Posts tonen met het label AR8250. Alle posts tonen
Posts tonen met het label AR8250. Alle posts tonen

dinsdag, april 24, 2012

538. Onbegrijpelijke vrijspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2012 die ‘het niet nakomen van de omgangsregeling’ bij gezamenlijk gezag in uitspraak LJN: BW0594 niet strafbaar stelt

LJN: BW0594, Gerechtshof Amsterdam , 23-002595-10
Datum uitspraak: 20-03-2012
Datum publicatie: 02-04-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
Vrijspraak overtreding artikel 279 Sr. Geen sprake van opzettelijke onttrekking aan het wettelijk gezag of toezicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Naar de kennelijke bedoeling van de wetgever dient het naleven van een omgangsregeling in beginsel te worden gehandhaafd d.m.v. civielrechtelijke maatregelen. Een aparte strafbaarstelling is door de wetgever vooralsnog niet overwogen.

Uitspraak

parketnummer: 23-002595-10
datum uitspraak: 20 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13/425099-09 tegen

[verdachte],
geboren te [plaats en datum],
wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 30 maart 2010 en 18 mei 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 december 2003 tot en met 1 april 2009 te Blaricum en/of te Hoogezand, gemeente Hoogezand Sappemeer, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer minderjarig(e) kind(eren), te weten [naam en geboortedatum kind 1] en/of [naam en geboortedatum kind 2], heeft onttrokken aan het wettig over die/dat minderjarig(e) kind(eren) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die één of meer minderjarige kind(eren) uitoefent, terwijl bovengenoemde minderjarige(n) jonger dan 12 jaar is/zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de inleidende dagvaarding nietig dient te worden verklaard, nu deze niet binnen de wettelijke termijn is betekend en de verdachte geen afstand heeft gedaan van deze termijn.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer over en maakt deze tot de zijne. Het verweer wordt verworpen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat de verdachte geen dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen heeft ontvangen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor zover hetgeen door de raadsman is aangevoerd al zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is de dagvaarding in hoger beroep blijkens de door de advocaat-generaal overgelegde akte van uitreiking rechtsgeldig aan de verdachte betekend. Het verweer wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsman ook in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, schending van het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel, schending van het ne bis in idembeginsel en détournement de pouvoir.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank ten aanzien van deze door de raadsman gevoerde verweren over en maakt die tot de zijne. Nu ook overigens niet is gebleken van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, die tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden, worden de verweren verworpen.

Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uren met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de Reclassering Nederland en zich daartoe bij de reclassering zal melden.

Vrijspraak
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij het strafbare feit als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zou hebben begaan. Bij de beantwoording van de vraag of dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen heeft het hof het volgende in beschouwing genomen.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 29 oktober 2002 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen de verdachte en [naam aangever] uitgesproken en is bepaald dat hun twee minderjarige kinderen [namen kind 1 en kind 2] hun hoofdverblijfplaats bij de verdachte hebben. De verdachte en de aangever behielden van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen (hierna: de kinderen). Dit brengt mee dat de verdachte niet strafrechtelijk kan worden verweten de kinderen aan het gezag te hebben onttrokken. Zij heeft immers zelf mede het gezag.

De vraag die vervolgens rijst is of de verdachte kan worden verweten dat zij gedurende de ten laste gelegde periode de kinderen opzettelijk heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefent. In dat verband zijn de navolgende omstandigheden van belang.

De rechtbank Groningen heeft bij beschikking van 24 april 2003 een omgangsregeling vastgesteld op grond waarvan de aangever gerechtigd is de kinderen een weekend per twee weken bij zich te ontvangen, alsmede gedurende de helft van de basisschoolvakanties, waarbij de verdachte en de aangever zijn overeengekomen dat de aangever de kinderen niet zal meenemen naar, of anderszins in contact brengt met, zijn moeder of verdere familieleden van hem met uitzondering van zijn vader (de opa v.z. van de kinderen).

De verdachte heeft, naar zij ook heeft erkend ter terechtzitting in hoger beroep en ter terechtzitting in eerste aanleg, zich op verschillende tijdstippen in de ten laste gelegde periode niet gehouden aan voornoemde omgangsregeling.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 februari 2005 NJ 2005,203 - daarbij voortbouwend op een in 1991 gewezen arrest (NJ 1991,824) - overwogen dat degene die het wettig gezag uitoefent over een minderjarige daarnaast ook het opzicht over die minderjarige kan uitoefenen. Het oordeel van het Hof - in die aan de Hoge Raad voorgelegde zaak - dat de verdachte de minderjarigen aan het bevoegd uitgeoefende opzicht had onttrokken door zich niet aan de omgangsregeling te houden en de kinderen niet op de daarvoor bepaalde dag bij hun moeder terug te brengen, gaf niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad.

In de onderhavige zaak doet zich de spiegelbeeldige situatie voor. Het handelen van de verdachte kenmerkt zich door het gedurende een langere periode niet meewerken aan de effectuering van een, door de rechter vastgestelde, omgangsregeling. De vraag komt op of op die spiegelbeeldige situatie voornoemd arrest zonder meer kan (of: dient te) worden toegepast, nu de Hoge Raad in zijn arrest van 12 mei 2009 LJN BH9032 - voor zover thans van belang - heeft overwogen:

“Nu de uitspraak van de Canadese rechter van 25 februari 2005 inhoudt dat aan de opgeëiste persoon - tijdelijk - het gezag over haar minderjarig kind is toevertrouwd en dat aan de vader een omgangsrecht is toegekend, kan niet worden gezegd dat de opgeëiste persoon het kind heeft onttrokken aan het in artikel 279 Sr bedoelde gezag of opzicht door op of omstreeks 18 maart 2005 - dus vóór de beslissing van de Canadese rechter van 24 maart 2005 (hof: waarin werd beslist dat aan de vader het tijdelijk gezag toekwam) - met het kind Canada te verlaten.”

