzocht voor deze verhuizing, hetgeen wel op haar weg had gelegen. De vader meent dat de handelwijze van de moeder niet in het belang van [naam minderjarige] is en dat hij door de moeder voor een fait accompli is gesteld. De omstandigheid dat [naam minderjarige] in [maand] van dit jaar vier jaar oud wordt en dus naar school zal gaan, maakt de uitvoering van de huidige zorgregeling als gevolg van de verhuizing van de moeder de facto onuitvoerbaar. Door haar handelen ontneemt de moeder [naam minderjarige] het recht om de hechte band met zijn vader voort te zetten en heeft zij laten zien dat zij haar eigen belang boven het belang van [naam minderjarige] stelt. Het zou volstrekt onacceptabel zijn indien de huidige situatie als feitelijk gegeven wordt geaccepteerd en dat op basis daarvan de beslissing zou worden genomen dat [naam minderjarige] in het vervolg bij zijn moeder hoofdverblijf heeft.
Daarbij voert de vader aan dat hij zeer goed in staat is om [naam minderjarige] een stabiele omgeving te bieden waarin voldoende oog is voor contact met de andere ouder. Hij heeft de zorgtaken met betrekking van [naam minderjarige] vanaf zijn geboorte op zich genomen op de momenten dat hij daartoe in staat was. Dat hield in de eerste periode na zijn geboorte in dat partijen voor een deel de zorgtaken op zich namen en dat een groot deel van die zorgtaken bij grootouders(vz) werden neergelegd. Sinds de procedure in kort geding heeft de vader zijn werkzaamheden als internationaal chauffeur neergelegd en vervult hij een functie als nationaal vrachtwagenchauffeur. Dit houdt in dat hij dagelijks tussen 16.00 en 17.00 uur thuis is en vanaf dat moment ook de zorgtaken op zich neemt. Bij een hoofdverblijf van [naam minderjarige] bij de vader hoeft de opvang door de grootouders tot een minimum beperkt te blijven. Bovendien hebben de grootouders [naam minderjarige] vanaf zijn geboorte mede verzorgd en behoren zij tot een voor [naam minderjarige] vertrouwde omgeving.

5 Beoordeling van het verzoek

hoofdverblijf en inschrijving school

5.1 Gebleken is dat de moeder in maart 2010 is verhuisd naar [plaats A] zonder dat zij hiervoor de benodigde toestemming van de vader had verkregen. Tussen partijen is niet in geschil dat de huidige co-ouderschapsregeling niet kan worden voortgezet vanaf het moment dat [naam minderjarige] naar de basisschool gaat. De afstand tussen [plaats A] en [plaats B] maakt voortzetting van deze regeling onmogelijk.

5.2 De moeder heeft naar voren gebracht dat de verhuizing naar [plaats A] noodzakelijk was. Op dat moment had zij een vast dienstverband en bevond [plaats A] zich centraal in haar werkgebied. Volgens de moeder was het voor haar financieel niet mogelijk om in [plaats B] of in de directie omgeving van [plaats B] een woning te kopen, terwijl zij de huur van de woning in [plaats] van € 1.000 per maand waar zij op dat moment verbleef financieel niet kon opbrengen. In [plaats B] zou zij alleen een studio kunnen huren, maar dit vond onder andere de vader niet acceptabel. Uiteindelijk heeft zij een woning gevonden in [plaats A], waar voldoende ruimte aanwezig is voor haarzelf en [naam minderjarige].
Niet gebleken is dat de moeder heeft getracht overeenstemming te bereiken met de vader over de verhuizing. Zij heeft zelf ter zitting verklaard dat zij de verhuizing aan de vader heeft gemeld een paar dagen nadat zij de sleutel van de woning had gekregen en dat de vader hierop verrast reageerde.

