Posts tonen met het label Vader Kennis Centrum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vader Kennis Centrum. Alle posts tonen

dinsdag, maart 26, 2013

568. Niet-nakomen 'omgang': Ervaringsverslag aangifte onttrekking (Art. 279 Sr)

-------------------------------------------
  • Betreft uitspraak LJN: BZ0555, Rechtbank Amsterdam, d.d. 24-12-2012 (Inhoud: Vrouw veroordeeld op grond van Art. 279 Sr vanwege het onttrekken aan het wettig gezag van het minderjarige kind aan de vader bij het niet-nakomen van de door de rechter beschikte omgangsregeling bij een situatie van gezamenlijk gezag over het kind.)
  • Zie hier voor een 'Stappenplan of handleiding voor het doen van aangifte van onttrekking (Art. 279 Sr) voor gezagsouders met een door de rechter beschikte omgangsregeling die niet nagekomen wordt'
-------------------------------------------
 
Ervaringen van een vader
De laatste tijd valt het op dat het Openbaar Ministerie (OM) in het geval van aangiftes van omgangsonttrekking op grond van Art. 279 Sr weer vaker niet ontvankelijk verklaard wordt.
Dit is een direct gevolg van een brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie die is geschreven in het kader van de totstandkoming van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding.

In uitspraak LJN: BZ0555 d.d. 24-12-2012 van de Rechtbank Amsterdam staat deze brief daarbij als volgt samengevat:
“Het naleven van een omgangsregeling dient volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever te worden gehandhaafd door middel van maatregelen van civielrechtelijke aard, zoals de dwangsom, lijfsdwang, afgiftebevel of het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft of de ondertoezichtstelling of aanwijzing van een bijzonder curator.”
Met andere woorden indien de ouder die aangifte wegens onttrekking aan het ouderlijk gezag, Art 279 Sr, doet, geen voorafgaande civiele procedure(s) heeft gevoerd om dwangmaatregelen te eisen, wordt het O.M. niet ontvankelijk verklaard.

Je heb je woede om de onrechtvaardigheid dat je je kind van je ex niet mee krijgt, terwijl de uitspraken van de rechtbank er duidelijk in zijn, kunnen kanaliseren.
Je gaat met de beschikkingen in de hand naar het politiebureau, waar je vaak in eerste instantie al te horen krijgt: “dit is een civiele zaak”.
Je kunt de politie, omdat je op deze mededeling voorbereid bent, ervan overtuigen dat het wel degelijk toch een strafzaak is en dat je aangifte wilt doen.
Je krijgt uiteindelijk een aangifte op papier.

Als een Officier van Justitie dan besluit om te vervolgen loop je echter de grote kans dat deze Officier niet ontvankelijk wordt verklaart omdat je geen voorafgaande civiele procedure gericht op handhaving van de omgangsregeling hebt gevoerd.

Je lange frustrerende weg om een aangifte op papier te krijgen is dan voor niks geweest.
Je ex komt met onttrekking aan het ouderlijk gezag (Art. 279 Sr) weg en de rechten van je kind op zorg van en omgang met de andere ouder (degene die de omgangsregeling heeft) leggen blijkbaar geen gewicht in de schaal. Je kind ziet jou niet en jij ziet je kind niet.

Terwijl het nota bene zwart op wit in de beschikking van de rechtbank staat.
Een verschrikkelijk onrechtvaardige situatie voor het kind en de ouder die elkaar toch al slechts op de weinige dagen van de beschikte omgangsregeling zien.

Voer eerst een civiele procedure tot handhaving van de omgang
De kans dat een Officier van Justitie besluit om niet te vervolgen wordt dus groter als er geen civiel rechtelijke procedure gevoerd is.
Hierdoor wordt je bijna verplicht, als je wilt dat het daadwerkelijk tot gerechtigheid komt, om een voorafgaande civielrechtelijke procedure, waarin je dwangmaatregelen eist, gevoerd te hebben voordat je aangifte doet/ kan doen van onttrekking aan het ouderlijk gezag.

Te gek voor woorden!
Waarbij je nog moet bedenken dat de ouder die afhankelijk is van de omgangsregeling, en waar het kind niet zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft, een ouder is die over het algemeen werkt en als zodanig vaak niet in aanmerking komt om civielrechtelijk te kunnen procederen op basis van een toevoeging. Dit brengt hoge en onnodige kosten voor de ‘omgangsouder’ met zich mee.

In deze zaak had ik als de vader al twee keer een “verzamelaangifte“ gedaan.
Een aangifte waarin in een keer meerdere overtredingen waren opgenomen. Ik had als vader een journaal aangelegd met alle communicatie en pogingen tot communicatie; sms-berichten, emails, (aangetekende) brieven en ontvangstbewijzen van aangetekende brieven (dit laatste via internet). Kortom alles gearchiveerd en gedocumenteerd.

Met behulp hiervan kon ik aannemelijk maken dat moeder willens en wetens de omgangsregeling frustreerde.

Omdat er in deze zaak al een civiele procedure, een kort geding, had plaatsgevonden voorafgaand aan het doen van de aangiftes merkte de rechtbank op;
"dat in dit geval niet kan worden geoordeeld dat er zodanig weinig civielrechtelijke pogingen zijn ondernomen dat dit aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging in de weg zou moeten staan".
Het verweer van de advocaat om het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren werd verworpen.

Aangifte doen bij de Jeugd- en zedenpolitie
Ik merkte bij de aangifte dat er bij de reguliere politie te weinig kennis is over het feit dat onttrekking aan de ouderlijke macht een strafbaar feit/strafzaak is. Uiteindelijk belandde ik bij de Jeugd- en Zedenpolitie waar een wereld voor mij open ging en waar wel iemand met kennis van zaken de “verzamelaangiftes” gedocumenteerd opnam.
Goede voorbereiding van de aangiften in de vorm van een verhaal met het refereren naar de beschikkingen en het bijvoegen van, indien mogelijk, uitgeprint bewijsmateriaal, is een pre.
En laat vooral de relevante sms-berichten als bewijs in je telefoon staan.

Voor de overtreding in de laatste “verzamelaangifte” is moeder uiteindelijk vervolgd. Een lange weg.

Meldt je bij aangifte ook aan bij Slachtofferhulp en 'voeg' je in de strafzaak
Vergeet daarbij ook niet om je bij de aangifte zelf al meteen via de politie als slachtoffer van een strafbaar feit bij Slachtofferhulp aan te melden. Je bent nl. technisch gezien in de strafzaak benadeelde of slachtoffer. Het echte slachtoffer is natuurlijk het kind dat altijd kind van de rekening is.
Via slachtofferhulp kun je informatie opvragen, zoals de datum van de behandeling van de strafzaak. De strafzitting is in principe openbaar.

Het verdient verder aanbeveling om je in overleg met Slachtofferhulp ook 'te voegen' in de strafzaak met een civiele schadevordering. Daaraan zijn geen verdere kosten verbonden en door je te voegen kun je als benadeelde of slachtoffer civiel de geleden schade terugvorderen , b.v. vergoeding van een gemiste vakantievlucht vanwege het niet op tijd overdragen van je kind. Ook in gevallen waarin de geleden schade beperkt is of vooral emotioneel, verdient het toch aanbeveling om je 'te voegen' aangezien je dan de stukken van de rechtzaak kunt opvragen.
Altijd goed om die achteraf rustig in te kunnen zien en indien de tegenpartij op basis van toevoeging procedeert zal er ongetwijfeld een hoger beroep komen.