Daarnaast is van belang hetgeen te lezen valt in de geschiedenis van de totstandkoming van Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding, zoals in werking getreden op 1 maart 2009.

In de Memorie van Toelichting bij wetsontwerp 30145 (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) is onder meer het volgende opgenomen:
(…) 1. Algemeen
Het is voor de ontwikkeling van een kind belangrijk dat het, ook na scheiding van zijn ouders, contact heeft met beide ouders en dat de ouders zich gezamenlijk verantwoordelijk blijven voelen voor zijn verzorging, opvoeding en ontwikkeling.
(…) Het wetsvoorstel wil deze ontwikkeling en versterken en beoogt daarmee de scheidings- en omgangsproblematiek te verminderen.

  3. Verantwoordelijkheid overheid
(...) De Stichting Samenwerkingsverband Familierecht heeft in haar advies aangegeven het wetsvoorstel te steunen maar heeft tevens aangegeven een effectief sanctiebeleid in de voorstellen te missen. Het wetsvoorstel doet inderdaad geen voorstellen om specifieke sancties op te leggen bij het niet nakomen van een zorg- of omgangsregeling. De bevoegdheid om op verzoek sancties op te leggen verandert niet.
 Voor een overzicht van de mogelijkheden verwijs ik naar mijn brief inzake effectuering omgang (Kamerstukken II 2003/04, 29520, nr. 6). Ik ben van mening dat het niet noodzakelijk is om, aanvullend op de huidige mogelijkheden, sanctiemogelijkheden in de wet op te nemen omdat hierdoor de ouders meer mogelijkheden in handen krijgen om hun strijd (over de hoofden van de kinderen) voort te zetten. De voorstellen zoals in het wetsontwerp opgenomen, in het bijzonder het ouderschapsplan, en de initiatieven die zijn genomen op het gebied van de mediation en de jeugdzorg zullen naar verwachting de scheidings- en omgangsproblematiek verminderen. Met deze maatregelen beoogt de overheid zijn verantwoordelijkheid te nemen zoals deze voortvloeit uit de internationale verplichtingen.

In de in de Memorie van Toelichting genoemde brief van 18 juni 2004 is de Minister van Justitie ingegaan op de effectuering van omgang en in het bijzonder op de dwang- en sanctiemogelijkheden. De minister heeft daarbij verwezen naar een eerdere brief van zijn hand van 13 april 2004 , waarin hij zijn voornemens kenbaar heeft gemaakt om de echtscheidingsprocedure te verbeteren. De minister heeft in de brief van 18 juni 2004 (vergaderjaar 2003-2004, Kamerstuk 29520, nr. 6) onder meer het volgende gesteld:

(…) Deze voorstellen die ik heb gedaan, hebben ten doel zoveel mogelijk te voorkomen dat er omgangsconflicten ontstaan. (…) Toch vraagt de problematiek rond omgang ook om een sluitstuk. Als ondanks de maatregelen en de inzet van mediation een kind geen omgang heeft met één van zijn ouders en de rechter de omgang niet heeft ontzegd, zal de omgang geëffectueerd moeten worden. De effectuering van omgang is echter, zoals gezegd, een gecompliceerd vraagstuk. Dit komt omdat omgang in het belang van het kind is, maar de neveneffecten van de effectuering dit niet altijd zijn. Zo heeft het effectueren van de omgangsregeling met behulp van de sterke arm (politie) verstrekkende gevolgen voor een kind. In de discussie over effectuering van omgang dient een balans te worden gevonden tussen enerzijds de noodzaak tot het effectueren van een omgangsregeling en anderzijds het belang van het kind..
(…) In de wet is een aantal civielrechtelijke dwangmiddelen opgenomen. In mijn brief van 4 december 2002 (Kamerstukken II 2002/03, 28600 VI, nr. 105) is een bijlage gevoegd met een overzicht van deze dwangmiddelen. De volgende dwangmiddelen kunnen worden opgelegd door de rechter bij het niet nakomen van een omgangsregeling :1. Dwangsom (…) 2.Lijfsdwang (…)Naast deze dwangmiddelen is het mogelijk om de volgende middelen in te zetten om omgang te effectueren: 1.Opschorting van de betaling van kinderalimentatie (…) 2. Vermindering of ontzegging partneralimentatie (…) 3.Ondertoezichtstelling (…) 4. Wijziging gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag (…) 5.Wijziging eenhoofdig gezag in gezamenlijk gezag (…) 6.. Wijziging verblijfplaats .. van het kind (…)..
(…) In de praktijk blijken deze (dwang)middelen niet afdoende te werken, omdat er gevallen zijn waarin omgang niet tot stand komt, terwijl de omgang door de rechter niet is ontzegd. De vraag is wat de taak van de overheid is om de omgang alsnog te realiseren.
Inzake de effectuering van de omgang heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens een aantal uitspraken gedaan (o.a. Glaser tegen het Verenigd Koninkrijk, 19 september 2000, no. 32346/96, par. 66 en Mark tegen Duitsland, 31 mei 2001, no. 45989/9). In de uitspraken komt naar voren dat de Staat enerzijds verplicht is om maatregelen te treffen teneinde de medewerking aan de omgang tot stand te brengen. Anderzijds kunnen deze maatregelen niet steeds worden afgedwongen, omdat de toepassing van dwang wordt begrensd door de rechten en belangen van betrokkenen, in het bijzonder die van het kind.
(…) In de zaak van Sophia Gudrún Hansen tegen Turkije heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens … Turkije veroordeeld, omdat het Hof van mening is dat Turkije niet alle noodzakelijke stappen heeft genomen om de omgangsregeling tot stand te laten komen.(…)
Deze uitspraak en de discussie in de Tweede Kamer hebben mij aanleiding gegeven nogmaals te bekijken of de overheid aan zijn plicht voldoet om maatregelen te treffen om omgang te realiseren en tevens te beoordelen of er aanvullende maatregelen nodig zijn. (…) Aanvullend op de bestaande mogelijkheden om maatregelen te treffen, ben ik voornemens om in de wet tot uitdrukking te brengen dat er een plicht tot omgang is.
(…) Naar verwachting is het stellen van deze norm ook belangrijk bij de effectuering van omgang.”
In de brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 april 2004 (Vergaderjaar 2003-2004, Kamerstuk 29520, nr.1) heeft de Minister - voor zover hier van belang - geschreven:
“Op 4 december 2002 en 4 juni 2003 heb ik Uw Kamer bericht over deze scheidings- en omgangs-problematiek. (…)
In de brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28600 VI, nr. 105) is, onder het kopje “Strafbaarstelling van het niet nakomen van een omgangsregeling” opgenomen:
“Ten aanzien van de aanbeveling een strafbepaling in de wet op te nemen sluit ik mij aan bij het door mijn voorganger ingenomen standpunt hiervan af te zien, onder meer omdat hiermee een handhavingsverplichting wordt geschapen, die onvoldoende toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het middel van (civielrechtelijke) lijfsdwang (art.585 Rv). We beschikken zoals eerder vermeld al over een uitgebreid scala aan civielrechtelijke dwangmiddelen. Ik wil bovendien benadrukken dat ik het strafrecht beschouw als een ultimum remedium en geen geëigend middel acht om deze problematiek op te lossen”
Voorts staat in de Memorie van Antwoord gericht aan de leden de Eerste Kamer (kamerstuk Eerste Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 301245, C) bij wetsontwerp 30145 (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) nog het navolgende:
(…) De aan het woord zijnde leden… vroegen welke instrumenten kunnen worden gehanteerd om de verdeling van zorg- en opvoedingstaken daadwerkelijk af te dwingen als de andere ouder daaraan niet of niet voldoende meewerkt.
De volgende civielrechtelijke dwangmiddelen kunnen worden opgelegd:
1. Dwangsom (....), 2. Lijfsdwang.
(…) Daarnaast kan de rechter op verzoek van een der partijen in de beschikking een afgiftebevel eventueel met behulp van de sterke arm opnemen. Een effectief middel om de zorg- en omgangsregeling af te dwingen lijkt het (voorlopige) toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.
(…) Ook bestaat de mogelijkheid om een kind onder toezicht te laten stellen.
(...) Voorts kan worden gewezen op de mogelijkheid een bijzondere curator( ...) te benoemen die het kind in en buiten rechte vertegenwoordigt.”
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat het naleven van een omgangsregeling naar de kennelijke bedoeling van de wetgever in beginsel dient te worden gehandhaafd door middel van de genoemde maatregelen van civielrechtelijke aard. Maatregelen van strafrechtelijke aard zijn daarbij immers niet voorgesteld. Ook een aparte strafbaarstelling - naast de civielrechtelijke dwangmaatregelen - van een ouder die de medewerking aan een omgangsregeling weigert - is door de wetgever vooralsnog niet overwogen. Het Wetboek van Strafrecht kent daartoe immers geen specifieke strafbepaling.

Op grond van het vorenstaande is, hoewel de verdachte - zoals hiervoor is vastgesteld - zich op verschillende tijdstippen in de ten laste gelegde periode niet heeft gehouden aan de door de rechter opgelegde omgangsregeling,naar het oordeel van het hof geen sprake van opzettelijke onttrekking aan het wettelijk gezag of toezicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. S. Clement en mr. E.J. van Keken, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2012.

Mr. Van Keken is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

_____
Mw. mr. S. Clement is senior raadsheer aan het Gerechtshof Amsterdam sinds 01-07-2010
Mw. mr. E.J. van Keken is Raadsheer-plaatsvervanger aan het Gerechtshof Amsterdam sinds 16-09-2009 en senior rechter aan de Rechtbank Haarlem sinds 01-01-2011 (met als nevenbetrekking Annotator bij JVGGZ - Jurisprudentie Verplichte geestelijke gezondheidszorg, SDU Uitgevers Den Haag sinds 01-06-2010)
Dhr. mr. P.A.M. Hoek is Raadsheer aan de Gerechtshof Amsterdam sinds 01-02-2009

_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

Hoge Raad:

zaterdag, november 20, 2010

360a. Casus 1 - Aangifte Onttrekking (WvS, Art. 279) bij politie en OM in de praktijk

Casus 1 - Aangifte- en vervolgingsbeleid naar geslacht bij het misdrijf 'onttrekking aan ouderlijk gezag' - Over gender racisme en discriminatie naar geslacht door politie en OM


Inleiding

'Onttrekking' (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) is het weghouden van de kinderen bij een andere ouder met gezamenlijk gezag in strijd met de door de familierechter bij de scheiding beschikte regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Het is een zwaar misdrijf dat als volgt omschreven staat in het Wetboek van Strafrecht:
Artikel 279: Misdrijf van onttrekking aan het ouderlijk gezag
Wetboek van Strafrecht, Tweede Boek. Misdrijven, Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, Artikel 279: Onttrekking

1.Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

2.Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.
Discriminatie naar geslacht door politie, OM en rechterlijke macht
Het is echter ook een misdrijf waarbij structureel gender racisme en discriminatie naar geslacht bij (a) het aangiftebeleid van de politie, (b) het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie en (c) het veroordelingsbeleid van de rechterlijke macht in Nederland hoogtij vieren op een wijze die aan elke geloofwaardigheid van de Nederlandse rechtstaat inmiddels een einde heeft gemaakt.

