Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen

donderdag, juli 25, 2013

578. Moordouders - Kinderdoding in Nederland (A.J. Verheugt, 2007) :: Kinderdoders zijn in meerderheid van het vrouwelijke geslacht

Moordouders - Kinderdoding in Nederland; een klinisch en forensisch psychologische studie naar de persoon van de kinderdoder
Bron: Rijksuniversiteit Groningen, Rechtenfaculteit, Tijdschrift Ontmoetingen,  Nr. 16

Moordouders, A.J. Verheugt [*], Van Gorcum, 2007

’… Door een noodlottigen samenloop van omstandigheden (dien hij beweert nooit te zullen mededeelen) dien hem de toekomst zijner kinderen allerdonkerst deed inzien, is door zijne overspannen hersenen het rampzalige voornemen bij hem in de gedachte gekomen zijne kinderen, juist daar hij ze zoo zielslief had, voor hun eigen bestwil het leven te zullen benemen. Deze gedachte, welke hem onwederstaanbaar beheerschte, heeft hem als het ware door een machtigen aandrang aangespoord zijn zoo’n wanhopig voorgenomen plan doen ten uitvoer brengen. Hij is dan ook, als door een magnetischen kracht aangetrokken, naar de slaapkamer zijner kinderen gegaan…’. [1]

Samenvatting

Samenvattend zijn de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek naar kinderdoding in Nederland met betrekking tot de persoon van de dader, dat kinderdoders in meerderheid van het vrouwelijke geslacht zijn, vrijwel allen onveilig gehecht zijn aan hun ouder(s), in hun jeugd veel verlieservaringen geleden hebben van een dierbare van vaak jonge leeftijd, emotioneel weinig beschikbare ouders hebben gehad en een psychische stoornis hebben. Ondanks deze beschadigde ‘binnenkant’ is aan de ‘buitenkant’ van de kinderdoder vaak weinig opvallends merkbaar. Deze voor het oog ongeschonden buitenkant valt op te maken uit onder andere de relatieve afwezigheid van een justitiële voorgeschiedenis, arbeidsproblematiek, middelengebruik en/of mishandeling. Dit is de reden waarom het vóórkomen van kinderdoding voor de buitenwereld vaak volkomen onverwacht kan zijn. In het laatste jaar voorafgaand aan de kinderdoding komt de dader een aantal stressoren tegen en wordt hij daarbij geconfronteerd met een (dreigend) nieuw verlies in de vorm van scheiding, verlating of dood van een belangrijke ander.

Inleiding

http://www.managementboek.nl/boek/9789023243663/moordouders-toon-verheugt
Iedere keer wanneer het bericht ons bereikt dat een ouder zijn of haar kind of kinderen om het leven heeft gebracht, zijn we in meer of mindere mate geschokt. Het is moeilijk te begrijpen dat iemand zijn eigen kinderen van het leven berooft. Wie doet zoiets? Komt het vaak voor in Nederland? Die indruk krijgt men soms wel uit het nieuws. Houden deze ouders niet van hun kinderen? Waarom gebeurt dit juist in dat gezin? Doen mannen zoiets vaker dan vrouwen? Vragen, waarvan er zonder veel fantasie nog veel meer zijn te stellen.

Kinderdoding is een verschijnsel dat al sinds mensenheugenis bestaat. Elk geval van kinderdoding is over het algemeen de resultante van een samenloop van een aantal factoren en omstandigheden. Deze kunnen liggen in de persoon van de dader [2] en/of het gezin.

Deze bijdrage gaat over kinderdoding in Nederland en is een bewerking van mijn dissertatie “Moordouders” [3] . In deze dissertatie wordt de stand van zaken met betrekking tot onderzoek naar kinderdoding in Nederland en speciaal in de periode van 1994-2004 [4] onderzocht. Uit deze studie worden in deze bijdrage een aantal aspecten besproken. Aan bod komen: de verschillende vormen van kinderdoding, de persoon van de dader en diens psychopathologie, karakteristieken van de slachtoffers, de gezinsomstandigheden, de delictomstandigheden en ten slotte het strafproces. Ik begin met enkele opmerkingen van methodologische aard (1), dan volgt een overzicht van de belangrijkste resultaten van mijn onderzoek (2). Deze vergelijk ik met conclusies uit ander onderzoek (3) en ik sluit af met een voorzet voor een integrerende visie op kinderdoding (4).

1. Enkele opmerkingen van methodologische aard

Definitie
Kinderdoding wordt in deze bijdrage gedefinieerd als: het doden van kinderen door hun biologische, adoptief-, pleeg- en/of stiefouders. Kinderdoding kent drie verschijningsvormen:
• Neonaticide (doding binnen 24 uur na de geboorte)
• Infanticide (doding in het eerste jaar van het leven van een kind)
• Filicide (doding na eerste jaar van het leven van een kind).

Probleemstelling
Kinderdodingen roepen veel maatschappelijke afschuw en verontwaardiging op. Omdat er in de media en pers vaak gemeld wordt dat de ‘gezinsdrama’s’ zich afspelen in gezinnen die op het oog volstrekt normaal lijken, krijgt het geheel iets mysterieus. Mensen denken gauw: ons gezin is toch normaal, zou zoiets dan ook bij ons mogelijk zijn? Daarmee komt een en ander erg dicht bij ons bed. Leven wij niet allemaal in een vorm van gezinsverband? In ieder geval zijn we er allemaal uit afkomstig. De afschuw, het onbegrip, de verontwaardiging en de woede over het geweld tegen het kleine kind, gaat, denk ik, ook over het kleine en kwetsbare dat in onszelf geraakt wordt. Ten slotte raakt het ook aan een nog iets diepere, de agressieve, laag in onszelf. Het is een kant waar we liever niet al te veel mee te maken willen hebben. Wat maakt nu dat er mensen zijn die datgene doen waar anderen ‘slechts’ over fantaseren, als ze dat al zouden doen?

Opmerkelijk is dat in Nederland naar het verschijnsel kinderdoding, tot voor deze dissertatie, weinig wetenschappelijk onderzoek is gedaan. Koenraadt is in Nederland een van de weinigen die zich met kinderdoding bezighoudt; hij publiceerde onder andere over neonaticide en over berichtgeving in de media met betrekking tot kinderdoding. [5] In mijn dissertatie heb ik getracht de persoon van de kinderdoder beter te doorgronden. Met een vroegtijdige onderkenning van potentiële risicogevallen kunnen professionele hulpverleners tijdig adequate maatregelen nemen. Verder wilde ik door het doen van dit onderzoek een basis creëren voor verder onderzoek naar kinderdoding.

Literatuurbevindingen
In de literatuur naar het verschijnsel kinderdoding vallen een aantal zaken op. In de literatuur over kinderdoding is onder andere goed te zien hoe de positie van het kind zich in de loop van de eeuwen ontwikkeld heeft. Kinderen worden tegenwoordig vooral gezien als, weliswaar nog van ouders en verzorgers afhankelijke, autonome individuen die men met zorg, aandacht en respect behandelt. Dat was vroeger wel anders. Van zieke, zwakke en/of misvormde kinderen ontdeed men zich soms maar al te gemakkelijk. Philip Resnick deed onderzoek naar het vóórkomen van psychiatrische stoornissen onder kinderdoders. Hij vond 60 á 70 % stoornissen. [6] Er was veelal sprake van psychotische en depressieve stoornissen. Wilczynski heeft vooral onderzoek gedaan naar motieven en risicofactoren. [7] Een probleem bij veel van deze onderzoeken is dat de onderzochte groepen nogal verschillen. Hierdoor zijn zij moeilijk te vergelijken. De drie verschijningsvormen van kinderdoding worden ook niet altijd goed onderscheiden. Neonaticide wordt niet altijd geïncludeerd. Soms worden ook ‘pogingen’ in het onderzoek meegenomen.

Criteria onderzoeksgroep
Omdat het onderzoek zich richtte op de familiale kinderdoder (doder in gezinsverband) werden niet alleen de daders onderzocht die een biologische band met hun kind hebben, maar ook daders die een bepaalde affectieve band met de door hen gedode kinderen hebben. Hieronder worden pleeg- en stiefouders verstaan. Daarbij is er een verschil tussen deze beide laatste ouders. Pleegouders hebben in de meeste gevallen actief en bewust gekozen voor het opvoeden van kinderen van een ander. Stiefouders hebben dat in principe ook, maar zijn en of voelen zich soms ook ‘opgezadeld’ met de kinderen van de partner. Om methodologische en inhoudelijke redenen is afgezien van het onderzoeken van pogingen tot kinderdoding. Met het weglaten van de pogingen kon het aantal te bestuderen dossiers belangrijk beperkt worden De onderzoeksgroep raakte er ook minder door vertroebeld, omdat heel wat dossiers ‘alleen’ gaan over mishandelingen. Omdat kindermishandeling op een te grote schaal in Nederland voorkomt, tast het de specificiteit van dit onderzoek naar de kinderdoder te zeer aan.

Verzameling onderzoeksgegevens
De gegevens werden, na bestudering van de gegevens uit de query die tot stand kwam met behulp van het arrondissementsparket te Amsterdam en het parketgeneraal te ’s-Gravenhage, verkregen via een rondtocht van ongeveer anderhalf jaar langs alle parketten (arrondissementen en ressorten) in Nederland, een bezoek aan het Centrum voor Justitiële Documentatie te Almelo en de afdeling Individuele TBS-zaken van het ministerie van Justitie.