Voorwaarden voor voeging in het strafproces

  • U heeft schade geleden door een strafbaar feit;
  • De verdachte is opgespoord;
  • U heeft uw schade of een deel daarvan niet op een andere manier vergoed gekregen;
  • De verdachte moet voorkomen, er vindt dus een strafzitting voor de rechter plaats;
  • De verdachte moet voorkomen voor het feit waarvan u slachtoffer bent geworden.
In mijn geval bleek dat er eerst een regiezitting was gepland waar de zaak niet inhoudelijk werd besproken.
De strafzaak werd door de meervoudige kamer behandeld. Misschien een teken dat de zaak serieus genomen werd?
Na herhaaldelijk weer bij Slachtofferhulp te hebben geïnformeerd, bleek dat er opnieuw een regiezitting gepland was.
Als vader heb ik toen met hulp van slachtofferhulp een brief naar de rechtbank/Officier van Justitie gestuurd met daarin de laatste gang van zaken - mijn ex bleef gewoon door gaan met het frustreren van de omgangsregeling - en het verzoek de regiezitting te mogen bijwonen, hetgeen werd toegestaan.
Op de regiezitting zelf werd mij eerst te verstaan gegeven dat ik niks kon zeggen maar gedurende de behandeling heb ik toch het een en ander kunnen zeggen.

Maak op de strafzitting gebruik van je spreekrecht als slachtoffer
Op de uiteindelijke strafbehandeling van de zaak heb ik gebruik gemaakt van mijn spreekrecht als slachtoffer en de rechtbank gevraagd om een duidelijk signaal af te geven;
“tot hier en niet verder. Als er geen sanctie staat op het niet naleven van de beschikking betekent dit een vrijbrief. Mevrouw, gaat u uw gang maar, u wordt toch niet bestraft.”

De boodschap hier is; je kunt heel veel zelf doen. Doe dat ook. Wees actief om voor de rechten van je kind(eren) op te komen en breng het op om er emotioneel en geestelijk ook toe in staat te zijn, hoe frustrerend, deprimerend en moeizaam dat ook allemaal vaak is. Zoek informatie, geef je mening in een brief aan de rechtbank en maak gebruik van je spreekrecht als slachtoffer op de strafzitting.

Al met al een lange weg waarin je als ouder met een omgangsregeling, waarvoor je hoogst waarschijnlijk in eerdere procedures al zoveel moeite hebt moeten doen, de instanties moet overtuigen dat je kind recht heeft om bij je te zijn, je als ouder te mogen kennen en liefde en zorg van je te mogen ontvangen.

Het knelpunt bij de vervolging van onttrekking volgens Art. 279 Sr bij het niet-nakomen van de beschikte omgang door de ‘verblijfsouder’ is nu het niet ontvankelijk verklaren van het O.M. door de strafrechter vanwege het ontbreken van voorafgaande civiele procedures door de ‘omgangsouder’.
Wil je de lange weg naar gerechtigheid ingaan, overweeg dan eerst een civiel rechtelijke procedure. Dit kan een kort geding zijn maar dan moet er wel een spoedeisend belang zijn.
Het voordeel van een strafzaak is/was dat je geen advocaat hoeft te betalen. Je kunt/kon, theoretisch, de handhaving van de omgangsregeling via een strafzaak afdwingen.
Nu lijkt het er op dat je toch eerst hoge kosten zult moeten maken door een advocaat te moeten nemen om een civiele procedure te voeren.

Onbegrijpelijk
Wie begrijpt de motivatie van ouders die hun kind niet de liefde van de andere ouder gunnen? Niemand, toch!?
Of begrijpt iedereen dat die ouders het kind als wapen inzetten om hun ex te straffen.
Dat het ontzettende egoïstische redenen zijn, waarbij ze totaal voorbij gaan aan het feit dat een kind recht heeft op een vader en een moeder, op de liefde en zorg van een vader en een moeder.

Peter Woudstra
Amsterdam, 26 maart 2013


_____
Disclaimer: Op deze website wordt geen sluitend juridisch advies gegeven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Deze website huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel er de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding besteedt wordt, zijn we niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid voor de gegeven adviezen en reacties.
_____

dinsdag, februari 05, 2013

567. Vrouw veroordeeld op grond van Art. 279 Sr wegens niet-nakomen van door de rechter beschikte omgangsregeling (LJN BZ0555, Rechtbank Amsterdam, 24-12-2012)

LJN: BZ0555, Rechtbank Amsterdam, 13/654195-11

Datum uitspraak: 24-12-2012
Datum publicatie: 05-02-2013
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaats: Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
De rechtbank heeft een vrouw veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur vanwege het op 8 juni 2011 onttrekken aan het wettig gezag van haar minderjarige kind aan de vader met wie een omgangsregeling was afgesproken.

Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/654195-11
Datum uitspraak: 24 december 2012

Tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],
geboren te [plaats] op [1967],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode] te [plaats].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Mannen en van wat de verdachte en haar raadsman mr. M.R.P. Hoppenbrouwers naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 08 juni 2011 (vanaf ongeveer 12.00 uur) te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [A] (geboren in 2004) , heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen niet voldaan aan de afspraak/overeenkomst ( welke ( gezamenlijk) was overeengekomen en/of afgesproken en/of vastgesteld met de vader van voornoemde minderjarige [A], die ( eveneens) het wettig gezag over voornoemde [A] uitoefende) om voornoemde minderjarige [A] op de afgesproken tijd ( te weten 8 juni 2011 om 12.00 uur) aan hem, de vader, over te dragen, immers heeft zij, verdachte voornoemde minderjarige [A] meegenomen naar en/of laten verblijven in een volkstuinencomplex zonder de vader daarvan in kennis te stellen en/of was zij, verdachte, ondanks het verzoek van de vader, weigerachtig om voornoemde minderjarige [A] aan de vader mee te geven.

2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en overige voorvragen
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een civiele kwestie waarbij de aangever civielrechtelijke wegen had moeten bewandelen als hij van mening was dat de vrouw, verdachte in deze zaak, de omgangsregeling niet nakwam. Het Openbaar Ministerie dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Hiertoe heeft de raadsman verwezen naar een brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie die is geschreven in het kader van de totstandkoming van de Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding. Het naleven van een omgangsregeling dient volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever te worden gehandhaafd door middel van maatregelen van civielrechtelijke aard, zoals de dwangsom, lijfsdwang, afgiftebevel of het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft of de ondertoezichtstelling of aanwijzing van een bijzonder curator. In deze zaak heeft de man zich tot op heden niet tot de civiele rechter gewend met een vordering tot het opleggen van voornoemde dwangmaatregelen. Het strafrecht en dan met name artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht is niet bedoeld voor een situatie als de onderhavige. Volgens de raadsman is er, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 september 2012, LJN: BX8691, geen plaats voor strafrechtelijke handhaving waar nog (ruime) civielrechtelijke mogelijkheden zijn. In die zaak heeft het Openbaar Ministerie zelf de niet-ontvankelijkheid gevorderd.