Wanneer een moeder (vrouw) aangifte van onttrekking doet tegen een vader (man), dan is een enkel telefoontje van moeder naar de politie voldoende om:
1. landelijk onmiddelijk het hele Nederlandse politiekorps met gillende sirenes uit te laten rukken zonder dat zelfs nog maar een proces-verbaal door de politie werd opgemaakt,
2. pers, media en burgerij landelijk in rep en roer te brengen met zgn. Amber Alerts,
3. het OM vervolgens bij de vervolging tegen de vader als dader, onder het motief dat het een repeterend misdrijf zou zijn, bij herhaling (ja u leest dat goed) de hoogste straf van 6 tot 9 jaar gevangenis te laten eisen,
4. het OM achteraf als verrader te laten optreden door elke gesloten overeenkomst of afspraak willens en wetens gemaakt met de vader waarbij alsnog de kinderen terug geleid kunnen worden achteraf met voeten te treden en niet na te komen,
5. de strafrechter te bewegen de maximale straf van 6 tot 9 jaar bij herhaling op te leggen aan de vader als dader (ja u leest dat weer goed).

Want dat is "in a nutshell" de karakteristiek van het Nederlandse aangifte-, vervolgings- en veroordelingsbeleid door politie, OM en rechterlijke macht in onderlinge collusie wanneer door een moeder tegen een vader telefonisch aangifte wordt gedaan.

Wanneer echter een vader tegen een moeder van hetzelfde misdrijf aangifte doet bij de politie, dan gebeurt er niets, maar dan ook helemaal niets, van dat al:
1. De politie wil de aangifte eerst niet opnemen en stuurt vader weg, weigert vervolgens de aangifte deugdelijk te onderzoeken en/of moeder als dader te horen, en/of maakt zich er met een 'Jantje van Leien' vanaf (moeder ontkent of spreekt dat tegen meneer),
2. Het OM wil de aangifte daaropvolgend niet vervolgen en seponeert, liefst pas na 6 maanden tot een jaar, en op absurde gronden, zonder rekenschap af te leggen,
3. De rechterlijke macht traineert het in procedure nemen van een zaak en weigert een straf op te leggen of legt een symbolische straf op van enkele uurtjes taakstraf die niet uitgevoerd word.

Deze structurele discriminatie naar geslacht door politie, justitie en rechterlijke macht bij de afhandeling van het misdrijf van onttrekking (art. 279) heeft inmiddels zo'n stuitende omvang aangenomen dat het Vaderkenniscentrum.nl de komende periode een aantal casussen waaruit dat blijkt gaat publiceren om deze aan u voor te kunnen leggen.

Het extreme aangifte-, vervolgings-, en veroordelingsbeleid wanneer moeders aangifte tegen vader doen mag bij u inmiddels bekend verondersteld worden, o.m. uit het langsvliegende Amber Alert-circus.

Hieronder kunt u lezen hoe het daarentegen bij politie en OM toegaat, wanneer een vader aangifte van onttreking aan het ouderlijk gezag door de moeder doet/wil doen.

Peter Tromp
Vaderkenniscentrum.nl


Casus 1: Een vader doet aangifte van het misdrijf van onttrekking door een moeder



Inhoudsopgave:
A. Proces-verbaal aangifte onttrekking (WvS, Art. 279)
B. Informatie uit Politieregisters
C. Sepot Politie Gelderland-Zuid
D. Beklagbrief vader aan Openbaar Ministerie inzake sepot
E. Antwoord van het OM op de beklagbrief vader aan Openbaar Ministerie inzake sepot

A. PROCES – VERBAAL AANGIFTE VAN ONTTREKKING (WVS, ART. 279)

Aangifte

Plaats delict : [plaats delict]
HKS object : Woning, [omschrijving woning]
Pleegdatum : Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip]
Verbalisant : [verbalisant]

Ik, verbalisant, [verbalisant], verklaar het volgende:

Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip], verscheen voor mij, in het politiebureau, [adres] te [plaats], een persoon die mij opgaf te zijn:

Achternaam : [achternaam]
Voornamen : [voornamen]
Geboren : [geboortedatum]
Geboorteplaats/land : [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht : man
Burger service nummer  : [BSN]
Nationaliteit : Nederlandse
GBA-nummer : [GBA]

Hij deed aangifte terzake overige misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid en verklaarde het volgende:

“Op [datum voorjaar] 2010 te [tijdstip] werd op de [plaats delict], het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

Ik doe aangifte van onttrekking van het ouderlijk gezag van mijn kinderen. Dit feit is gepleegd op [datum voorjaar] 2010 omstreeks [tijdstip] op bovengenoemde locatie.

Met betrekking tot het onttrekken van het ouderlijk gezag kan ik u het volgende verklaren:

Ik lig momenteel in scheiding met mijn vrouw. Wij hebben samen [aantal] kinderen. [namen en leeftijden van de kinderen]. Mijn vrouw heet [vrouw], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende [plaats delict].