Er werd inzage verkregen in de kinderdodingszaken uit de periode 1994-2004. Het betrof ook zaken waar geen pro Justitia rapportages aanwezig waren. Er werd inzage verkregen in de vonnissen. Zo werd duidelijk wanneer er sprake was van sepots, vrijspraken in eerste en/of tweede aanleg en het al dan niet opleggen van een maatregel. Als vergelijkingsgroep werd gekozen voor de groep van partnerdoders. Voor deze groep is gekozen omdat de daders van beide groepen een zelfde plaats in het gezin innemen en daarmee een vergelijkbare groep vormen. Een voordeel van de partnerdoders als vergelijkingsgroep is verder dat er in deze groep relatief veel vrouwen zitten Dit is ongeveer 15%, terwijl dit bij 'gewone' dodingen minder is dan 5%. Daders van kinderdodingen zijn in ongeveer de helft van de gevallen vrouw.

Samenstelling onderzoeksgroep
De totale onderzoeksgroep bestaat uit 107 verdachten, te weten 53 verdachten van kinderdoding en 54 verdachten van partnerdoding. Het totale aantal slachtoffers bedraagt 114 personen, namelijk 60 slachtoffers van kinderdoding en 54 slachtoffers van partnerdoding.

De kinderdoders zijn op 65 variabelen gescoord. Voor een definitie van de variabelen en een verantwoording van de keuze ervan, verwijs ik naar de eigenlijke studie. [8] Binnen het bestek van dit artikel - onderzoek kinderdoding - zijn de resultaten met betrekking tot partnerdoding achterwege gelaten.

2. Belangrijkste resultaten van het onderzoek naar kinderdoding in Nederland

Persoon van de dader
De groep onderzochte kinderdoders bestaat voor ongeveer een kwart uit plegers van neonaticide. Ongeveer een kwart van de daders pleegt infanticide. De overige helft van de daders pleegt filicide. Per verschijningsvorm worden nadere gegevens over de dader verstrekt. Bij de groep vrouwelijke kinderdoders werd geen enkele stiefmoeder aangetroffen. Bij de mannelijke kinderdoders bleek het in 16,7% van de gevallen om stiefvaders te gaan.

Profiel van de neonaticidepleger
De neonaticidepleger is vrijwel altijd een vrouw. Zij is over het algemeen tussen de 16 en 30 jaar oud en doorgaans van autochtone afkomst, alleenstaand en heeft weinig persoonlijke intieme relaties. Meestal is het slachtoffer een eerste kind. Neonaticideplegers kennen een sterke ambivalentie ten aanzien van de zwangerschap. Deze moet koste wat het kost verborgen blijven, vaak uit angst om de liefde van de ‘partner’ en/of de ouders te verliezen. Tegelijk is er de sterke wens dat de zwangerschap wordt opgemerkt. Wanneer dat laatste gebeurt, wordt de zwangerschap vervolgens weer ontkend. Neonaticideplegers bevallen meestal in het ouderlijke huis, zelfs wanneer men het ouderlijke huis al verlaten heeft. Zij brengen het kind na de geboorte actief of passief om het leven. Zij houden het in de buurt. Ze leggen het niet echt weg. Meestal wordt het kind niet begraven. De dynamiek van het zwanger worden ( kinderwens en conceptie) blijft in de literatuur en ook in de rapportages achterwege. Neonaticideplegers functioneren, in ieder geval oppervlakkig gezien, veelal goed en ze zijn nauwelijks suïcidaal. De stoornissen bij neonaticideplegers ontwikkelen zich in de aanloop tot de doding en betreffen vaak angst- en dissociatieve stoornissen. Meer dan 40% van de neonaticideplegers is in haar jeugd mishandeld. Allen hebben in het laatste jaar voorafgaand aan de doding een hoeveelheid stress te verwerken die gelijk staat aan de impact van het overlijden van een partner. Iets meer dan de helft van de neonaticideplegers heeft een ouder die tijdens de jeugd van verdachte aan een lichamelijke ziekte leed. Neonaticideplegers geven doorgaans, juist door de aard van het delict, geen signaal vooraf.

Profiel van de infanticidepleger
Net zoals bij de neonaticidepleger wordt dit feit niet in vereniging, maar alleen gepleegd en is er één slachtoffer. De infanticideplegers zijn tussen de 19 en 49 jaar oud en 2/3 van hen is vrouw. Van de infanticideplegers heeft 40% een tehuisverleden en is 66% tijdens de jeugd mishandeld. Van hen heeft 46% problemen binnen de primaire steungroep. Opvallend is dat een derde deel van de infanticideplegers een huwelijkse scheiding in het laatste jaar voorafgaand aan de doding heeft meegemaakt. Bij de twee andere groepen speelde dit niet. Afhankelijkheid van een middel heeft bij 40% van infanticideplegers ooit in hun leven gespeeld. Eveneens 40% gaf een signaal vooraf en ze gebruikten in 80% manueel geweld bij de doding.

Profiel van de filicidepleger
Bij filicide zijn er, in tegenstelling tot neonaticide en infanticide, evenveel mannelijke als vrouwelijke doders. Deze daders zijn tussen de 20 en 48 jaar oud. Van de filicideplegers is 81% in zijn jeugd mishandeld. Van hen had 81% problemen met de primaire steungroep en 35% had opvoedingsproblemen met de kinderen. Iets meer dan de helft gaf een signaal vooraf en 88% gebruikte manueel geweld of een wapen als wijze van doden. In 33% van de gevallen werd de filicide in vereniging gepleegd, bij 20% van deze zaken ging het om meerdere slachtoffers. Het aandeel allochtonen neemt toe met de leeftijd van het slachtoffer: ruim de helft van de groep van filicideplegers is van allochtone afkomst. Hierbij speelt mogelijk een rol dat allochtonen, nog minder dan autochtonen, de weg vinden naar de hulpverlening.

Slachtoffers
De slachtoffers van kinderdoding zijn in 61,7% van de gevallen jongens; van 3,3% was het geslacht onbekend. Hoe jonger de kinderen zijn, hoe groter de kans is dat zij slachtoffer worden van kinderdoding. Bijna de helft van de slachtoffers was nog geen jaar oud. De leeftijd van slachtoffers van een mannelijke kinderdoder ligt significant hoger dan de leeftijd van slachtoffers van een vrouwelijke kinderdoder. In iets meer dan de helft van de gevallen gaat het om het eerste of enig kind. De slachtoffers bleken in 70% van de gevallen in meer of mindere mate getraumatiseerd. Zij waren slachtoffer van echtscheiding van de ouders, fysiek geweld door de ouder(s), emigratie, wisseling van ouderfiguur, psychiatrische ziekte van de ouder, overlijden van dierbare en dergelijke. In het onderzoek is gezocht naar eventueel specifieke kenmerken van de slachtoffers zoals lichamelijke of geestelijke ziekte, voorafgaande hulpverlening, pre-, peri- en/of postnatale lichamelijk en/of psychische problemen. Hier kwamen geen bijzonderheden naar voren.

Gezinsomstandigheden
Kinderdoding vindt plaats in relatief kleine gezinnen. In deze gezinnen bleek in ruim 79% van de gevallen sprake van een gezinstrauma. Er bleek een zo grote verscheidenheid aan gezinstraumata dat deze moeilijk onder een grote gemeenschappelijke deler te vatten zijn. Voorbeelden van gevonden gezinstraumata zijn: scheiding, dood of langdurige ziekte van een gezinslid, huwelijksproblemen, mishandelingen en overspel. Tussen mannelijke en vrouwelijke kinderdoders werden, wat gezinskenmerken betreft, geen significante verschillen gevonden.

Delictomstandigheden
Van een duidelijke toename in de periode van 1994-200 van het aantal gevallen van kinderdoding in Nederland is geen sprake. Wel vond ik in 1997 en 2002 meer gevallen dan in andere jaren, maar deze verschillen zijn statistisch niet significant. Er zijn geen verschillen gevonden ten aanzien van seizoen, dag in de week en het tijdstip op de dag. Meer dan 80% van de kinderdodingen vindt plaats in het huis van verdachte of in zijn of haar ouderlijk huis. De wijze van doden gebeurt over het algemeen via de adem benemen bij heel kleine kinderen tot het toepassen van geweld via verwurgen of verstikken bij de wat oudere kinderen. Bij de nog wat oudere kinderen wordt een wapen gebruikt. In 84% van de gevallen is de dader alleen te werk gegaan, in 12% van de gevallen werkte de dader samen met zijn of haar partner; van de rest bleef dat onduidelijk. Slechts een klein gedeelte (8%) van de daders geeft zich na de doding aan bij de politie.