De officier van justitie heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het opportuniteitsbeginsel verwoord. Dit houdt in dat het Openbaar Ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten, de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, slechts marginaal ter beoordeling van de rechter. Slechts indien het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

Het is de rechtbank niet gebleken dat in de onderhavige zaak van een dergelijke situatie sprake is, ook al heeft de aangever wellicht niet alle civielrechtelijke dwangmiddelen bij de civiele rechter afgedwongen. Vast staat in ieder geval dat in de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2008 afspraken zijn gemaakt over een omgangs- en vakantieregeling. Vervolgens is op 3 april 2008 door de Voorzieningenrechter te Amsterdam tussen aangever en verdachte een vonnis gewezen waarin de omgangsregeling nader is uitgewerkt. De reguliere omgangsregeling vormt geen probleem tussen aangever en verdachte, maar vanaf 2008 zijn aangever en verdachte in conflict over de interpretatie van de vakantieregeling. Sindsdien hebben aangever en verdachte over en weer al dan niet middels advocaten gecorrespondeerd en tevergeefs getracht om hier overeenstemming over te krijgen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in een geval als het onderhavige eerst het nodige op civielrechtelijk gebied dient te worden betracht, echter in dit geval kan niet worden geoordeeld dat er zodanig weinig civielrechtelijke pogingen zijn ondernomen dat dit aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging in de weg zou moeten staan. Het verweer wordt verworpen.

Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging. Voorts is de dagvaarding geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [A] op 8 juni 2011 aan het gezag van aangever heeft onttrokken nu de overdracht conform het vakantieschema op 8 juni 2011 heeft plaatsgevonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op de bewuste dag (8 juni 2011) moest [A] om 12.00 uur worden overgedragen aan haar vader. Verdachte wilde haar dochter die dag niet meegeven omdat zij – op advies van haar toenmalige advocaat – eigenhandig een dag wilde compenseren die de vader (aangever) zich naar haar mening ten onrechte op 29 april 2011 had toegeëigend. Verdachte is, zonder de vader hiervan op de hoogte te stellen, met haar dochter naar het volkstuincomplex gegaan. Ze heeft hierdoor opzettelijk niet voldaan aan de vastgestelde omgangsregeling. Het verweer dat zij een dag wilde compenseren, gaat niet op omdat de vader op 29 april 2011 gerechtigd was om [A] volgens de omgangsregeling bij zich te hebben. Dat hij [A] die dag niet naar school heeft laten gaan zonder overleg met verdachte is een andere kwestie.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 08 juni 2011 vanaf 12.00 uur te Amsterdam, opzettelijk een minderjarige, te weten [A] (geboren in 2004) , heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen niet voldaan aan de omgangsregeling welke was vastgesteld met de vader van voornoemde minderjarige [A], die eveneens het wettig gezag over voornoemde [A] uitoefende, om voornoemde minderjarige [A] op de afgesproken tijd (te weten 8 juni 2011 om 12.00 uur) aan hem, de vader, over te dragen, immers heeft zij, verdachte voornoemde minderjarige [A] meegenomen naar en laten verblijven in een volkstuinencomplex zonder de vader daarvan in kennis te stellen en was zij, verdachte, ondanks die omgangsregeleling welke was vastgesteld, weigerachtig om voornoemde minderjarige [A] aan de vader mee te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen, waarvan een gedeelte, groot 40 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank zal de officier van justitie in haar eis volgen. Dit om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden de strijd die zij met aangever voert over de uitleg van de vakantieregeling over de rug van [A] te voeren. De belangen van [A] dienen voorop te staan en zwaarder te wegen dan die van verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.B. Martens, voorzitter, mrs. E. Dinjens en G.W.A. Lamsvelt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2012.





_____
Disclaimer: Op deze website wordt geen sluitend juridisch advies gegeven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. Deze website huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel er de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding besteedt wordt, zijn we niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid voor de gegeven adviezen en reacties.
_____

woensdag, januari 30, 2013

565. Gescheiden vaders - In het belang van het kind

Download of bekijk hier de PDF-versie van het artikel 'Gescheiden vaders - In het belang van het kind" (20 december 2012) door Jenny Velthuijs voor het Kerstnummer 2012 van De Groene Amsterdammer met een interview met Peter Tromp, Louis Tavecchio en Marciano Trustfull.

Klik op de afbeelding voor een beter leesbare versie.

Klik op de afbeelding voor een beter leesbare versie.

Klik op de afbeelding voor een beter leesbare versie.

Klik op de afbeelding voor een beter leesbare versie.




donderdag, november 15, 2012

562. EO De Vijfde Dag - Wanhopige strijd om kind - Pieter wil zijn zoon weer zien

Uitzending van EO - De Vijfde Dag op donderdagavond 15 november 2012 om 21.05 uur op Nederland 2

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


Pieter is boos op Jeugdzorg, omdat hij vindt dat ze hem tegen werken in het contact met zijn zoon. Sinds 2008 heeft Pieter zijn zoon door toedoen van jeugdzorg en de moeder niet meer gesproken. De Vijfde Dag over een vader die al ruim 10 jaar vecht voor een normale omgang met zijn zoon en in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek vrijwel op alle punten gelijk krijgt, maar desondanks nog steeds met lege handen staat.

Je zult het contact met je eigen kind verliezen. Jaarlijks overkomt dat vele duizenden ouders in Nederland. De Vijfde Dag volgt Pieter, die sinds zijn scheiding in 2001 een wanhopige strijd voert om zijn zoon Max te mogen zien.

Pieter heeft een omgangsregeling die hem het recht geeft om Max eens in de zoveel tijd te zien, maar zijn ex-vrouw weigert daar aan mee te werken. Als Pieter Max eens bij haar op komt halen, zegt zij dat hij ziek is. Wanneer hij zijn zoon toch meeneemt, belt zij de politie om aangifte te doen van ontvoering. Pieter wordt klemgereden door vier politieauto's en moet mee naar het bureau.

Ook de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg maakt niet dat Pieter zijn zoon vaker kan zien. Integendeel: in 2011 wordt het hem zelfs verboden om zijn zoon nog langer te zien. Volgens Jeugdzorg is dat om rust voor Max te creëren. Maar een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de rechter stelt Pieter in bijna alle punten in het gelijk. Jeugdzorg heeft gefaald, want de problemen van Max zijn alleen maar toegenomen tijdens hun bemoeienis.

De weg lijkt vrij voor Pieter om weer contact met Max op te nemen. Maar dat blijkt ingewikkelder dan het lijkt. En wil Max zijn vader eigenlijk wel zien?

Studiodiscussie
In de studio discussiëren Jan Dirk Sprokkereef van Jeugdzorg Nederland en familieadvocaat Resit Kaya met elkaar over de vraag hoe Bureau Jeugdzorg de waarheid kan achterhalen wanneer beide ouders elkaar tegenspreken. En hoe sterk moet de mening van het kind worden meegewogen?

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
EO - De Vijfde Dag : 14-11-2012

Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem.

Ouders die problemen ondervinden met een omgangsregeling, omdat de andere ouder niet meewerkt, kunnen een tweetal wegen bewandelen. Ze kunnen naar een advocaat stappen, die een civiele procedure start, maar ze kunnen ook naar de politie stappen en aangifte doen. Die laatste route blijkt door de opstelling van politie en justitie echter zelden succesvol. Ze verwijzen doorgaans terug naar het civiel recht.

Ten onrechte, volgens Benjamin Wondergem, die als recherchekundige én ervaringsdeskundige onderzoek deed onder politie en justitie naar hoe aangiftes bij omgangsproblemen worden behandeld. ,,Ik heb in mijn onderzoek gemerkt dat er veel te weinig kennis is, zowel bij de politie als bij justitie, over wat de strafrechtelijke mogelijkheden zijn als iemand weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Daardoor zijn agenten, maar ook officieren van justitie weinig geneigd om aangiftes op te nemen en te vervolgen.’’

Kinderen de dupe
De route via de familierechter is vaak een lange, geldverslindende procedure die soms jarenlang duurt, volgens Wondergem. ,,Daardoor worden kinderen onnodig gedupeerd. Hoe langer zoiets duurt, hoe moeilijker de situatie komt te liggen. Omdat kinderen steeds meer loyaliteit ervaren richting de ouder bij wie ze wonen en daardoor bij ruzie tussen de ouders ook steeds meer vervreemd raken van de andere ouder. Er moet dus snel gehandeld worden.’’