Op [datum voorjaar] 2010 heeft mijn vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank [locatie]. Ik heb op [datum voorjaar 2010] een verweerschrift ingediend bij de rechtbank te [locatie].

Omtrent het ouderlijk gezag van de kinderen heeft de rechtbank te [locatie] een beschikking opgesteld op [datum]. In de beschikking staat vastgesteld onder [vindplaats in de beschikking] dat ik de kinderen op de volgende tijdstippen mag zien:
-in de oneven weken van [tijdstip op vaste namiddag in de week] tot [tijdstip op vaste vooravond in de week twee dagen later]
-in de even weken op [vaste ochtend in de week] van [tijdstip] tot [tijdstip]
-daarnaast mag ik op [vaste dag in de week] met [naam kind 1] naar [activiteit]. En op [twee vaste avonden in de week] met [naam kind 2] naar [activiteit].

Afgelopen [datum voorjaar 2010] was ik om [tijdstip] precies op het adres [plaats delict]. Daar deed mijn vrouw de deur open en zij vertelde mij meteen dat ik de kinderen die dag niet mee zou krijgen. Zij gaf mij daarbij geen reden op.

Ik heb toen de telefoon gepakt om de politie te bellen. Mijn vrouw zei toen tegen mij: “ja, bel de politie maar”. Vervolgens heeft zij de deur dicht gedaan. De politie is volgens mij toen bij mijn vrouw langs geweest. Toen heeft zij aangegeven dat zij de kinderen niet meer aan mij mee wil geven.

Ik heb dus uiteindelijk mijn kinderen wederom niet meegekregen. Mijn vrouw heeft zich dus niet gehouden aan de uitspraak van de rechtbank. Dit is niet de eerste keer dat zij dit doet, ik heb hier vorige week [datum voorjaar] 2010 ook al aangifte van gedaan. De politie heeft toen ook al met haar gesproken, zij had toen aangegeven dat zij de kinderen in de toekomst wel weer aan mij mee wil geven.

Ik kan u vertellen dat ik afgelopen [datum voorjaar 2010] [naam kind 2] opgehaald heb om naar [activiteit] te gaan. Ik heb [naam kind 2] toen gewoon meegekregen. Mogelijk dat dit gekomen is doordat de politie met haar heeft gesproken.

Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Terug naar inhoudsopgave

B. INFORMATIE UIT POLITIEREGISTERS

[datum voorjaar]-2010 nr. [meldingsnummer]
[man] belde om te vertellen dat de kinderen van hem door zijn ex niet werden meegegeven voor de bezoekregeling van vandaag [datum voorjaar 2010] van [tijdstip] tot [tijdstip]. Zonder opgaaf van reden. Zij opende wel de voordeur voor hem maar zei hem dat hij de kinderen niet mee kreeg. [man] heeft kinderen niet gehoord of gezien. Hij voorziet problemen voor de rest van de week, hij heeft elke dag een bezoekregeling om kinderen te zien. Heb uitgebreid gesproken met hem en hem verteld dit alles vast te leggen. Heb haar geprobeerd te bellen maar zij was constant in gesprek. [man] is zeer teleurgesteld in het optreden van de politie en eist dat politie haar tot de orde roept. Collega’s zijn vervolgens bij haar langs gegaan. Zij zegt te weigeren de kinderen mee te geven en weet dat zij volledig ingaat tegen het rechtelijk bevel van de bezoekregeling. Zij zegt dat hij de kinderen mishandelt en dat hij ze mee neemt naar het buitenland en dat wil ze niet hebben.

Terug naar inhoudsopgave

C. SEPOT-BRIEF POLITIE GELDERLAND-ZUID [DISTRICTSVERMELDING]

Ons kenmerk : [PV-nummer]
Telefoon : [telefoonnummer]
Datum : [datum najaar] 2010
Betreft : Afloopbericht

Geachte heer [man],

Naar aanleiding van de aangifte die door of namens u gedaan is onder bovengenoemd kenmerk, deel ik u het volgende mede.

Wij hebben uw aangifte nader bekeken. Daarbij bleek dat het juridisch gezien hier niet gaat om een strafrechtelijk feit. De politie doet alleen onderzoek naar strafrechtelijke feiten en daarom kunnen wij in dit geval geen onderzoek instellen. De aangifte blijft wel in onze administratie geregistreerd.

Mocht u het niet eens zijn met deze beslissing dan kunt u binnen 6 weken na ontvangst van deze brief, schriftelijk en gemotiveerd uw beklag doen bij het Openbaar Ministerie, adres:
            Arrondissementsparket [locatie en adres]
Als u daarbij een kopie meestuurt van deze brief, bevordert dit een snelle afhandeling

Heeft u naar aanleiding van deze brief nog vragen of heeft u aanvullende informatie, dan kunt u op werkdagen tussen 08.30 uur en 16.30 uur, contact opnemen met het Centraal Informatiepunt Slachtoffers te [locatie], telefoonnummer: [telefoonnummer].
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben ingelicht.

De districtschef
Namens deze,
Districtsadministratie [Districtsvermelding]

Terug naar inhoudsopgave

D. BEKLAGBRIEF VADER BIJ OPENBAAR MINISTERIE INZAKE SEPOT

Aan: Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket [locatie en adres]
Betreft: beklag over brieven Politie Gelderland-Zuid
Datum: [datum van indiening binnen de daarvoor gestelde termijn van 6 weken]

Geachte heer/mevrouw,

Met grote verbazing heb ik kennis genomen van de brieven van het bedrijfsbureau van Politie Gelderland-Zuid, [districtsvermelding] van [datum najaar] 2010, kenmerk [kenmerk] en kenmerk [kenmerk]. De brieven zijn bijgevoegd bij deze brief.