Toerekeningsvatbaarheid en recidiverisico
Door deskundigen werd aan de rechtbank geadviseerd 9,4% te beschouwen als toerekeningsvatbaar, 5,7% als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar, 30,2% als verminderd toerekeningsvatbaar, 18,9% als sterk verminderd toerekeningsvatbaar en 18,9% als ontoerekeningsvatbaar. Bij 3,8% werd geen uitspraak gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Bij 13,1% luidde het advies ‘anderszins’. Daarbij moet men denken aan bijvoorbeeld tegenstrijdige adviezen of adviezen die het midden hielden tussen bepaalde categorieën. De deskundigen achtten in 41,5% van de gevallen een gemiddeld tot groot gevaar voor recidive. In bijna een derde van de gevallen werd geadviseerd tot het opleggen van een maatregel in de vorm van een TBS, al dan niet met voorwaarden.

Strafproces
In 71,7% van de gevallen volgde de rechtbank het opgelegde maatregeladvies. Van de kinderdoders kreeg 5,7% de maatregel ‘plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, de duur van een jaar niet te bovengaand’ (art. 37 Sr) opgelegd. Van de kinderdoders werd 30,4% veroordeeld voor moord en 22,5% voor doodslag. Op al deze punten werden geen significante verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke kinderdoders gevonden. Van de kinderdoders kreeg 52,8% (bij wie moord of doodslag bewezen werd geacht) een gevangenisstraf opgelegd waarbij de gemiddelde duur van de gevangenisstraf 5,7 jaar bedroeg. Wanneer gekeken werd naar de strafmaat dan valt op dat mannelijke kinderdoders significant zwaarder gestraft worden dan vrouwelijke kinderdoders. Zij worden bijna vier(!) keer zo zwaar gestraft, terwijl er geen verschil is in de mate van toerekeningsvatbaarheid, het recidivegevaar en het aantal malen dat een maatregel werd opgelegd. Wel zijn er een aantal andere significante verschillen gevonden tussen mannelijke en vrouwelijke kinderdoders, zoals aard van de stoornis, justitiële voorgeschiedenis, mate van suïcidaliteit, middelengebruik ten tijde van het tenlastegelegde, leeftijd van het slachtoffer en wijze van doding. Het is onduidelijk of deze variabelen het verschil in strafmaat tussen mannelijke en vrouwelijke kinderdoders (mede) verklaren. Geen van de neonaticideplegers werd veroordeeld voor kindermoord (art. 291 Sr). Als zij al veroordeeld werden was dat voor kinderdoodslag (art 290 Sr). In 24,6% van de gevallen werd na de pro Justitia rapportage de kinderdodingszaak alsnog geseponeerd.

3. Onderzoeksresultaten kinderdoding vergeleken met conclusies uit literatuuronderzoek

Wanneer de onderzoeksresultaten uit deze studie vergeleken worden met de conclusies uit onderzoeken uit voornamelijk de Angelsaksische literatuur dan valt daarover het volgende te zeggen. Kinderdoding komt gemiddeld 10 tot 15 keer per jaar in Nederland aan het licht. Hierbij vallen gemiddeld 12 tot 16 slachtoffers. In Canada werden in 2004 27 kinderen door hun ouders om het leven gebracht 9 bij een bevolking van ongeveer 33 miljoen mensen. De verhouding tussen aantal slachtoffers en bevolkingsaantal komt in beide landen ongeveer overeen. In onze studie blijkt dat 64,2% van de daders van kinderdoding vrouw is. Wanneer de neonaticideplegers buiten beschouwing worden gelaten is dat ongeveer 53%. Buitenlandse studies spreken over een gemiddeld gelijke verdeling. Wat betreft motieven om te doden stemmen gegevens uit dit onderzoek goeddeels overeen met de resultaten uit het Engelse onderzoek van Wilczynski. Hierin kwam zij onder andere tot de bevinding dat motieven van mannelijke kinderdoders vooral te maken hebben met wraak, jaloezie en straf en motieven van vrouwelijke kinderdoders meer te maken hebben met de ongewenstheid van het kind, de altruïstische doding en de psychotische dodingen. [10] De resultaten uit dit onderzoek komen overeen, behalve ten aanzien van de altruïstische motieven. In dit onderzoek doden mannen evenveel uit altruïstische motieven als vrouwen.

Wat betreft stoornissen: uit ons onderzoek blijken de daders zeer vaak aan een psychiatrische- en/of persoonlijkheidsstoornis te lijden. Buitenlands onderzoek is daarover aanzienlijk minder helder. De percentages psychiatrische stoornissen variëren van 30% tot soms 70%. De aanwezigheid van persoonlijkheidsstoornissen wordt in geen van het buitenlandse onderzoek helder gedefinieerd. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het accent op psychiatrische stoornissen in de Verenigde Staten in verband met de eventuele relatie met het beroep op ontoerekeningsvatbaarheid. In de Verenigde Staten komt de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis namelijk niet in aanmerking voor een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. Als belangrijkste psychiatrische stoornissen uit ons onderzoek komen naar voren de dissociatieve-, de stemmings-, de angst- en de psychotische stoornissen.

Dit komt wel overeen met resultaten uit buitenlands onderzoek. [11] Ook in buitenlands onderzoek wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van diverse stressoren in het jaar voorafgaand aan de doding. [12] Het doden van meerdere kinderen tegelijk maakt, zo blijkt uit dit onderzoek, in Nederland 8% van het totale aantal kinderdodingen uit, wat in overeenstemming is met buitenlands onderzoek. [13] Buitenlands onderzoek spreekt over ongeveer 20% suïcides bij kinderdoding. Ons onderzoek laat daarover geen uitspraken toe aangezien de gesuïcideerden zich, uit de aard der zaak, niet in de onderzoeksgroep bevinden.

Uit buitenlands onderzoek blijken dat kinderdoders in 1/3 tot 2/3 van de gevallen voorafgaand aan de doding in contact waren met de hulpverlening. Uit onze studie blijkt dat voor 28,3% op te gaan. Wanneer de neonaticideplegers buiten beschouwing worden gelaten (die door de aard van het delict juist niet in verbinding met de hulpverlening staan), dan blijkt dat te gelden voor 40,3%. Uit ons onderzoek blijkt dat mannelijke kinderdoders, meer dan vrouwelijke kinderdoders, een justitiële voorgeschiedenis hebben en onder invloed van middelen de kinderdoding begaan. Deze beide bevindingen worden door buitenlands onderzoek ondersteund. [14] Significante verschillen in wijze van doden onder mannelijke en vrouwelijke kinderdoders zoals in buitenlands onderzoek wordt gevonden, konden in ons onderzoek niet worden bevestigd. Wat betreft straftoemeting: in Nederland blijken mannelijke kinderdoders zwaarder gestraft te worden dan vrouwelijke kinderdoders. Dit komt overeen met de ervaring in het buitenland. 15 Ons onderzoek laat een relatieve oververtegenwoordiging van slachtoffers van het mannelijke geslacht zien. Een verklaring voor dit verschil kon vooralsnog niet worden gevonden. Statistische berekening laat zien dat dit verschil ook op toeval zou kunnen berusten.

4. Kinderdoding als fenomeen; naar een integrerende visie

Samenvattend zijn de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek naar kinderdoding in Nederland met betrekking tot de persoon van de dader, dat kinderdoders in meerderheid van het vrouwelijke geslacht zijn, vrijwel allen onveilig gehecht zijn aan hun ouder(s), in hun jeugd veel verlieservaringen geleden hebben van een dierbare van vaak jonge leeftijd, emotioneel weinig beschikbare ouders hebben gehad en een psychische stoornis hebben. Ondanks deze beschadigde ‘binnenkant’ is aan de ‘buitenkant’ van de kinderdoder vaak weinig opvallends merkbaar. Deze voor het oog ongeschonden buitenkant valt op te maken uit onder andere de relatieve afwezigheid van een justitiële voorgeschiedenis, arbeidsproblematiek, middelengebruik en/of mishandeling. Dit is de reden waarom het vóórkomen van kinderdoding voor de buitenwereld vaak volkomen onverwacht kan zijn.

In het laatste jaar voorafgaand aan de kinderdoding komt de dader een aantal stressoren tegen en wordt hij daarbij geconfronteerd met een (dreigend) nieuw verlies in de vorm van scheiding, verlating of dood van een belangrijke ander.

Juist omdat aan de buitenkant van de persoon van de kinderdoder zo weinig zichtbaar is, zowel voor ‘de buitenwereld’ als voor de wetenschappelijk onderzoekers, is het moeilijk om aan de hand daarvan voorspellingen te doen over mogelijk gedrag in de toekomst. Dit onderzoek heeft laten zien dat er achter de ogenschijnlijk gezonde buitenkant bij de kinderdoder over het algemeen een ernstig getroebleerde binnenwereld schuilt. Daarom is het van belang om een visie te ontwikkelen over hoe het er in de binnenwereld van de kinderdoder aan toe zou kunnen gaan en zeker ook hoe deze getroebleerde binnenwereld is ontstaan.