Het strafrecht biedt mogelijkheden om snel en effectief te handelen, volgens Wondergem. Toch biedt het geen garantie op succes: ,,Als je een ouder- veroordeelt, geeft dat nog geen garantie dat de andere ouder daarna het kind wel kan zien. Maar het is in ieder geval een belangrijk signaal naar ouders toe, dat ze niet zomaar ongestraft niét mee kunnen werken aan een omgangsregeling.’’

Mediation
De echte oplossing zit er volgens Wondergem in dat ouders beseffen wat ze hun kind aandoen, door voortdurend confrontaties te zoeken en niet mee te werken. ,,Als politie en justitie snel handelen en de zaak voor de rechter komt, moet er eigenlijk direct mediation komen. Verplichte behandeling! Een ouder moet inzien wat hij of zij een kind aandoet door het van de andere ouder weg te houden en daarmee het kind in een conflictsituatie te plaatsen.’’

+ Handleiding Aangifte Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij niet nakomen omgang bij gezamenlijk gezag van het Vader Kennis Centrum

Bij deze reportage

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem hier.


VADER KENNIS CENTRUM
Informatie en kennis die eraan bijdraagt om de rol van beide ouders bij de opvoeding van, de zorg voor en het onderwijs aan kinderen op waarde te schatten en met overheidsbeleid te ondersteunen. Zie hier.

Samenvatting kijkersreacties: Kijker overwoog zelfmoord door omgangsproblemen
Een samenvatting van de bijna tweehonderd reacties leverde de reportage over omgangsproblemen op, die De Vijfde Dag op donderdag 15 november 2012 uitzond. Sommige kijkers hebben zelfs zelfmoord overwogen vanwege de omgangsproblemen. U leest de samenvatting hier.

Wat kun je doen als je ex-partner niet meewerkt aan een omgangsregeling?
Je ex-partner staat je niet toe je kind te blijven zien. De afgesproken omgangsregeling wordt niet nageleefd. Wat kun je dan doen? De Vijfde Dag zet het hier op een rijtje.

Waarom Max onherkenbaar is gemaakt
De Vijfde Dag heeft er bewust voor gekozen om ‘Max’ onherkenbaar in beeld te brengen. Dit omdat de minderjarige jongen al slachtoffer is van de situatie waarin hij zich bevindt en hij niet ook nog eens ‘slachtoffer’ moet worden van een uitzending waarin de ruzie tussen zijn ouders centraal staat. Zie verder hier.


woensdag, november 14, 2012

560. 'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
Achtergrondartikel, 15-11-2012

Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt het Vader Kennis Centrum (VKC).

Ouders die problemen ondervinden met een omgangsregeling, omdat de andere ouder niet meewerkt, kunnen een tweetal wegen bewandelen. Ze kunnen naar een advocaat stappen, die een civiele procedure start, maar ze kunnen ook naar de politie stappen en aangifte doen. Die laatste route blijkt door de opstelling van politie en justitie echter zelden succesvol. Ze verwijzen doorgaans terug naar het civiel recht.

Ten onrechte, volgens het VKC, die onderzoek deed onder politie en justitie naar hoe aangiftes bij omgangsproblemen worden behandeld. Het bestuur van het VKC heeft bij dit onderzoek gemerkt dat er veel te weinig kennis is, zowel bij de politie als bij justitie, over wat de strafrechtelijke mogelijkheden zijn als iemand weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Daardoor zijn agenten, maar ook officieren van justitie weinig geneigd om aangiftes op te nemen en te vervolgen.

Kinderen de dupe
De route via de familierechter is vaak een lange, geldverslindende procedure die soms jarenlang duurt, volgens het VKC. Daardoor worden kinderen onnodig gedupeerd. Hoe langer zoiets duurt, hoe moeilijker de situatie komt te liggen. Omdat kinderen steeds meer loyaliteit ervaren richting de ouder bij wie ze wonen en daardoor bij ruzie tussen de ouders ook steeds meer vervreemd raken van de andere ouder. Er moet dus snel gehandeld worden.

Het strafrecht biedt mogelijkheden om snel en effectief te handelen, volgens VKC. Toch biedt het geen garantie op succes: Als je een ouder- veroordeelt, geeft dat nog geen garantie dat de andere ouder daarna het kind wel kan zien. Maar het is in ieder geval een belangrijk signaal naar ouders toe, dat ze niet zomaar ongestraft niét mee kunnen werken aan een omgangsregeling.

Mediation
De echte oplossing zit er volgens het VKC in dat ouders beseffen wat ze hun kind aandoen, door voortdurend confrontaties te zoeken en niet mee te werken. Als politie en justitie snel handelen en de zaak voor de rechter komt, moet er eigenlijk direct mediation komen. Verplichte behandeling! Een ouder moet inzien wat hij of zij een kind aandoet door het van de andere ouder weg te houden en daarmee het kind in een conflictsituatie te plaatsen.

Handleiding Aangifte Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij niet nakomen omgang bij gezamenlijk gezag van het Vader Kennis Centrum


Wanhopige strijd om kind: Pieter wil zijn zoon weer zien
EO - De Vijfde Dag, Uitzending op donderdag 15 november om 21.05 uur op Nederland 2

Pieter is boos op Jeugdzorg, omdat hij vindt dat ze hem tegen werken in het contact met zijn zoon. Sinds 2008 heeft Pieter zijn zoon niet meer gesproken. De Vijfde Dag over een vader die al ruim 10 jaar vecht voor een normale omgang met zijn zoon en in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek vrijwel op alle punten gelijk krijgt, maar desondanks nog steeds met lege handen staat. (EO - De Vijfde Dag, Uitzending op donderdag 15 november om 21.05 uur op Nederland 2).

Je zult het contact met je eigen kind verliezen. Jaarlijks overkomt dat vele duizenden ouders in Nederland. De Vijfde Dag volgt Pieter, die sinds zijn scheiding in 2001 een wanhopige strijd voert om zijn zoon Max te mogen zien.

Pieter heeft een omgangsregeling die hem het recht geeft om Max eens in de zoveel tijd te zien, maar zijn ex-vrouw weigert daar aan mee te werken. Als Pieter Max eens bij haar op komt halen, zegt zij dat hij ziek is. Wanneer hij zijn zoon toch meeneemt, belt zij de politie om aangifte te doen van ontvoering. Pieter wordt klemgereden door vier politieauto's en moet mee naar het bureau.

Ook de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg maakt niet dat Pieter zijn zoon vaker kan zien. Integendeel: in 2011 wordt het hem zelfs verboden om zijn zoon nog langer te zien. Volgens Jeugdzorg is dat om rust voor Max te creëren. Maar een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de rechter stelt Pieter in bijna alle punten in het gelijk. Jeugdzorg heeft gefaald, want de problemen van Max zijn alleen maar toegenomen tijdens hun bemoeienis.

De weg lijkt vrij voor Pieter om weer contact met Max op te nemen. Maar dat blijkt ingewikkelder dan het lijkt. En wil Max zijn vader eigenlijk wel zien?

Studiodiscussie
In de studio discussiëren Jan Dirk Sprokkereef van Jeugdzorg Nederland en familieadvocaat Resit Kaya met elkaar over de vraag hoe Bureau Jeugdzorg de waarheid kan achterhalen wanneer beide ouders elkaar tegenspreken. En hoe sterk moet de mening van het kind worden meegewogen?