In de brieven wordt gemeld dat de aangiften die ik heb gedaan met betrekking tot onttrekking van het ouderlijk gezag, artikel 279 Sr, niet zou gaan om een strafbaar feit. Dit bevreemd mij zeer. Mogelijk dat u een ander Wetboek van Strafrecht hanteert dan in Nederland gehanteerd wordt. Graag zou ik dan van die versie een afschrift willen ontvangen. Ik ga er echter van uit dat u hetzelfde Wetboek van Strafrecht hanteert. In dat geval dient u zich, net zoals ik en iedere andere Nederlandse rechtspersoon, te houden aan de wettelijke regels.

Ik ben het niet eens met de door de Politie Gelderland-Zuid opgestelde brieven. Buiten dat in de brieven iedere vorm van argumentatie ontbreekt, wordt met deze beslissing de wet volledig naast zich neergelegd. Alvorens in te gaan op de redenen waarom ik het niet eens ben, eerst wat achtergrondinformatie zodat u een volledig beeld krijgt van wat er zich afspeelt.

Elk kind heeft het recht bij zijn ouders op te groeien en om met beide ouders contact te houden wanneer het van een of van beiden gescheiden leeft, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind. Dit is vastgelegd in het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind, welk geratificeerd is door Nederland. Mede op grond van dit verdrag is in maart 2009 een wetswijziging “Voortgezet ouderschap en zorgvuldige echtscheiding” doorgevoerd.

Helaas verlopen niet alle echtscheidingen even vlekkeloos. In een aantal gevallen ontvouwt zich een hevige strijd tussen beide ouders. In een aantal andere gevallen wordt de strijd gevoerd door één van de ouders. Dit laatste is bij mij het geval. En daar waar kinderen in het spel zijn, zijn de kinderen vaak de dupe van de strijd die gevoerd wordt.

In mijn geval begon de moeder van mijn kinderen vrijwel direct na de beslissing van de rechtbank te [locatie] omtrent de omgangsregeling, zoals opgesteld in de beschikking van [datum najaar] 2009, de omgangsregeling te frustreren. De kinderen werd het recht op omgang met hun vader ontnomen. Verschillende malen is getracht met tussenkomst van mijn advocaat en de politie de omgangsregeling weer op gang te brengen, echter de problemen hielden aan.

Ik heb uiteindelijk op [datum voorjaar] 2010 en op [datum voorjaar] 2010 aangifte gedaan van onttrekking van de ouderlijke macht op grond van artikel 279 Wetboek van Strafrecht.

Dit artikel wordt veelvuldig toegepast in gevallen waarin, laten we maar man en paard noemen, vaders hun kinderen niet terugbrengen naar hun moeder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben. In dat geval worden vaders, veelal hardhandig, aangepakt in het bijzijn van hun kinderen en worden de kinderen teruggebracht naar de moeder. Indien aangifte wordt gedaan door de moeder van onttrekking van de ouderlijke macht wordt een strafrechterlijk onderzoek ingesteld en wordt de vader strafrechterlijk vervolgd.

In het geval dat de moeder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben weigert om de kinderen mee te geven aan de vader, wordt er door politie en justitie plotseling anders gehandeld. In dat geval wordt er niet opgetreden tegen de moeder. Dit is ook bij mij het geval geweest. De politie handelt daarmee in strijd met artikel 2 van de Politiewet 1993, waarin staat: "De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven". Het gevolg van het handelen van de politie is dat de kinderen het recht op zorg en omgang met de vader wordt ontnomen.

Er is bovendien sprake van ongelijke behandeling in het optreden van de politie. Dit is in strijd met artikel 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Voor vaders zijn er in dat geval twee mogelijkheden om er voor te zorgen dat de kinderen toch zorg en omgang kunnen krijgen met de vader. Vader kan een civielrechtelijke procedure starten of kan trachten de moeder strafrechtelijk te laten vervolgen. In mijn geval heb ik beide gedaan.

Ik heb een kort geding aangespannen bij de rechtbank te [locatie] om er voor te zorgen dat de beschikking van [datum najaar] 2009, zoals is vastgesteld door de rechtbank te [locatie], wordt nageleefd. De rechter heeft daarbij geoordeeld dat al mijn verzoeken, waaronder het verzoek om een dwangsom voor iedere dag dat de omgangsregeling niet wordt nageleefd, werden afgewezen. Met andere woorden: via een civielrechtelijke procedure is het niet mogelijk gebleken het recht op zorg en omgang met vader af te dwingen. Ook hier is sprake van een ongelijke behandeling. De beslissing van de rechtbank heeft er overigens voor gezorgd dat mijn kinderen vervolgens gedurende 4,5 maand geen enkel contact meer hebben gehad met hun vader, maar dit terzijde.

Dan de strafrechtelijke procedure. Bij het doen van aangifte van onttrekking van de ouderlijke macht stuitte ik op verzet bij de politie. Dit terwijl ieder burger gerechtigd is om aangifte te doen van een strafbaar feit (art. 161 Wetboek van Strafvordering) en de politie verplicht is de aangifte op te nemen (art. 163 Wetboek van Strafvordering, lid 5). Als burger, of in ieder geval als vader, moet je op je strepen gaan staan om dit voor elkaar te krijgen. Het heeft me dan ook 5 weken gekost om de aangifte die ik heb gedaan op [datum voorjaar] 2010 ([PV nummer]) uiteindelijk opgenomen te krijgen. Wel vreemd, aangezien de moeder van mijn kinderen het wel eenvoudig voor elkaar heeft gekregen om een valse aangifte te doen van stalking door mij. Ook dit doet vermoeden dat er sprake is van een ongelijke behandeling.