Bij de ‘gemiddeld normale’ ouder (die overigens geen onderwerp van deze studie is geweest) gaat het er, in hypothetische zin, als volgt aan toe. Ouders hebben meestal het beste met hun kinderen voor. Ze hechten er aan dat hun kinderen gezond naar lichaam en geest opgroeien. Dit is deels biologisch bepaald. Ouders hebben vaak duidelijk uitgesproken, bewuste verwachtingen van hun kinderen, maar onder deze bewuste, expliciete motieven gaat bij alle ouders ook een hele agenda van deels onbewuste motieven schuil. Kinderen moeten soms iets bereiken wat de ouders zelf niet gelukt is. Ze moeten soms iets goed maken wat hen zelf onthouden is, door bijvoorbeeld een goed en voorbeeldig kind te zijn dat niet huilt en niet ontevreden, ongelukkig en/of boos is. Dat moet de ouder dan het gevoel geven dat hij een geslaagde ouder en een geslaagd mens is. Dit gevoel heeft hij meestal van zijn eigen ouders onvoldoende gehad. Kinderen hebben echter hun eigen motieven, waarbij het eigenbelang doorgaans voorop staat. De gezonde ouder in relatief normale omstandigheden, vindt doorgaans een compromis tussen zijn eigen wensen en die van zijn kinderen. Hij voedt zijn kinderen zo goed mogelijk op.

Kinderdoders hebben dezelfde bewuste en onbewuste wensen en stellen over het algemeen alles in het werk om hun kinderen zo goed mogelijk op te voeden. Maar, zoals uit mijn onderzoek blijkt, kinderdoders hebben meer problemen meegemaakt en zij lijden vaker dan gemiddeld aan psychiatrische stoornissen. Op basis van hun onveilige gehechtheid, en wellicht versterkt door de psychische stoornis, hebben zij problemen in de compromisvorming tussen afstand en nabijheid. Zij hebben problemen in de afgrenzing van zichzelf van de ander, in zowel de relatie met hun ouders als met hun kinderen. Bovenstaand geheel aan factoren onderscheidt de kinderdoder van de gemiddelde ouder. Wanneer zich dan in de actualiteit een sterke aantasting van het zelfgevoel aandient in de vorm van een nieuw verlies, zoals een (dreigende) verlating door scheiding of door de dood en/of wanneer het kind niet voldoet aan de (te) hoog gespannen verwachtingen van de ouder en daarmee de ouder het gevoel geeft te falen als ouder, kan deze mix van factoren dit basaal explosieve mengsel bij de ouder tot ontploffing brengen in de vorm van het om het leven brengen van zijn kind. De kinderdoder ziet het dreigende verlies vanuit zijn krenkbare en kwetsbare zelfgevoel als een tekortschieten van zichzelf als goede ouder. Ook kan in de nieuwe verlating een oud trauma (een eerder verlies) worden geactiveerd. Kinderdoders hebben vaak het gevoel als ouder mislukt te zijn. De doding kan gezien worden als een poging om het ouderschap ongedaan te maken. Hierbij geeft de kinderdoder het ouderschap op, op een wijze zoals zijn ouder vroeger (onveilige gehechtheid) zijn ouderschap over hem, maar dan vaak in psychische zin, heeft opgegeven (emotioneel te weinig beschikbaar). Deze psychodynamische visie, geldt waarschijnlijk niet voor de psychotische dodingen.

Bovenstaande visie lijkt voor alle drie typen kinderdoder in meer of mindere mate op te gaan. Over de neonaticidepleger valt nog het volgende op te merken: deze is vrijwel altijd een vrouw en zij wordt gekenmerkt door een sterke ambivalentie over haar zwangerschap. Enerzijds wordt de zwangerschap, half bewust, ervaren als een mijlpaal in de ontwikkeling, anderzijds wordt het bestaan van deze zwangerschap hardnekkig en langdurig geloochend. Hier zou men kunnen hypothetiseren dat de neonaticidepleger het ouderschap (nog) niet aanvaardt omdat ouderschap impliceert dat zij dan (deels) afscheid moet nemen van haar afhankelijke rol als kind ten opzichte van haar ouders. Dit betekent een dreigend verlies. Zij wil nog geen afscheid nemen van de kindrol, omdat zij in haar emotionele behoeften nog onvoldoende tegemoet gekomen is. Het eigen ouderschap betekent een definitief moeten afzien daarvan. Het op bewust niveau kunnen kiezen voor of tegen een abortus veronderstelt een volwassen niveau van functioneren (losmaking van ouders, verantwoordelijkheid nemen, verzelfstandiging). Het is op zijn minst een poging tot het onder ogen zien van aanstaand ouderschap. Om het beschreven explosieve mengsel, dat de basis vormt van de kinderdoding niet tot ontploffing te laten komen, is het noodzakelijk dat de buitenwereld contact krijgt met de getroebleerde binnenwereld van de potentiële kinderdoder. Dit is echter voor zowel betrokkene zelf als voor de buitenwereld moeilijk. Dit stemt somber over de mogelijkheden tot risicopreventie. Uit dit onderzoek blijkt echter dat 20% van de kinderdoders aan de buitenwereld wel enig contact met zijn binnenwereld toelaat, namelijk in de vorm van een duidelijk signaal afgegeven aan de hulpverlening voorafgaand aan de doding. Bij retrospectie bleek dit signaal duidelijk, maar werd het destijds niet als zodanig geïnterpreteerd. Hierbij geeft de kinderdoder aan voornemens te zijn zichzelf en/of zijn kind(eren) van het leven te beroven. Mogelijk kan met deze categorie in preventieve sfeer iets bereikt worden. Naar verdere contactmogelijkheden met de binnenwereld van deze 20%, maar zeker ook naar contactmogelijkheden van de overige 80% is het noodzakelijk verder onderzoek te doen. Het onderhavige onderzoek levert aanwijzingen op dat een accent bij dat verder onderzoek zou kunnen liggen op (een combinatie van) vroege verlieservaringen, gehechtheidstijlen en nieuwe (dreigende) verlieservaringen.

Ten slotte pleit ik er voor om neonaticidezaken niet te seponeren. De neiging van de neonaticidepleger om te loochenen wordt op indrukwekkende wijze ‘overgedragen’ op alle betrokkenen. Dit is onder ander terug te zien in de voorstellen tot seponeren en om de zittingen achter gesloten deuren te behandelen. Het is juist voor de kans op herhaling van groot belang dat het proces van loochening wordt doorbroken en het begin daarvan zou de rechtzitting kunnen zijn. Dit betekent niet dat de neonaticidepleger gestraft moet worden. Het gaat er om dat de loochening bij haar bewust wordt gemaakt.

[∗] Toon Verheugt is klinisch en forensisch psycholoog en psychoanalyticus, en verbonden aan het NIFP.

Voetnoten
[1] J.A. Lodewijks en H.L. van Linden van den Heuvel. Kindermoord door den vader. Gerechtelijk-geneeskundig Rapport. Psychiatrische Bladen, 11 (1893), p. 29-53.
[2] Over de terminologie: in de tekst wordt afwisselend gesproken over dader, doder en verdachte. Deze kunnen in de tekst als synoniemen worden gebruikt, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld.
[3] A. J. Verheugt, Moordouders. Kinderdoding in Nederland: een klinisch en forensisch psychologische studie naar de persoon van de kinderdoder. Van Gorcum, Assen 2007.
[4] Dat betekent tot en met 2003.
[5] F.A.M.M. Koenraadt, Doding van een pasgeborene: een verborgen delict. In T. I. Oei en M.S. Groenhuijsen (eds) Actuele ontwikkelingen in de forensische psychiatrie. Kluwer, Deventer 2003. F.A.M.M. Koenraadt en H.C. Brants, Criminaliteit en media-hype. Een terugblik op de publieke beeldvorming rond kindermoord. Delikt en Delinkwent, 1999, 28, p. 542-564.
[6] P. J. Resnick, Child murder by parents: a psychiatric review of filicide. American Journal of Psychiatry, 1969, 126, p. 325-334. P. J. Resnick, Murder of the newborn: a psychiatric review of neonaticide. American Journal of Psychiatry, 1970, 126, p. 1414-1420.
[7] A. Wilczynski, Child homocide. London: Greenwich medical media ltd, 1997. A. Wilczynski, Prior agency contact and physical abuse in cases of child homicide. British Journal of social work, 1997, 27, p. 241-253. A. Wilczynski, Prior agency contact and physical abuse in cases of child homicide. British Journal of social work, 1997, 27, p. 241-253.
[8] A. J. Verheugt, Moordouders. Kinderdoding in Nederland: een klinisch en forensisch psychologische studie naar de persoon van de kinderdoder. Van Gorcum, Assen 2007.
[9] D. Bourget, J. Grace and L. Whitehurst. A review of maternal and paternal filicide. Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law, 2007, 28, p. 74-82.
[10] A. Wilczynski, Child homocide. London: Greenwich medical media ltd, 1997.
[11] D. Bourget, J. Grace and L. Whitehurst. A review of maternal and paternal filicide. Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law, 2007, 28, p. 74-82.
[12] G. R. McKee and S.J. Shea. Maternal filicide: a cross-national comparison. Journal of Clinical Psychology, 1998, 54, p. 679-687.
[13] A. Wilczynski, Child homocide. London: Greenwich medical media ltd, 1997.
[14] A. Wilczynski, Child homocide. London: Greenwich medical media ltd, 1997.
[15] D. Bourget, J. Grace and L. Whitehurst. A review of maternal and paternal filicide. Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law, 2007, 28, p. 74-82.


http://rechten.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Tijdschriften/Ontmoetingen/nr.16/verheugt/4.Verheugt_ontmoetingen_16.pdf

woensdag, september 19, 2012

556. Nederlander (71%) vindt co-ouderschap beste ouderschapsregeling na scheiding (Opinieonderzoek IPSOS Synovate / Vader Kennis Centrum)

Meerderheid Nederlanders (71%) is voorstander van co-ouderschap na scheiding: Vrouwen (76%) nog wat meer dan mannen (67%)

Persbericht Vader Kennis Centrum, 14 september 2012

In verband met de Dag voor de Scheiding 2012 op vrijdag 14 september heeft het Vader Kennis Centrum door opinieonderzoeksbureau IPSOS Synovate bij haar verkiezingsonderzoek ("De Politieke Barometer") onder een representatieve steekproef Nederlanders, ook een aantal onderzoeksvragen laten meelopen naar de voorkeuren en meningen van het Nederlandse publiek over de huidige regeling(en) van het ouderschap na scheiding.