Uitzending van EO - De Vijfde Dag op donderdagavond 15 november 2012 om 21.05 uur op Nederland 2



Pieter is boos op Jeugdzorg, omdat hij vindt dat ze hem tegen werken in het contact met zijn zoon. Sinds 2008 heeft Pieter zijn zoon door toedoen van jeugdzorg en de moeder niet meer gesproken. De Vijfde Dag over een vader die al ruim 10 jaar vecht voor een normale omgang met zijn zoon en in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek vrijwel op alle punten gelijk krijgt, maar desondanks nog steeds met lege handen staat. Je zult het contact met je eigen kind verliezen. Jaarlijks overkomt dat vele duizenden ouders in Nederland. De Vijfde Dag volgt Pieter, die sinds zijn scheiding in 2001 een wanhopige strijd voert om zijn zoon Max te mogen zien. Pieter heeft een omgangsregeling die hem het recht geeft om Max eens in de zoveel tijd te zien, maar zijn ex-vrouw weigert daar aan mee te werken. Als Pieter Max eens bij haar op komt halen, zegt zij dat hij ziek is. Wanneer hij zijn zoon toch meeneemt, belt zij de politie om aangifte te doen van ontvoering. Pieter wordt klemgereden door vier politieauto's en moet mee naar het bureau. Ook de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg maakt niet dat Pieter zijn zoon vaker kan zien. Integendeel: in 2011 wordt het hem zelfs verboden om zijn zoon nog langer te zien. Volgens Jeugdzorg is dat om rust voor Max te creëren. Maar een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de rechter stelt Pieter in bijna alle punten in het gelijk. Jeugdzorg heeft gefaald, want de problemen van Max zijn alleen maar toegenomen tijdens hun bemoeienis. De weg lijkt vrij voor Pieter om weer contact met Max op te nemen. Maar dat blijkt ingewikkelder dan het lijkt. En wil Max zijn vader eigenlijk wel zien? Studiodiscussie In de studio discussiëren Jan Dirk Sprokkereef van Jeugdzorg Nederland en familieadvocaat Resit Kaya met elkaar over de vraag hoe Bureau Jeugdzorg de waarheid kan achterhalen wanneer beide ouders elkaar tegenspreken. En hoe sterk moet de mening van het kind worden meegewogen?  

Bij deze reportage 'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling' Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt het Vader Kennis Centrum (zie achtergrondartikel hierboven).
 
VADER KENNIS CENTRUM Informatie en kennis die eraan bijdraagt om de rol van beide ouders bij de opvoeding van, de zorg voor en het onderwijs aan kinderen op waarde te schatten en met overheidsbeleid te ondersteunen. Zie hier.

Samenvatting kijkersreacties: Kijker overwoog zelfmoord door omgangsproblemen Een samenvatting van de bijna tweehonderd reacties leverde de reportage over omgangsproblemen op, die De Vijfde Dag op donderdag 15 november 2012 uitzond. Sommige kijkers hebben zelfs zelfmoord overwogen vanwege de omgangsproblemen. U leest de samenvatting hier.  

Wat kun je doen als je ex-partner niet meewerkt aan een omgangsregeling? Je ex-partner staat je niet toe je kind te blijven zien. De afgesproken omgangsregeling wordt niet nageleefd. Wat kun je dan doen? De Vijfde Dag zet het hier op een rijtje.  

Waarom Max onherkenbaar is gemaakt De Vijfde Dag heeft er bewust voor gekozen om ‘Max’ onherkenbaar in beeld te brengen. Dit omdat de minderjarige jongen al slachtoffer is van de situatie waarin hij zich bevindt en hij niet ook nog eens ‘slachtoffer’ moet worden van een uitzending waarin de ruzie tussen zijn ouders centraal staat. Zie verder hier.
 

donderdag, november 08, 2012

558. Rapport van de Kinderombudsman over de effectiviteit van de ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen (zgn. omgangs-OTS)

Rapport 2012/166 - De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen - Onderzoek op eigen initiatief naar aanleiding van klachten en signalen over de Bureaus Jeugdzorg
Bron: De Kinderombudsman / De Nationale Ombudsman – Rapport 2012/166 - Datum: 08-11-2012
  • Download hier het volledige rapport ‘De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen - Onderzoek op eigen initiatief naar aanleiding van klachten en signalen over de Bureaus Jeugdzorg’; De Kinderombudsman en De Nationale Ombudsman, Rapportnummers: 2012/166 en KOM5A/2012, Datum: 6 november 2012

Samenvatting


Aanleiding
Wanneer conflicten tussen twee gescheiden ouders voor zodanige problemen bij het kind zorgen dat de ontwikkeling van dat kind bedreigd raakt, kan de rechter een ondertoezichtstelling opleggen. Die ondertoezichtstelling heeft als doel om de bedreigde ontwikkeling van het kind weg te nemen. Zowel de Nationale ombudsman als de Kinderombudsman ontvangen regelmatig klachten en signalen van kinderen en ouders die problemen hebben met de manier waarop de gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg deze ondertoezichtstelling, en met name de omgangsregeling, uitvoert. Deze signalen en klachten waren aanleiding voor een breed onderzoek.

Opzet
De vraag die bij dit onderzoek centraal heeft gestaan is:
"Welke problemen doen zich voor in de relatie tussen ouders en Bureau Jeugdzorg in gevallen van ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen, en op welke manier kunnen Bureaus Jeugdzorg deze problemen verminderen, bezien vanuit de behoorlijkheidsvereisten en kinderrechten?"

Doel onderzoek
Met dit onderzoek willen de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman een bijdrage leveren aan de uitvoeringspraktijk van deze ondertoezichtstellingen. Gezocht is naar mogelijkheden voor verandering in de hele keten, zodat álle betrokkenen minder problemen ervaren in de uitvoering van deze ondertoezichtstellingen. De betrokkenen hebben het idee het nooit goed te doen en dat het kind daar als eerste de dupe van is.

Uitvoering onderzoek
Met Bureaus Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming, kinderrechters, advocaten en enkele deskundigen zijn gesprekken gevoerd over hun huidige betrokkenheid bij deze ondertoezichtstellingen. Daarbij zijn knelpunten en succesfactoren verzameld. Daarna is een expertmeeting georganiseerd waar drie betrokken Bureaus Jeugdzorg hun best practices met de andere aanwezigen hebben gedeeld, met aansluitend een korte discussie. Ook is literatuuronderzoek gedaan vanuit de vraag: welke kennis is al beschikbaar over dit onderwerp?

Korte analyse
Op het moment dat de rechter een ondertoezichtstelling oplegt, voeren de ouders vaak al een aantal jaren een strijd. Een strijd waar al meerdere professionals bij betrokken zijn geweest, zoals bijvoorbeeld rechters die uitspraak hebben gedaan over de boedelscheiding, de omgangsregeling en de alimentatie. Maar ook de Raad voor de Kinderbescherming is erbij betrokken geweest, om onderzoek te doen voorafgaand aan de ondertoezichtstelling. Soms is ook al vrijwillige hulp geweest vanuit Bureau Jeugdzorg. Verder hebben beide ouders vaak ook nog een (of meerdere) advocaten die hen ondersteunen bij de procedures. Kortom, er zijn diverse betrokkenen bij het gezinssysteem met elk hun eigen dynamiek.

Bij de start van een ondertoezichtstelling zijn de verwachtingen vaak hooggespannen. Inherent aan het probleem is echter dat er juist vanwege de strijd voor een gezinsvoogd niet meteen veel te bereiken valt. En dan volgt er teleurstelling van een of beide ouders met vaak klachten en/of nieuwe procedures tot gevolg.