5.3 De rechtbank is voldoende gebleken dat partijen in onderling overleg niet kunnen komen tot een regeling vanaf [datum] 2011 die voor beiden bevredigend is. De verhuizing van de moeder naar [plaats A] heeft tot gevolg dat aan de co-ouderschapsregeling zoals partijen waren overeengekomen geen uitvoering meer kan worden gegeven op een wijze die in het belang van de minderjarige te achten is. De rechtbank merkt daarbij op dat aan de co-ouderschapsregeling al gedurende twee jaren zonder ernstige conflicten tussen partijen of problemen in de ontwikkeling van de minderjarige en op dat hieraan op een voor de minderjarige vertrouwde wijze uitvoering wordt gegeven.
De moeder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank laten leiden door haar eigen behoefte om naar [plaats A] te verhuizen en aan haar behoefte het belang van de minderjarige en het belang van de vader ondergeschikt gemaakt. De moeder had kunnen voorzien dat deze verhuizing op termijn de uitvoering van de co-ouderschapregeling onmogelijk zou maken. De omstandigheid dat de vader tegen de verhuizing van de moeder op dat moment geen stappen heeft ondernomen, doet hieraan niet af.
De moeder heeft daarmee een situatie veroorzaakt die in strijd met de belangen van de minderjarige te achten is. Immers, of de minderjarige nu hoofdverblijf zal hebben bij de vader of de moeder, zijn andere ouder heeft minder zorg voor en contact met hem dan voorheen. Dat [naam minderjarige] elke werkdag met zijn vader bij de grootouders blijft eten doet hieraan niet af. De door de moeder aangevoerde argumenten hebben de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar, meer in het belang van de minderjarige zou zijn dan bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader, tegen welk verblijf door de moeder geen contra-indicaties zijn aangedragen.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat het belang van de minderjarige zich er niet tegen verzet dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bepaald bij de vader, waarbij de minderjarige in de voor hem vertrouwde omgeving kan opgroeien ook al is dit met enige hulp en bijstand van de ouders van de vader. De rechtbank zal in die zin beslissen en derhalve het verzoek van de vader toewijzen en het verzoeken van de moeder afwijzen.

5.4 De moeder heeft desgevraagd aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat indien het hoofdverblijf van [naam minderjarige] wordt bepaald bij de vader, [naam minderjarige] zal worden ingeschreven op de basisschool “[naam]”. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader zoals genoemd onder 4.1 b als hierna te melden toewijzen. Het verzoek van de moeder zal worden afgewezen.

zorgregeling

5.5 De moeder heeft, in het geval de hoofdverblijfplaats van [naam minderjarige] wordt bepaald bij de vader, zich niet verzet tegen toewijzing van de zorgregeling zoals door de man voorgesteld en genoemd onder 4.1 c, d en e., noch heeft zij om een andersluidende regeling verzocht.
De rechtbank zal, nu haar dit niet strijdig met het belang van [naam minderjarige] voorkomt, conform het verzoek van de vader beslissen. Het verzoek van de moeder met betrekking tot de zorgregeling zal worden afgewezen.

kinderbijdrage

5.6 Nu het hoofdverblijf van [naam minderjarige] wordt bepaald bij de vader, is de grond van het verzoek van de moeder tot een door de vader te betalen kinderbijdrage komen te vervallen. Het verzoek van de moeder zal daarom worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Wijst af de verzoeken van de moeder.

6.2 Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [naam]:
- [naam minderjarige], geboren op [datum] 2007 in de gemeente [plaats], is bij de vader.

6.3 Bepaalt dat de verklaring van toestemming van de moeder tot inschrijving van de minderjarige [naam minderjarige] voornoemd op de basisschool [naam] te [plaats] voor zover nodig vervangen wordt door een verklaring van toestemming van de kinderrechter.

6.4 Stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast:
De minderjarige [naam minderjarige] verblijft in de oneven weken van vrijdagmiddag na school om 12.00 uur tot en met maandagochtend naar school om 08.30 uur bij de moeder, waarbij de moeder [naam minderjarige] uit school ophaalt en naar school brengt. Daarnaast verblijft [naam minderjarige] in de even weken van woensdagmiddag uit school om 12.00 uur tot en met donderdagochtend naar school om 08.30 uur bij de moeder, waarbij de moeder [naam minderjarige] uit school ophaalt en naar school brengt. Voorts verblijft [naam minderjarige] gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de moeder.

6.5 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.6 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van Andel, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van E. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op
11 oktober 2011.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.


_____
_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____
_____