A. De belangrijkste hoofduitkomsten van het opinie-onderzoek van IPSOS Synovate in opdracht van het Vader Kennis Centrum zijn:
  • Ruim een tweederde meerderheid (zeven op de tien) van de Nederlanders vindt dat co-ouderschap de beste oplossing is na een scheiding.
  • Bijna de helft (45%) van de Nederlanders vindt dat co-ouderschap na een scheiding ook al mogelijk moet zijn vanaf de geboorte.
  • Acht op de tien vinden dat scholen en instanties beide ouders na de scheiding op gelijke wijze moeten informeren en betrekken bij de ontwikkeling van hun kind.
  • Iets meer dan de helft (53%) vindt dat de naleving van ouderschaps- en omgangsregelingen na een scheiding beter door de rechtbank en de politie gehandhaafd moeten worden.

B. De uitgesplitste uitkomsten naar (a)geslacht (man/vrouw), (b) regio, (c) leeftijd, (d) opleiding en (e) politieke voorkeur (VVD, PvdA, SP, PVV, D66 en CDA):
In het opinieonderzoek naar de ouderschapsreglingen na een scheiding zijn de resultaten daarnaast eveneens uitgesplitst naar geslacht (man/vrouw), regio, leeftijd, opleiding en politieke voorkeur.
Daaruit komen nog een aantal highlights. Zo blijkt bijv. dat:
  • Nederlandse vrouwen hebben een significant sterkere voorkeur voor co-ouderschap na scheiding dan mannen (Vrouwen: 76%; Mannen: 67%)
  • Vrouwen zijn daarbij significant meer dan mannen van mening dat co-ouderschap na scheiding ook niet aan de leeftijd van de kinderen is gebonden en bij een scheiding ook al vanaf de geboorte van de kinderen kan beginnen. (Vrouwen: 52%; Mannen: 39%)
  • Middelbaar (74%) en hoger (75%) opgeleide Nederlanders vinden co-ouderschap significant vaker de beste oplossing na een scheiding dan lager opgeleiden (64%).
  • De oudere generatie Nederlanders (50 plus: 76%) vindt co-ouderschap significant vaker de beste oplossing na een scheiding dan de generatie 35 t/m 49 jarigen (66%).
  • Nederlanders met een PvdA- (79(%) en D66- (80%) voorkeur bij de landelijke verkiezingen vinden co-ouderschap significant (nog) vaker de beste oplossing na een scheiding dan bijv. de Nederlanders met een CDA-(66%) of PVV- (69%) voorkeur.
  • Nederlanders met een PvdA-voorkeur vinden significant vaker (87%) dan Nederlanders met een SP-voorkeur (79%), dat scholen en instanties beide ouders op gelijke wijze moeten informeren en betrekken bij de ontwikkeling van hun kind na de scheiding.
  • En de oudere generatie Nederlanders (50-plus: 84%) vindt nog significant vaker dan de jongere generatie (t/m 34 jaar: 75%) dat scholen en instanties beide ouders na de scheiding op gelijke wijze zouden moeten informeren en betrekken bij de ontwikkeling van hun kind.

Verantwoording
Het onderzoek is online uitgevoerd door IPSOS Synovate in opdracht van het Vader Kennis Centrum onder een representatieve steekproef van 1.243 Nederlanders van 18 jaar en ouder. De resultaten zijn achteraf gewogen op leeftijd, geslacht, opleiding en regio, zodat de groep ondervraagden een goede afspiegeling vormt van de Nederlandse samenleving.

Toelichting
Eenzelfde onderzoek heeft eerder ook in België plaats gevonden en werd gepubliceerd in de grootste Belgische franstalige krant Le Soir van 25 juni 2012:

Zie voor het originele Le Soir artikel over het Belgische onderzoek:
  • Divorce : la garde alternée a la cote (Le Soir Belge - DORZEE, HUGUES - Page 7 - Lundi 25 juin 2012)
  • Une majorité de Belges préconise la garde alternée (Le Soir Belge - Page 1 - Lundi 25 juin 2012)

Nederlandse vertaling van het Le Soir artikel:
  • Opinieonderzoek - Een meerderheid van 69,5% van de Belgen is voorstander van verblijfsco-ouderschap (Vader Kennis Centrum (VKC), maandag, 25 juni 2012)

En in samenwerking met de partnerorganisaties van het Vader Kennis Centrum binnen het Platform voor Europese Vaders (PEV) zullen deze opinieonderzoeken ook in andere Europese landen nog plaats gaan vinden.

Op aanvraag zijn bij het Vader Kennis Centrum de onderliggende tabellen en resultaten van het in opdracht van Vader Kennis Centrum door IPSOS Synovate uitgevoerde opinie-onderzoek met de hoofdresultaten en de uitsplitsingen naar (a) geslacht (man/vrouw), (b) regio, (c) leeftijd, (d) opleiding en (e) politieke voorkeur (VVD, PVV, PvdA, SP, D66 en CDA) verkrijgbaar.

Meer inlichtingen bij:

Vader Kennis Centrum (VKC)
M. 06.24506249
E. secretariaat@vaderkenniscentrum.nl
Urls: www.vaderkenniscentrum.nl
www.vaderdagtrofee.nl


Wat doet Vader Kennis Centrum
Het Vader Kennis Centrum uit Utrecht bevordert gelijkwaardig ouderschap, betrokken vaderschap en een meer vaderinclusief beleid bij overheden, instanties en werkgevers. Het centrum richt zich daarbij op de ontsluiting van informatie en kennis die eraan bijdraagt om de rol van beide ouders en genders bij de opvoeding van, de zorg voor en het onderwijs aan kinderen op waarde te schatten en met overheidsbeleid te ondersteunen op een wijze die aan inzet en betrokkenheid van beide ouders en genders voor kinderen recht doet.

Dit doet zij onder meer met de volgende activiteiten:
  • Het Vader Kennis Centrum organiseert een jaarlijks Vaderschapssymposium en de jaarlijkse uitreiking van de Vaderdagtrofee (m/v) voor vaderschapsinitiatieven i.s.m. de Universiteit van Amsterdam.
  • De stichting Vader Kennis Centrum heeft verder o.m. een advies- en hulptelefoon voor (gescheiden) ouders en vaders, beheert een aantal voorlichtingswebsites voor ouders en vaders, die dagelijks bekeken worden door gemiddeld 175 unieke lezers en verspreidt de email-nieuwsbrief "Gescheiden Ouders en Kinderen" met ruim 300 abonnees.




zaterdag, augustus 09, 2008

201. BD9377 - Schoolkeuze en gezamenlijk gezag - homovader - Rechtbank Haarlem maakt gezamenlijk gezag na scheiding tot immaterieel lachertje

Uitspraak rechtbank Haarlem in zaak homosexuele vader tegen eenzijdige schoolkeuze van moeder
LJN: BD9377, Rechtbank Haarlem , 146986 / KG ZA 08-325

Datum uitspraak: 04-08-2008
Datum publicatie: 06-08-2008
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Kort geding

Inhoudsindicatie:
Gezamenlijke gezag na echtscheiding; geschil (als bedoeld in artikel 1:253a BW) over schoolkeuze voor de minderjarige; kort geding. De moeder, bij wie de minderjarige zijn verblijfplaats heeft, heeft de minderjarige ingeschreven bij de evangelische en ”Bijbelgetrouwe” Passieschool. Ook de minderjarige zelf heeft als zijn mening kenbaar gemaakt dat hij naar die school wil. De vader, openlijk homoseksueel en samenwonend met zijn partner, heeft daar bezwaar tegen en vordert in kort geding veroordeling van de moeder tot ongedaanmaking van die inschrijving. De vader vreest onder meer dat de levensbeschouwing van De Passie tot verwijdering tussen hem en zijn zoon zal leiden, pesterijen van de minderjarige en confrontaties met de opvatting dat de vader door zijn geaardheid of door zijn relatie zondig is. De voorzieningenrechter oordeelt dat voor een afwijken van de schoolkeuze gemaakt door degenen die het meest met de consequenties van die keuze zullen worden geconfronteerd, te weten de minderjarige en de ouder die de dagelijkse zorg over hem heeft, doorgaans niet in het belang van de minderjarige zal zijn en dat daarom voor een verbod als gevraagd vrij evidente goede gronden moeten bestaan. De voorzieningenrechter acht die in het onderhavige geval niet aanwezig.