Uitwisseling kennis en ervaring
Uit het onderzoek blijkt dat verschillende Bureaus Jeugdzorg een eigen aanpak voor deze ondertoezichtstelling hebben ontwikkeld en dat zij daarbij meer van elkaar zouden kunnen leren.

Kwaliteitskader en goede voorbereiding
Een belangrijk onderdeel van deze eigen praktijken is de zeer grondige voorbereiding en de analyse van het conflict van de ouders. Ook de manier van communiceren met ouders hoort daarbij.

Belang van het kind
Het blijkt dat de betrokken instanties de wens van het (oudere) kind om geen omgang te willen met de uitwonende ouder veelal respecteren. In die gevallen zien zij de wens van het kind als belang van het kind. Soms is deze wens van het kind niet authentiek, omdat de thuiswonende ouder op basis van al dan niet expliciet afgedwongen loyaliteit het kind beïnvloedt, zeker wanneer deze ouder zijn of haar scheiding nog niet heeft verwerkt.

Samenwerking in de keten
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman constateren verder dat de samenwerking in de keten per regio verschilt. De samenwerking tussen Bureaus Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming vindt in de ene regio in een eerder stadium plaats dan in de andere. Samenwerking in een vroeg stadium zorgt voor betere informatie-uitwisseling. Als Bureau Jeugdzorg ook bij de rechtszitting is, kan de rechter tijdens de zitting een zaak met alle partijen bespreken, afspraken maken en Bureau Jeugdzorg een goede start geven.

Aanbod hulpverlening
Ook is uit het onderzoek gebleken dat het hulpverleningsaanbod voor ouders en kinderen niet landelijk dekkend is en dat de inzet van vrijwillige hulpverlening bij begeleide omgang omstreden is. Dit maakt het voor de Bureaus Jeugdzorg moeilijk om effectief te opereren en dat baart de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman zorgen.

Effectiviteit van een ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman realiseren zich dat de conflictdynamiek in scheidingszaken extra hoge eisen stelt aan de professionaliteit van de gezinsvoogd. Het ingrijpen van overheidswege kan, gelet op de partijdige insteek van de ouders zelf, immers in veel gevallen als niet neutraal over komen. De maatregel kan zelfs bijdragen tot verdere escalatie. Het is daarom de vraag, hoe effectief een ondertoezichtstelling kan zijn. De instanties monitoren de effecten van de ondertoezichtstellingen niet. De indruk van de Nationale ombudsman en Kinderombudsman is, dat effecten sterk afhangen van professionaliteit en competenties van gezinsvoogden. De ondertoezichtstelling is een ingrijpende maatregel, waarvan de effectiviteit wel gemonitord zou moeten worden.
  • Download hier het volledige rapport ‘De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen - Onderzoek op eigen initiatief naar aanleiding van klachten en signalen over de Bureaus Jeugdzorg’; De Kinderombudsman en De Nationale Ombudsman, Rapportnummers: 2012/166 en KOM5A/2012, Datum: 6 november 2012


woensdag, september 19, 2012

556. Nederlander (71%) vindt co-ouderschap beste ouderschapsregeling na scheiding (Opinieonderzoek IPSOS Synovate / Vader Kennis Centrum)

Meerderheid Nederlanders (71%) is voorstander van co-ouderschap na scheiding: Vrouwen (76%) nog wat meer dan mannen (67%)

Persbericht Vader Kennis Centrum, 14 september 2012

In verband met de Dag voor de Scheiding 2012 op vrijdag 14 september heeft het Vader Kennis Centrum door opinieonderzoeksbureau IPSOS Synovate bij haar verkiezingsonderzoek ("De Politieke Barometer") onder een representatieve steekproef Nederlanders, ook een aantal onderzoeksvragen laten meelopen naar de voorkeuren en meningen van het Nederlandse publiek over de huidige regeling(en) van het ouderschap na scheiding.

A. De belangrijkste hoofduitkomsten van het opinie-onderzoek van IPSOS Synovate in opdracht van het Vader Kennis Centrum zijn:
  • Ruim een tweederde meerderheid (zeven op de tien) van de Nederlanders vindt dat co-ouderschap de beste oplossing is na een scheiding.
  • Bijna de helft (45%) van de Nederlanders vindt dat co-ouderschap na een scheiding ook al mogelijk moet zijn vanaf de geboorte.
  • Acht op de tien vinden dat scholen en instanties beide ouders na de scheiding op gelijke wijze moeten informeren en betrekken bij de ontwikkeling van hun kind.
  • Iets meer dan de helft (53%) vindt dat de naleving van ouderschaps- en omgangsregelingen na een scheiding beter door de rechtbank en de politie gehandhaafd moeten worden.

B. De uitgesplitste uitkomsten naar (a)geslacht (man/vrouw), (b) regio, (c) leeftijd, (d) opleiding en (e) politieke voorkeur (VVD, PvdA, SP, PVV, D66 en CDA):
In het opinieonderzoek naar de ouderschapsreglingen na een scheiding zijn de resultaten daarnaast eveneens uitgesplitst naar geslacht (man/vrouw), regio, leeftijd, opleiding en politieke voorkeur.
Daaruit komen nog een aantal highlights. Zo blijkt bijv. dat:
  • Nederlandse vrouwen hebben een significant sterkere voorkeur voor co-ouderschap na scheiding dan mannen (Vrouwen: 76%; Mannen: 67%)
  • Vrouwen zijn daarbij significant meer dan mannen van mening dat co-ouderschap na scheiding ook niet aan de leeftijd van de kinderen is gebonden en bij een scheiding ook al vanaf de geboorte van de kinderen kan beginnen. (Vrouwen: 52%; Mannen: 39%)
  • Middelbaar (74%) en hoger (75%) opgeleide Nederlanders vinden co-ouderschap significant vaker de beste oplossing na een scheiding dan lager opgeleiden (64%).
  • De oudere generatie Nederlanders (50 plus: 76%) vindt co-ouderschap significant vaker de beste oplossing na een scheiding dan de generatie 35 t/m 49 jarigen (66%).
  • Nederlanders met een PvdA- (79(%) en D66- (80%) voorkeur bij de landelijke verkiezingen vinden co-ouderschap significant (nog) vaker de beste oplossing na een scheiding dan bijv. de Nederlanders met een CDA-(66%) of PVV- (69%) voorkeur.
  • Nederlanders met een PvdA-voorkeur vinden significant vaker (87%) dan Nederlanders met een SP-voorkeur (79%), dat scholen en instanties beide ouders op gelijke wijze moeten informeren en betrekken bij de ontwikkeling van hun kind na de scheiding.
  • En de oudere generatie Nederlanders (50-plus: 84%) vindt nog significant vaker dan de jongere generatie (t/m 34 jaar: 75%) dat scholen en instanties beide ouders na de scheiding op gelijke wijze zouden moeten informeren en betrekken bij de ontwikkeling van hun kind.

Verantwoording
Het onderzoek is online uitgevoerd door IPSOS Synovate in opdracht van het Vader Kennis Centrum onder een representatieve steekproef van 1.243 Nederlanders van 18 jaar en ouder. De resultaten zijn achteraf gewogen op leeftijd, geslacht, opleiding en regio, zodat de groep ondervraagden een goede afspiegeling vormt van de Nederlandse samenleving.