Moeders zijn zich terdege bewust van de rechtsongelijkheid die zowel door justitie als politie wordt gebezigd. Zij zijn zich bewust dat de ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben, de macht hebben om te kunnen bepalen wanneer de kinderen de andere ouder mag zien. Zij zijn zich bewust dat de politie niet optreedt tegen dit handelen. Zij zijn zich bewust dat de rechter in hun voordeel zal uitspreken. Zij zijn zich bewust dat de officier van justitie niet tot strafvervolging over zal gaan. En zo lang moeders op geen enkel vlak worden aangepakt of zelfs maar aangesproken worden, zullen ook in de toekomst moeders de zorg en omgang met vaders blijven frustreren. Het is een zichzelf in stand houdend systeem.

Ik zal nu aangeven waarom ik het niet eens ben met de stelling dat het niet zou gaan om een strafbaar feit.

Het artikel met betrekking tot onttrekking van het ouderlijk gezag betreft artikel 279 Wetboek van Strafrecht. Dit artikel luidt:

Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid

Artikel 279
  1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
  2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

In een uitspraak van de Hoge Raad (LJN AR8250, 01198/04) van 15 februari 2005 stelt de Hoge Raad dat het niet houden aan een omgangsregeling door een ouder belast met ouderlijk gezag wel degelijk een strafbaar feit is.

De Nationale Ombudsman heeft in het rapport 2007/034 van 16 februari 2007 de volgende aanbeveling gegeven: “Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie ziet de Nationale Ombudsman aanleiding om de korpsbeheerder in overweging te geven om de relevante jurisprudentie (de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005) als uitgangspunt te nemen voor het politieoptreden bij omgangsproblemen.”

In de slotbeschouwing van het betreffende rapport stelt de Nationale Ombudsman voorts:
“De Nationale ombudsman wenst hier te benadrukken dat, indien er sprake is van gezamenlijk gezag, de ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de kinderen en de onderlinge verhoudingen. De ruimte voor de politie om zich in dit soort conflicten te mengen is beperkt.

Voorts verwijs ik u ook naar de uitspraken die zijn gedaan door Rechtbank Leeuwarden (LJN BH2027, 17/754502-08 VON) van 5 februari 2009 en door Rechtbank Maastricht van 20 februari 2009, waarin bevestigd wordt dat het gaat om een strafbaar feit.

Bovenstaande stelt dus dat het niet houden aan een omgangsregeling wel degelijk een strafbaar feit is. Dientengevolge verzoek ik u uw beslissing te heroverwegen. Het spreekt vanzelf dat ik mij zal richten tot de Nationale Ombudsman als u nog steeds van mening blijft dat het hier niet gaat om een strafbaar feit.

Om u verder alvast een stap voor te zijn verzoek ik u een zorgvuldige afweging te maken met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen. Ik ben me bewust dat het voor u een lastige kwestie is en dat u daarom, om het uzelf makkelijk te maken, vlug geneigd bent de aangifte te seponeren. In dat geval vraag ik u uiteraard om een goed beargumenteerde sepotreden. Een sepotreden als “onvoldoende wettig en overtuigend bewijs” kan in mijn ogen niet gegeven worden, aangezien moeder op [datum voorjaar] 2010 zelf heeft aangegeven “te weigeren de kinderen mee te geven en weet dat zij volledig ingaat tegen het rechtelijk bevel van de bezoekregeling” (citaat afkomstig uit politieregisters). Ik heb u echter uitgelegd dat moeder weet dat zij zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk niet aangepakt wordt en zij zich daarom niet houdt aan de omgangsregeling. Door niet strafrechtelijk te vervolgen geeft u wederom een signaal af naar de moeder dat het niet houden aan de omgangsregeling toegestaan is en zullen toekomstige problemen met betrekking tot de omgang zich blijven voordoen. U belast daarmee uw eigen politieapparaat met onnodig veel werk en handelt niet conform artikel 2 van de Politiewet.

Ik hoop dat u gaat inzien dat u mede verantwoordelijk bent voor de omgangsproblematiek en daarmee mede veroorzaker bent van de schade die dit toebrengt aan mijn kinderen.

Ik schrijf u deze brief overigens op de dag van de rechten van het kind, de dag bovendien dat moeder zich wederom niet houdt aan de omgangsregeling, die nota bene door haar zelf is voorgesteld aan de rechter.

Ik zie uw reactie met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,
[vader]

Bijlagen: 2

Terug naar inhoudsopgave

E. ANTWOORD OPENBAAR MINISTERIE OP BEKLAGBRIEF VADER INZAKE SEPOT

Contactpersoon: [contactpersoon]
Doorkiesnummer: [doorkiesnummer]
Datum: 6 december 2010
Ons kenmerk: [kenmerk]
Onderwerp: beklag

Geachte heer [vader],

Bij deze bericht ik u dat ik in uw brief van 20 november jl. aanleiding heb gezien om de politie nader onderzoek te laten doen. Zodra ik de resultaten van dit onderzoek ontvangen heb, zal ik u hier nader over berichten.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

De Officier van Justitie
namens deze,

[sr. parketsecretaris]
sr. parketsecretaris

Terug naar inhoudsopgave
_____
Disclaimer: Vaderkenniscentrum kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Het Vaderkenniscentrum huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel het Vaderkenniscentrum de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is het Vaderkenniscentrum niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van het Vaderkenniscentrum worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van Vaderkenniscentrum voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

donderdag, januari 22, 2009

228. Persaankondiging - Moeder voor de eerste keer vervolgd voor niet nakomen omgangsregeling na scheiding

Persbericht: Utrecht, 21 januari 2009

A.s. donderdag 22 januari, 13.00 uur bij de rechtbank Leeuwarden:

Moeder vervolgd voor niet nakomen omgangsregeling na scheiding

Voor de eerste keer in Nederland moet een moeder zich voor de strafrechter verantwoorden, omdat ze jarenlang elke medewerking aan contact en omgang tussen vader en zoon weigerde en de beschikte omgangsregeling niet nakwam. De uitspraak is vooral van belang voor de vele vaders die door hun ex belemmerd worden in de door de rechtbank beschikte omgang met hun kinderen, zonder dat daar tot nu toe veel aan werd gedaan. Daar lijkt nu verandering in te komen.

De moeder in deze zaak wordt vervolgd en gedagvaard door het Openbaar Ministerie op aangifte van vader van onttrekking aan het ouderlijk gezag (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) en moet zich nu komende donderdag 22 januari om 13.00 uur voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Leeuwarden verantwoorden. Uitspraak volgt twee weken later. Veel gescheiden vaders maken hetzelfde door en als gevolg daarvan rolt deze zaak nu ook als een sneeuwbal door het hele land. Het gevolg is dat op 20 februari in Maastricht een gelijksoortige zaak voor de politierechter komt en dat overal in Nederland aangiftes worden gedaan op basis van Art. 279.

Voorgeschiedenis:

Handleiding van Vaderkenniscentrum voor aangifte “Onttrekking Ouderlijk Gezag (WvS, Art 279)” bij niet-nakoming omgangsregeling bij gezamenlijk gezag

25 september 2005 - Vaderkenniscentrum – Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 6 – Belangrijke uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005 voor omgangsouders met gezamenlijk gezag : Het niet-nakomen van de (voorlopige) omgangsregeling bij gezamenlijk gezag is onttrekking aan ouderlijk gezag en strafbaar

25 september 2005 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 7 - Stappenplan aangifte (1)

14 oktober 2005 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 13 - Stappenplan aangifte (2)

21 februari 2007 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding, Bericht 110 - Aanbeveling Nationale Ombudsman aan Politie (Rapport 2007/034)

In 2001 wordt de scheiding tussen moeder en vader uitgesproken. Er volgen enkele mislukte bemiddelingspogingen bij de mediator en de kinderbescherming over de omgang tussen vader en zoon. Moeder weigert echter acht jaar lang elke medewerking. In maart 2007 bepaalt het gerechtshof in Leeuwarden dat er omgang tussen zoon en vader moet komen: “Wij kunnen geen enkele reden bedenken waarom het kind zijn vader niet zou kunnen zien.” Moeder geeft echter meteen aan het kind niet voor te zullen bereiden op omgang en wenst hieraan ook verder niet mee te werken. Het Gerechtshof bepaalt dan tevens dat vader m.b.v. de sterke arm van politie/justitie de uitvoering van het vonnis kan afdwingen. Toen vader zich echter na hernieuwde weigering van moeder uiteindelijk bij het politiebureau meldde, werd dit vonnis van het gerechtshof afgeserveerd als “civiele kwestie” en weigerde de politie actie te ondernemen!

Vanaf mei 2007 doet vader dan na elke gemiste omgang bij de politie aangifte van “onttrekking aan het ouderlijk gezag” (WvS, Art. 279). Eerst na veel aandringen bij, en briefwisselingen met, politie en justitie neemt de politie uiteindelijk deze aangifte op. In december 2008 wordt moeder eerst gedagvaard voor de politierechter. Al snel trekt de officier van Justitie de zaak terug en wordt de zaak nu komende donderdag voorgelegd aan de meervoudige strafkamer[1].

Vader

Vader Peter Brons uit Burgum (Frl) zag na 8 jaar wachten geen andere uitweg meer dan aangifte. Hij zegt: “Ik wil als vader graag deel uit blijven maken van het leven van mijn zoon, hem waar nodig helpen bij school en schoolkeuze, hem terzijde staan in verdriet en succes.” “Omdat er in Nederland t.a.v. FAMILY LIFE na scheiding echter tot nu toe geen enkele rechtshandhaving plaatsvindt, bepaald de moeder in feite naar eigen bevinden of een rechtsuitspraak wel of niet wordt nageleefd. In de praktijk heeft de rechtspraak dus geen enkele praktische betekenis. Als het gaat om moeders die verzoeken om rechtshandhaving, is de politie echter niets te dol en zet men klakkeloos het zwaailicht aan.”

Zittingsgegevens Rechtbank Leeuwarden

Tijdstip: donderdag 22 januari om 13.00 uur; Locatie: Rechtbank Leeuwarden, Zaailand 102 te Leeuwarden (Graag bij de balie aanmelden voor de zaak Norbruis - Zaal A)

Verdere inlichtingen bij:

Peter Brons (de vader in deze zaak), e. pbrons@chello.nl

Drs. Peter A.N. Tromp (Vaderkenniscentrum), t. 030-238 3636, e. vaderkenniscentrum@gmail.com



[1] Vanwege het unieke karakter en belang van deze zaak heeft het OM de zaak nu voorgelegd aan de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank. En vanwege de verwachte publieke belangstelling heeft de Rechtbank Leeuwarden de zitting van de donderdagmorgen naar de middag verplaatst. Verder besteed NOVA in haar uitzending van donderdagavond a.s. ook aandacht aan deze zaak.

Zie verder ook