Uitspraak

vonnis RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht, zaaknummer / rolnummer: 146986 / KG ZA 08-325

Vonnis in kort geding van 4 augustus 2008 in de zaak van

[Eiser], wonende te Purmerend, eiser, procureur mr. D.M. Veerman,

tegen

[Gedaagde], wonende te Purmerend, gedaagde, procureur mr. Y. Welter.

Partijen zullen hierna afzonderlijk de vader en de moeder en tezamen partijen dan wel de ouders genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 12 juni 2008- de mondelinge behandeling van 28 juli 2008 alwaar de vader en de moeder zijn verschenen- de pleitnota van de raadsman van de vader- de pleitnota van de raadsvrouw van de moeder

1.2. Ter aanvulling op het vorenstaande [zij] vermeld dat na een schorsing van de mondelinge behandeling de rechter in aanwezigheid van de griffier doch buiten aanwezigheid van partijen en hun raadslieden, na te noemen, met de moeder meegekomen minderjarige heeft gehoord. Van dat horen is na hervatting van de mondelinge behandeling, met voorafgaand verkregen toestemming van bedoelde minderjarige, in het kort aan partijen verslag gedaan.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 21 oktober 1994 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren, [A], geboren op 22 december 1995 ([…]), de oudste is.

2.2. Het huwelijk van partijen is op 11 november 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 11 oktober 2005 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Partijen zijn tijdens hun huwelijk beide lid geweest van de Christengemeente (Pinkstergemeente); de moeder is dat nog steeds; de vader is na de echtscheiding overgegaan naar de Christelijk gereformeerde kerk.

2.4. Partijen zijn na de echtscheiding het gezamenlijk gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. De gewone verblijfplaats van de kinderen is bij de moeder. Bij de echtscheiding hebben partijen een omgangsregeling getroffen waarbij de kinderen om het weekend en gedurende de helft van de vakanties bij de vader verblijven.

2.5. [A] zat tot huidige zomervakantie op een interconfessionele basisschool te Purmerend. Na de zomervakantie gaat [A] naar de middelbare school. Teneinde voor [A] een geschikte middelbare school te vinden zijn de ouders begin dit jaar met [A] bij vier scholen langs geweest, te weten de interconfessionele school het Da Vinci college en de openbare school het Jan van Egmond college, beide te Purmerend, de evangelische school De Passie te Amsterdam (verder te noemen: De Passie) en de christelijke school het Pascal college te Zaandam. Vervolgens is [A] vergezeld van de moeder voor een kenningsmakingsdag, waarbij ook leerlingen van De Passie aanwezig waren, nogmaals bij De Passie geweest.

2.6. De moeder heeft [A] in eerste instantie zowel bij De Passie als bij het Da Vinci college ingeschreven. De inschrijving bij het Da Vinci college heeft zij later weer ongedaan gemaakt.
2.7. De vader is openlijk homoseksueel en woont samen met zijn partner.

2.8. Door de vader is met betrekking tot De Passie een uitspraak d.d. 15 juni 2007, oordeel nr. 2007-100, van de Commissie Gelijke Behandeling overgelegd. In genoemde uitspraak staat onder meer het volgende:
(…)2.4 Het dagblad Het Parool bevatte op 6 januari 2007 een bijlage waarinscholen in Amsterdam ten behoeve van ouders en leerlingen informatie gaven[over] hun schoolinstelling, de scholengids. In een interview met de directeurvan de school noteerde een journalist van Het Parool het volgende: “ Ook aanleerkrachten worden bijzondere eisen gesteld. Homoseksualiteit strookt niet metde uitgangspunten van ‘....’; openlijk homoseksuele leerkrachten zult u hierniet aantreffen.”2.5 Op 11 januari 2007 heeft de algemeen directeur van deschool de weergegeven passage nader toegelicht in een persbericht op de websitevan de school. Hij stelt daarin het volgende: “Het op de bijbel gebaseerdeuitgangspunt van [verweerster] is dat intieme seksuele relaties thuishoren inhet monogame huwelijk van man en vrouw. Medewerkers die in dienst treden van dePassie ondertekenen een verklaring dat zij de Bijbelse uitgangspunten van deschool persoonlijk zullen naleven en zullen voorleven aan de leerlingen. In hetartikel in de scholengids is inderdaad het hebben van een homoseksuele relatieals voorbeeld bedoeld (…)”.(…)3.8 Onderdeel van de bijbelseuitgangspunten is de visie op de seksuele moraal. Volgens verweerster houdt dezein dat intieme seksuele relaties exclusief zijn voorbehouden aan een man en eenvrouw binnen een monogaam huwelijk. Een homoseksuele relatie staat daarmee opgespannen voet. In een concreet geval van een sollicitatie offunctioneringsgesprek, zal een homoseksuele (potentiële) medewerker niet alleende grondslag moeten onderschrijven, maar ook op een geloofwaardige wijze moetenaangegeven hoe hij hieraan in het dagelijks leven en op school uitvoeringgeeft.(…)3.26 Verweerster heeft aangevoerd dat de woorden in het Paroolen de daaropvolgende persberichten niet het beleid ten aanzien van homoseksuelenweergeven. Zij wenst immers de AWGB na te leven. Wel staan de visie op deseksuele moraal en de eis daarnaar te leven op gespannen voet met openlijkehomoseksualiteit van een ( potentiële) medewerker. Het enkele feit van dehomoseksualiteit zal volgens verweerster echter nooit als selectie- dan welbeoordelingscriterium worden toegepast. Verweerster zal te allen tijde ingesprek gaan met de (potentiële) medewerker om in samenspraak na te gaan of hetzijn van openlijk homoseksueel het geloofwaardig uitdragen van de grondslag vanverweerster in de weg staat.3.27 Verweerster is er evenwel niet in geslaagdde Commissie ervan te overtuigen dat een dergelijke samenspraak ooit tot eenandere conclusie van verweerster zal leiden dan dat reeds de enkeleomstandigheid dat een (potentieel) personeelslid “openlijk” homoseksueel is inde weg staat aan (continuering van) een dienstverband. (…)3.28 Op grond vanal het vorenstaande komt de Commissie tot het oordeel dat verweerster met haaruitspraken en het daaraan ten grondslag liggende beleid onderscheid heeftgemaakt op grond van het enkele feit van de homoseksuele gerichtheid van(potentiële) leerkrachten.
2.9. Tot voor kort heeft de moeder vanwege de gebrekkige sociale vaardigheden van [A] (en van een broertje van [A]) contact onderhouden met Bureau Jeugdzorg.

3. Het geschil

3.1. De vader vordert - zakelijk weergegeven - dat de voorzieningenrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de moeder te veroordelen1. tot het ongedaan maken van de inschrijving van [A] op De Passie te Amsterdam;2. tot betaling aan de vader van een dwangsom van EUR 100,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom, vanaf de dag na betekening van dit vonnis, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de moeder geheel of gedeeltelijk niet aan dit vonnis voldoet;3. in de kosten van deze procedure, waaronder een salaris voor de procureur.

3.2. De vader heeft een aantal bezwaren aangevoerd tegen de inschrijving van [A] bij De Passie. Samengevat houden die bezwaren het volgende in. De onderwijskwaliteit, leerlingenzorg en de onderwijsorganisatie bij De Passie zijn onvoldoende. De evangelische en ”Bijbelgetrouwe” levensbeschouwing die door De Passie wordt gehuldigd, zou [A] tot de zijne kunnen maken - hetgeen ook door De Passie wordt beoogd -, wat tot verwijdering tussen [A] en hem zou kunnen leiden. Gelet op die levenbeschouwing van De Passie zou [A] door de geaardheid van de vader mogelijk het onderwerp van pesterijen worden, zouden medeleerlingen van [A] mogelijk niet met [A] thuis bij de vader mogen komen of zou [A] of de vader zelf door De Passie of (ouders van) [A]’s klasgenoten geconfronteerd kunnen worden met de opvatting dat de vader door zijn geaardheid of door zijn relatie zondig is. De vader is bang dat [A] als gevolg hiervan schade aan zijn (sociale) ontwikkeling en in zijn prestaties zal ondervinden. Voorts zal de grote reisafstand tussen huis (Purmerend) en school (Amsterdam) voor [A], die sociaal toch al niet vaardig is, een extra hindernis vormen voor het opbouwen van sociale contacten in zijn leefomgeving te Purmerend. Die grote reisafstand brengt bovendien extra kosten met zich.
Gelet op voornoemde bezwaren stelt de vader dat schoolkeuze voor De Passie niet in het belang van [A] is.

3.3. De moeder voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het feit dat de middelbare scholen in Noord-Holland op 14 augustus 2008 weer beginnen en [A] dan, als de gevraagde voorzieningen voordien niet zouden worden getroffen, naar de mening van de vader tegen zijn ([A]’s) belang in naar De Passie zou gaan, de vader een spoedeisend belang geeft bij de door hem gevraagde voorzieningen. Hieraan doet niet af dat sedert het moment dat de vader bekend werd met de keuze van de moeder voor De Passie als middelbare school voor [A] inmiddels enkele maanden zijn verstreken. Het primaire verweer van de moeder dat de vader niet-ontvankelijk in zijn vordering is omdat hij daarbij geen spoedeisend belang heeft, wordt derhalve verworpen.