Toelichting
Eenzelfde onderzoek heeft eerder ook in België plaats gevonden en werd gepubliceerd in de grootste Belgische franstalige krant Le Soir van 25 juni 2012:

Zie voor het originele Le Soir artikel over het Belgische onderzoek:
  • Divorce : la garde alternée a la cote (Le Soir Belge - DORZEE, HUGUES - Page 7 - Lundi 25 juin 2012)
  • Une majorité de Belges préconise la garde alternée (Le Soir Belge - Page 1 - Lundi 25 juin 2012)

Nederlandse vertaling van het Le Soir artikel:
  • Opinieonderzoek - Een meerderheid van 69,5% van de Belgen is voorstander van verblijfsco-ouderschap (Vader Kennis Centrum (VKC), maandag, 25 juni 2012)

En in samenwerking met de partnerorganisaties van het Vader Kennis Centrum binnen het Platform voor Europese Vaders (PEV) zullen deze opinieonderzoeken ook in andere Europese landen nog plaats gaan vinden.

Op aanvraag zijn bij het Vader Kennis Centrum de onderliggende tabellen en resultaten van het in opdracht van Vader Kennis Centrum door IPSOS Synovate uitgevoerde opinie-onderzoek met de hoofdresultaten en de uitsplitsingen naar (a) geslacht (man/vrouw), (b) regio, (c) leeftijd, (d) opleiding en (e) politieke voorkeur (VVD, PVV, PvdA, SP, D66 en CDA) verkrijgbaar.

Meer inlichtingen bij:

Vader Kennis Centrum (VKC)
M. 06.24506249
E. secretariaat@vaderkenniscentrum.nl
Urls: www.vaderkenniscentrum.nl
www.vaderdagtrofee.nl


Wat doet Vader Kennis Centrum
Het Vader Kennis Centrum uit Utrecht bevordert gelijkwaardig ouderschap, betrokken vaderschap en een meer vaderinclusief beleid bij overheden, instanties en werkgevers. Het centrum richt zich daarbij op de ontsluiting van informatie en kennis die eraan bijdraagt om de rol van beide ouders en genders bij de opvoeding van, de zorg voor en het onderwijs aan kinderen op waarde te schatten en met overheidsbeleid te ondersteunen op een wijze die aan inzet en betrokkenheid van beide ouders en genders voor kinderen recht doet.

Dit doet zij onder meer met de volgende activiteiten:
  • Het Vader Kennis Centrum organiseert een jaarlijks Vaderschapssymposium en de jaarlijkse uitreiking van de Vaderdagtrofee (m/v) voor vaderschapsinitiatieven i.s.m. de Universiteit van Amsterdam.
  • De stichting Vader Kennis Centrum heeft verder o.m. een advies- en hulptelefoon voor (gescheiden) ouders en vaders, beheert een aantal voorlichtingswebsites voor ouders en vaders, die dagelijks bekeken worden door gemiddeld 175 unieke lezers en verspreidt de email-nieuwsbrief "Gescheiden Ouders en Kinderen" met ruim 300 abonnees.




zondag, mei 20, 2012

550. Uitnodiging tot aanmelding voor het symposium 'Betrokken vaders, gedeeld ouderschap' :: Amsterdam, vrijdag 15 juni 2012, 10:00 - 16:30 uur

Datum: Vrijdag 15 juni (10.00 - 16.30 uur)
Locatie: P.C. Hoofthuis van de Universiteit van Amsterdam, Spuistraat 134, 1012 VB Amsterdam (Zaal 104)


Organisatie: Vader Kennis Centrum i.s.m. Universiteit van Amsterdam
Mogelijk gemaakt door: Bernard van Leer Foundation

Programma symposium 'Betrokken vaders, gedeeld ouderschap'
Dagvoorzitter: Louis Tavecchio (em. hoogleraar pedagogiek)
-----------------------------
Vanaf 10.00 uur: Zaal open: Ontvangst en inschrijving, koffie, thee
-----------------------------
10.30 uur: Opening door dagvoorzitter Louis Tavecchio

10.35 - 11.15: “Opvoedingsondersteuning voor vaders van nu”
Saskia de Hoog, sociaal-psycholoog en onderzoeker bij E-Quality, kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit

11.15 - 11.55: “Vader zijn na echtscheiding
Kim Bastaits, wetenschappelijk medewerker Universiteit Antwerpen onderzoeksgroep CELLO - Studiedienst van de Vlaamse Regering

11.55 - 12.35: “Aanpakken voor aanstaande vaders: een zwangerschapscursus voor mannen”
David Borman, verloskundige, trainer en vader
-----------------------------
12.35 - 13.30: Lunchpauze (Lunch tegen kostprijs verkrijgbaar)
-----------------------------
13.30 - 14.10: “Vaders in perspectief: kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van vaders over het verlies van vaderschap en welke rol de hulpverlening hierin speelt”
Mike Barendse, Myrte van der Heijden, Patricia van Reede en Didy Padberg, studenten van de Hogeschool van Amsterdam, opleiding Maatschappelijk Werk & Dienstverlening

14.10 – 14.50: Verdeling van de zorg – en opvoedingstaken in de praktijk: een kwalitatief onderzoek onder uitwonende ouders bij scheiding"
Paulina Kruimer, Ellen Dijkmeijer-Blom en Tom Grims, studenten van de Hogeschool van Amsterdam, opleiding HBO-Rechten

14.50 - 15.30: "Sterke vaders, hoe overleef ik het vaderschap"
Lars Anderson, journalist en schrijver

15.30 - 16.30: Bekendmaking winnaar Vaderdagtrofee m/v 2012
Presentatie juryrapporten voor de drie genomineerden door de jury en bekendmaking van de eindwinnaar van de Vaderdagtrofee 2012 door juryvoorzitter em. prof. dr. Louis Tavecchio
De drie genomineerden voor de Vaderdagtrofee 2012 zijn:

* Wensly Francisco, journalist en programmamaker van de NTR-serie ‘Zonen zonder vaders’, een viertal documentaires over de pijn van zonen die zonder vader opgroeiden. Wat betekent dit gemis in hun leven? Waarom koos vader er voor om niet voor zijn zoon te zorgen?

* Jamila Achahchah, coördinator van het landelijk netwerk vader- en moedercentra bij Movisie, voor de ondersteuning en begeleiding van de oprichting van tien lokale vadercentra voor vooral allochtone vaders

* Perihan Utlu, initiatiefneemster bij Vizyon van twee pilots met het Vader-zoon project SUPER! voor jongens uit groep 7/8 van de basisschool en hun vaders om met elkaar leuke dingen te doen en daardoor (nog) beter met elkaar om te leren gaan

16.30: Afsluiting door de dagvoorzitter
-----------------------------
Vanaf 16.30: Naborrel en hapjes
-----------------------------

Aanmelding:
Tevoren aanmelden voor het symposium is noodzakelijk in verband met de beperkte capaciteit van de zaal.
Nadere inlichtingen:
Voor meer informatie over het symposium vaderschap 2012 en de uitreiking van de Vaderdagtrofee 2012 kunt u contact opnemen met Peter Tromp, voorzitter van het Vader Kennis Centrum (VKC)

Peter Tromp:
T. (030) 238 3636
M. (06) 245 06 249
E. voorzitter{at}vaderkenniscentrum.nl

Meer informatie over het Symposium Vaderschap en de Vaderdagtrofee m/v 2012 is terug te vinden op Vaderdagtrofee.nl

woensdag, maart 14, 2012

378. Regeringsreactie op petitie «Knelpunten Jeugdzorg en scheidingsgezinnen» van Vader Kennis Centrum

Toelichting vooraf door Vader Kennis Centrum (VKC):

In onderstaande tekst is steeds de tekst van de staatssecretaris aangehouden en weergegeven. Waar VKC toch opmerkingen in de tekst heeft toegevoegd is dit ook nadrukkelijk aangegeven en is de VKC-tekst weergegeven in deze kleur blauw. Op een uitzondering na heeft VKC wel alle links in de tekst toegevoegd om voor de lezende ouder het lees- en zoekproces te vergemakkelijken.