4.2. Bij de beoordeling van de vordering van de vader stelt de voorzieningenrechter voorop dat die een geschil betreft als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek en dat bij de beoordeling van een dergelijk geschil uitgangspunt is dat de rechter een zodanig beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat een afwijken van de schoolkeuze gemaakt door degenen die het meest met de consequenties van die keuze zullen worden geconfronteerd - in dit geval [A] en de moeder - doorgaans niet in het belang van de desbetreffende minderjarige zal zijn. De minderjarige zou dan immers tegen zijn wil en tegen de wil van de ouder die de dagelijkse zorg over hem heeft naar een school moeten waar hij niet heen wil en ook de ouder bij wie hij verblijft niet wil dat hij heen gaat. Voor het geven van een verbod als door de vader gevraagd, dienen dan ook vrij evidente goede gronden te bestaan.

4.4. De door de vader voor zijn vordering gestelde gronden kunnen grofweg in vijf categorieën worden onderverdeeld, die als volgt kunnen worden aangeduid: de kwaliteit van De Passie, het punt homoseksualiteit, de reistijd, de sociale contacten en het bestaan van goede alternatieven.

4.5. De stelling van de vader dat de onderwijskwaliteit, de leerlingenzorg en de onderwijsorganisatie bij De Passie te wensen over laat, is voornamelijk gebaseerd op het feit dat de Inspectie voor het Onderwijs (verder te noemen: de Inspectie) in 2006 en 2007 een zusterschool van De Passie, te weten de Passie school te Utrecht heeft onderzocht en die school als een risicoschool heeft aangemerkt. Wat dit betreft overweegt de voorzieningenrechter dat dat onderzoek en die beoordeling niet De Passie (in Amsterdam) betreft, maar de Passie school in Utrecht. Het feit dat de Inspectie zorgen heeft over de Passie school in Utrecht, behoeft nog niet te betekenen dat de onderwijskwaliteit van De Passie (in Amsterdam) onder de maat zou zijn. Voor het geval dat in 2006 en 2007 toch het geval geweest zou zijn, kan uit het door de moeder overgelegde artikel uit het Nederlands Dagblad van 21 maart 2008 in ieder geval worden opgemaakt dat de Inspectie de kwaliteit van De Passie verbeterd vindt en de Passie school in Utrecht niet langer als een risicoschool beschouwt. Daar kan aan worden toegevoegd dat De Passie niet voorkomt op het door de Inspectie op het internet gepubliceerd overzicht “Zeer zwakke scholen voortgezet onderwijs per 1 juli 2008”, zoals dat door de moeder in het geding is gebracht.

4.6. De onder het punt homoseksualiteit door de vader voor zijn vordering geven argumenten beoordeelt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter acht de door de vader geuite vrees, gelet ook op de door de vader overgelegde uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling begrijpelijk. Echter de vrees van de vader betreft een toekomstige onzekere gebeurtenis. Wellicht valt het in de praktijk allemaal reuze mee. Daarvoor kan de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend aan het feit dat de ouders ter zitting eensgezind hebben verklaard dat [A] - die inmiddels tegen de dertien loopt - in het geheel geen moeite heeft met het (openlijk) homoseksueel zijn van de vader en diens samenwonen met zijn partner. De voorzieningenrechter acht de vrees van de vader niet dusdanig reëel dat die een evident goede grond oplevert als hiervoor onder 4.4 bedoeld. Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter betrokken dat de moeder ter zitting heeft toegezegd dat zij erop zal letten of hetgeen de man vreest zich ook daadwerkelijk gaat voordoen en, als dat het geval zou zijn, zij daaraan de nodig consequenties zal verbinden. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang de toezegging van de moeder ter zitting gedaan dat zij het contact met Bureau Jeugdzorg zal hervatten en in stand zal houden en daarbij ook aandacht zal geven aan de door de vader geuite vrees. Tenslotte acht de voorzieningenrechter in het onderhavige verband nog van belang de door de moeder ter zitting gedane toezegging dat zij in ieder geval tegen het einde van het komende schooljaar met de vader onder begeleiding van een onafhankelijke deskundige derde (bijvoorbeeld de betrokken medewerker/ster van Bureau Jeugdzorg) het verloop van het verblijf van [A] op De Passie zal evalueren en daarbij zal bezien of de schoolkeuze voor De Passie op dat moment nog steeds de juiste is.

4.7. Voor wat betreft het door de vader genoemde argument van de reistijd overweegt de voorzieningenrechter dat hoewel de reistijd naar Amsterdam aanzienlijk langer is dan wanneer [A] naar een school in Purmerend zou gaan, die reistijd dezelfde is als wanneer [A] naar het door de vader zelf geopperde alternatief van het Pascal college te Zaandam zou gaan. Daarnaast is gebleken dat de reis per openbaar vervoer van de woning van de moeder naar De Passie (in Amsterdam) geen gecompliceerde is. Bovendien is ter zitting komen vast te staan dat [A] vergezeld van een jongen en een meisje vanuit Purmerend naar de Passie zal reizen, nu deze twee kinderen uit Purmerend ook naar die school zullen gaan en klasgenoten van [A] zullen worden. Hoewel de afstand tussen de woonplaats van [A] en de school in Amsterdam een beletsel kan vormen voor het opbouwen van sociale contacten, acht de voorzieningenrechter dit, gelet op het feit dat [A] nu reeds twee in Purmerend woonachtige toekomstige klasgenoten kent, niet van dien aard dat dit grond kan geven voor toewijzing van het gevorderde.

4.8. Alle argumenten van de vader afzonderlijk, maar ook tezamen en in hun onderlinge samenhang bezien, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor toewijzing van het gevorderde. Daaraan kan de omstandigheid dat met name het Da Vinci college in Purmerend een goed alternatief zou kunnen zijn, niet afdoen. Bij zijn oordeel heeft de voorzieningenrechter tenslotte ook betrokken de omstandigheid dat de keuze van de moeder en [A] voor De Passie inmiddels al weer enige maanden geleden is gemaakt en ook al geruime tijd aan de vader bekend is, de behandeling van de vordering van de vader - vanwege de vele verhinderdata die bij de aanvraag van dit kort geding zijn opgegeven - eerst een kleine drie weken voor de aanvang van het schooljaar heeft plaatsgevonden en, naar uit het gesprek met [A] is gebleken, hij zich er inmiddels erg op heeft ingesteld het komende schooljaar naar De Passie te gaan.

4.9. Gelet op het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen partijen op de hierna te noemen wijze worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten heeft te dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2008.

Lees ook:

Uitspraak Commissie Gelijke Behandeling uit 1999--38
Commissie voor Gelijke Behandeling - CGB - 29 april 1999
De CGB oordeelde in 1999 dat een reformatorische school ten onrechte een samenwonende homoseksuele sollicitant had afgewezen: "De Commissie oordeelt dat de eisen die een instelling op godsdienstige grondslag mag stellen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid." Lees meer >>

Ergernis over weren homoleraar
Parool - 11 januari 2007
Wethouder Ahmed Aboutaleb (Onderwijs) eist opheldering van de evangelische scholengemeenschap De Passie uit het Amsterdamse Westelijk Havengebied over het beleid homoseksuele leerkrachten te weren.In de Scholengids van Het Parool, die dit weekeinde verscheen, liet directeur Jaap Wisse van De Passie weten dat homoseksualiteit niet strookt met de uitgangspunten van de school en dat er dus geen openlijk homoseksuele docenten werken.

Ophef over antihomotekst Amsterdamse school
Pestweb - 11 januari 2007

Homoseksualiteit en religie - School moet zich in alle gevallen uitspreken tegen homodiscriminatie
School en veiligheid - Ongedateerd, maar na 11 januari 2007

Uitspraak Commissie Gelijke Behandeling 2007-100: School maakt in haar personeelsbeleid onderscheid op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid
Commissie voor Gelijke Behandeling - CGB - 15 juni 2007 - Volledig oordeel

Samenvatting oordeel
Een instelling van bijzonder onderwijs heeft in de pers over haar personeelsbeleid het volgende verklaard: “ Ook aan leerkrachten worden bijzondere eisen gesteld. Homoseksualiteit strookt niet met de uitgangspunten van de school; openlijk homoseksuele leerkrachten zult u hier niet aantreffen.” De school heeft verklaard dat zij van al haar medewerkers eist dat zij de grondslag van de school voor- en naleven in zowel hun werk als privé-tijd. Daarbij hoort dat een intieme, seksuele, relatie slechts is voorbehouden aan een man en een vrouw binnen een monogaam huwelijk. Hiermee maakt de school direct onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid. De uitzondering die instellingen van bijzonder onderwijs toekomt, is in de onderhavige zaak niet van toepassing, omdat de school in haar personeelsbeleid onderscheid maakt op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid.

Homodocent weren mag niet
Parool - 16 juni 2007
De evangelische scholengemeenschap De Passie in Amsterdam mag leerkrachten die uitkomen voor hun homoseksualiteit niet langer weren. Dat heeft de Commissie Gelijke Behandeling gisteren bepaald in een zaak die het Meldpunt Discriminatie Amsterdam had aangespannen.

Homoleraar mag homo zijn
NRC - Binnenland - Door een onzer redacteuren - 2 september 2008

Rotterdam, 2 sept. Reformatorische scholen mogen geen leraren met een homoseksuele relatie weigeren. Dat schrijft minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) aan de Tweede Kamer, als reactie op de Visienota (homo)seksualiteit van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS).

In deze nota, op 30 juni van dit jaar overhandigd aan de minister, maakt de VGS onderscheid tussen ‘homoseksuele gerichtheid’ en ‘homoseksuele relaties’. Leraren met een homoseksuele gerichtheid verdienen steun, zegt de VGS. Het uitoefenen van een homoseksuele relatie is daarentegen „in strijd met de grondslag” van reformatorische scholen.

Plasterk wijst dit onderscheid af. Volgens de minister blijkt uit de Algemene wet gelijke behandeling dat het verboden is iemand te discrimineren op grond van geaardheid. Daarbij zou het niets uitmaken of een betrokkene wel of geen relatie heeft. „Ik raad de VGS dan ook aan zich nader (ook juridisch) te bezinnen op dit personeels- en leerlingenbeleid en daarover in overleg te treden met de Commissie Gelijke Behandeling”, schrijft de minister.

Pieter Moens, voorzitter van de ‘Stuurgroep (homo)seksualiteit’ van de VGS, zegt dat zijn organisatie „ernaar streeft om binnen de wet te blijven”. Maar, voegt hij toe, over welke wet gaat het dan? „Plasterk heeft het over de Algemene wet gelijke behandeling. Maar je hebt ook de klassieke vrijheden van onderwijs, godsdienst en meningsuiting. Dat botst weleens.” Een definitief oordeel wil Moens „graag overlaten aan de Tweede Kamer”.

Reformatorische scholen willen niet discrimineren, benadrukt Moens. „We zeggen niet dat we een leraar met een homoseksuele relatie zullen ontslaan. Wel werken we graag met mensen die onze grondslag, gebaseerd op wat de Bijbel zegt, onderschrijven.”

zaterdag, april 05, 2008

186. Verzoekschrift 284/2006 tegen Nederland aan het Europees Parlement van de Britse vader Dave Houghton over zijn rechten als vader

No 284/2006 by Dave Houghton (British) concerning his rights as a father

European Parlement - Committee on Petitions - Commission des pétitions - Meeting / Réunion - 02/05/2007 - 09:00 h.- Bruxelles - ASP A1E-2 - Agenda No OJ 46 - Ref. PE 386.446 - Type CM - Last update/Dernière mise à jour:03/05/2007 - 16:20

da de el en es fi fr hu it lv mt nl pl ro


EUROPEES PARLEMENT

2004

2009


Commissie verzoekschriften

28.02.2007

MEDEDELING AAN DE LEDEN

Verzoekschrift 284/2006, ingediend door Dave Houghton (Britse nationaliteit), over zijn rechten als vader

1. Samenvatting van het verzoekschrift

Indiener, Brits staatsburger, woont al 26 jaar in Nederland. Hij heeft gedurende 5 jaar een relatie gehad met een Brits/Nederlandse vrouw, waaruit in 2000 een zoon is geboren. De naam van indiener, de vader van het kind, is nooit op het geboortebewijs vermeld. Indiener wil dat zijn naam op het bewijs wordt vermeld. Zijn ex-partner weigert echter medewerking en dreigt zelfs de naam van haar nieuwe partner op het bewijs te laten vermelden. Indiener kan voorts zijn kind niet meenemen op vakantie naar het buitenland omdat de moeder het paspoort niet wil afgeven. Indiener wil weten wat hij kan doen om zijn naam op het geboortebewijs te krijgen en over het paspoort van het kind te kunnen beschikken wanneer zij op vakantie gaan.

2. Ontvankelijkheid

Ontvankelijk verklaard op 3 augustus 2006. De Commissie is om inlichtingen verzocht (artikel 192, lid 4 van het Reglement).
3. Antwoord van de Commissie, ontvangen op 28 februari 2007

Indiener, Brits staatsburger, klaagt over het feit dat zijn naam niet op het geboortebewijs van zijn kind staat dat hij met een Brits/Nederlandse vrouw heeft gekregen en waarvan hij nu is gescheiden. Hij kan ook het kind niet meenemen in het kader van een omgangsregeling daar de moeder weigert het paspoort van het kind aan hem te geven.

Naar de mening van de Commissie werpt het verzoekschrift twee verschillende vragen op.

De eerste vraag betreft de gegevens die staan vermeld op het geboortebewijs van het kind van de indiener. Het juridisch regiem dat op akten van burgerlijke stand van toepassing is, valt thans onder de wetgeving van de lidstaten. Geen enkele communautaire afgeleide norm is derhalve rechtstreeks toepasselijk op de door indiener beschreven situatie.

Uiteraard zijn de lidstaten bij de uitvoering van hun bevoegdheden inzake de burgerlijke stand gehouden het gemeenschapsrecht na te leven en in het bijzonder de bepalingen van het verdrag met betrekking tot het burgerschap en het verdrag inzake burgerschap en het vrije verkeer. Daar het verzoekschrift onvoldoende nauwkeurige elementen bevat, is het derhalve niet duidelijk waarom het tot op heden niet mogelijk was om de naam van indiener op het geboortebewijs van het kind te laten plaatsen.

De tweede vraag van de indiener betreft de uitoefening van de omgangsregeling met zijn kind. Op basis van de elementen waarover de Commissie beschikt, is niet bekend of de omgangsregeling ambtshalve bij wet is toegekend of dat de omgangsregeling door de rechter is bepaald.

Om vast te stellen of het gemeenschapsrecht op dit geval van toepassing is, en in welke mate, is het van wezenlijk belang te weten of de indiener een vastgestelde omgangsregeling heeft met zijn kind en of deze regeling het toestaat om met het kind voor een beperkte periode elders dan in de gewoonlijke verblijfplaats te verblijven, waaronder ook het buitenland. Indien dit het geval is, zou de weigering van de moeder om het paspoort van haar zoon aan indiener te geven een schending van het omgangsrecht betekenen. Het is echter ook mogelijk dat het aan indiener toegekende omgangsrecht aan bepaalde voorwaarden is gebonden die een verblijf in het buitenland uitsluiten. In dit geval zou het feit dat de vader het paspoort van het kind niet krijgt, gerechtvaardigd zijn.

Bij gebrek aan nauwkeurigere informatie, is het nauwelijks mogelijk een uitvoeriger antwoord op dit verzoekschrift te geven.


No 284/2006 by Dave Houghton (British) concerning his rights as a father

European Parlement - Committee on Petitions - Commission des pétitions - Meeting / Réunion - 02/05/2007 - 09:00 h.- Bruxelles - ASP A1E-2 - Agenda No OJ 46 - Ref. PE 386.446 - Type CM - Last update/Dernière mise à jour:03/05/2007 - 16:20

da de el en es fi fr hu it lv mt nl pl ro



EUROPEAN PARLIAMENT Petition 0284/2006 by Dave Houghton (British) concerning his rights as a father

EUROPEAN PARLIAMENT

2004

2009


Committee on Petitions 28.02.2007

NOTICE TO MEMBERS

Petition 0284/2006 by Dave Houghton (British) concerning his rights as a father

1. Summary of petition

The petitioner, a British national who has lived for 26 years in the Netherlands, had a five-year relationship with a woman of British/Dutch nationality, a son having been born in 2000. The name of the petitioner, the child’s father, is not mentioned anywhere on the birth certificate. The petitioner wishes to remedy this but his former partner refuses to cooperate and is even threatening to place the name of her new partner on the birth certificate. The petitioner is unable to take the child with him on holiday abroad since the mother refuses to release the passport. The petitioner wishes to know what he can do to have his name placed on the birth certificate and to have access to the child’s passport when they go on holiday.

2. Admissibility

Declared admissible on 3 August 2006. Information requested from the Commission under Rule 192(4).

3. Commission reply, received on 28 February 2007.

‘The petitioner, a British national, complains that he is unable to register his name on the birth certificate of the child he fathered with a woman of British/Dutch nationality from whom he is separated. He also claims he is unable to take the child with him when he exercises his right of access, as the mother refuses to give him the child’s passport.

In the Commission’s view, this petition raises two separate issues.

The first concerns the references on the petitioner’s child’s birth certificate. At present, all legal arrangements concerning civil status certificates are governed by the domestic law of the Member States. Therefore there is no rule under secondary Community legislation which is directly applicable to the situation described by the petitioner.

Naturally, in exercising their powers with regard to civil status, the Member States must comply with Community law and in particular with the Treaty provisions concerning citizenship and freedom of movement. In this respect, the information given in the petition is not sufficiently clear and gives no indication of the reasons why the petitioner has so far been unable to register his name on his child’s birth certificate.

The second issue raised by the petitioner concerns the exercise of his right of access to his child. The information given to the Commission does not indicate whether the petitioner has an automatic legal right of access to his child or whether a court has issued a ruling on the matter.

To know whether Community law is applicable in this specific case, and to what extent, it is essential to know whether the petitioner has an established right of access and whether that right includes the option of taking the child for a limited period to a place other than that of his habitual residence, including abroad. If that were the case, the mother’s refusal to give the petitioner his son’s passport could be deemed a breach of his right of access. However, there may be some special arrangements governing the right of access granted to the petitioner, which do not permit overseas travel, in which case the refusal to hand over the child’s passport could be justified.

Given the lack of more specific information, it is impossible to give a more detailed reply.