31 839 JEUGDZORG - Nr. 141 - BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE
Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2011–2012, kst-31839-141 - ISSN 0921 - 7371, ’s-Gravenhage 2011

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 november 2011

Van de griffier van de algemene commissie Jeugdzorg ontving de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 29 maart 2011 het verzoek om een reactie op de brief van Vaderkenniscentrum/Stichting Kind en Omgangsrecht (VKC/SKO) te Utrecht d.d. 1 maart 2011 inzake de aangeboden petitie «Knelpunten Jeugdzorg en scheidingsgezinnen» van VKC/SKO d.d. 29 maart 2011. Omdat het onderwerp van de petitie vooral onder mijn verantwoordelijkheid valt, zal ik deze brief beantwoorden.

Dat doe ik aan de hand van de in de petitie aan de orde gestelde tien stellingen. Daarbij merk ik allereerst op dat de cijfermatige gegevens en aangegeven frequenties («meestal», «vaak») in de verschillende stellingen veelal niet worden herkend; deze worden ook niet onderbouwd. Op deze aspecten van de stellingen zal ik niet ingaan.

[Top]

1. Steeds meer kinderen hebben door achterlopende wetgeving alleen een moeder met ouderlijk gezag waardoor het kind in scheidingssituaties onnodig veel risico loopt de zorg en opvoeding van de vader te moeten gaan missen. Meer dan de helft van de clientèle van Jeugdzorg bestaat uit scheidingskinderen wonend bij de moeder.

Ingevolge artikel 1:252 BW kunnen (juridische) ouders die niet met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, gezamenlijk het gezag uitoefenen. De erkenner kan op eenvoudige wijze het gezag verkrijgen indien dit op gezamenlijk verzoek van de moeder en hem wordt aangetekend in het gezagsregister (artikel 1:252 BW). [1]

Weigert een moeder mee te werken, dan kan de vader een verzoek om gezamenlijk gezag indienen bij de rechtbank. Uitgangspunt is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Dat verzoek wordt daarom slechts afgewezen a. indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Artikel 1:253c BW, waarin dit is bepaald, is in februari 2009 na een uitvoerige discussie in het parlement inwerking getreden. Ik zie geen reden om een wetswijziging ter zake te initiëren.

[Top]

2. Er is een maatschappelijk verkeerd beeld van mishandelende ouders, waarbij de vader wordt beschouwd als de ouder die kinderen het vaakst mishandelt. Dit komt omdat in de media uitsluitend aandacht is voor zwaar fysiek geweld. De meeste mishandelingen, waaronder ook geestelijke mishandeling en verwaarlozing, vinden door moeders plaats.

De gebruikte definitie van kindermishandeling is genderneutraal. Onderzoek van de Universiteit Leiden uit 2007 naar de aard en omvang van kindermishandeling [2] wijst uit dat, kijkend naar de totale groep daders, de verhouding van mannelijke en vrouwelijke daders ongeveer gelijk is. Er zijn echter wel genderverschillen voor bepaalde vormen van kindermishandeling. Met name bij seksueel misbuik en in mindere mate bij fysieke mishandeling zijn de daders overwegend man respectievelijk in meerderheid man. Bij fysieke verwaarlozing gaat het veelal om vrouwen die de dader zijn.

De publiekscampagnes tegen kindermishandeling en huiselijk geweld die de afgelopen jaren zijn gevoerd, zijn genderneutraal opgesteld. In de campagnes tegen kindermishandeling, gestart in 2009, worden kinderen en omstanders centraal gesteld. Ouders komen in de filmpjes of op posters niet of nauwelijks in beeld. De campagnes tegen huiselijk geweld, gestart in 2007, zijn erop gericht daders, slachtoffers en omstanders van huiselijk geweld te stimuleren hulp te zoeken.

[Top]

3. Ouderverstoting en oudervervreemding worden niet als een vorm van geestelijke kindermishandeling beschouwd, noch in de toepassing van het strafrecht noch in de jeugdzorg dat veel moeders alleen maar ondersteunt in deze vorm van kindermishandeling.

De inzet van het strafrecht is voor zowel slachtoffers van kindermishandeling als de samenleving in zijn geheel van groot belang bij het tegengaan van kindermishandeling. Kindermishandeling wordt niet getolereerd. Het strafrechtelijk kader biedt voldoende aanknopingspunten om strafrechtelijk op te treden tegen kindermishandeling als dat aangewezen is.

Waar de aandacht naar uit moet gaan is het zichtbaar maken van de problematiek. We weten uit recent wetenschappelijk onderzoek dat er 119 000 kinderen op jaarbasis slachtoffer worden van kindermishandeling. [3] Slecht een klein deel hiervan is bekend bij de jeugdzorg of de politie. Met publiekscampagnes en de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wil ik, samen met de staatssecretaris van VWS, de meldingsbereidheid van burgers en professionals verhogen.

Het beeld als zouden in de jeugdzorg veel moeders worden ondersteund als het gaat om ouderverstoting en oudervervreemding, herken ik niet. Integendeel, in scheidingssituaties wordt zoveel mogelijk getracht om een brug te vormen tussen het kind en de andere ouder. Wanneer dat aan de orde is, kan de rechter worden gevraagd het kind onder toezicht te stellen.

[Top]

4. Er zijn geen expliciete en objectieve criteria in de Wet rond de toekenning, instandhouding en effectuering van omgang als specifieke invullingsvorm van de wettelijke verdeling van zorg- en opvoedtaken tussen de beide ouders na een scheiding in het zogenaamde ouderschapsplan. «In het belang van het kind» wordt te vaak vertaald naar «in het belang van moeder». Dat is maar al te vaak juist niet in het belang van het kind.

5. Bij Bureaus Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming en binnen het familierecht wordt niet aan waarheidsvinding gedaan. Beslissingen worden genomen op basis van onderbuikgevoelens, leugens en achterklap.

De rechter beoordeelt een verzoek van een ouder tot een verdeling van de zorg- en opvoedtaken of tot vaststelling van een omgangsregeling inderdaad aan de hand van het belang van het kind. Dat geeft hem de ruimte om alle omstandigheden van het geval bij zijn uitspraak in aanmerking te nemen. Een verzoek inzake een tijdelijk verbod aan een ouder om contact te hebben met het kind, of met betrekking tot een ontzegging van het recht op omgang met het kind, kan slechts worden uitgesproken wanneer is voldaan aan de hand van de criteria genoemd in artikel 377a, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze criteria zijn streng: vanwege een ernstig nadeel voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; omdat de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot contact of omgang; omdat het kind van twaalf jaar of ouder bij zijn verhoor van ernstige bezwaren heeft doen blijken tegen contact of omgang; omdat contact of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Als de rechter de Raad voor de Kinderbescherming om advies vraagt ter zake, doet deze onderzoek. Het onderzoek van de Raad richt zich op de vraag of contact of omgang met de andere ouder inderdaad een (onoverkomelijke) belemmering is voor de ontwikkeling van het kind. Dat gebeurt op basis van informatie afkomstig van ouders, het kind en andere informanten. In een multidisciplinair overleg wordt vastgesteld welke bronnen (nog) moeten worden geraadpleegd om conclusies te onderbouwen of om een bewering te verifiëren. De Raad heeft daarin een actieve houding, met name als een verklaring belangrijk wordt geacht om daarmee een bepaald advies zo goed mogelijk te onderbouwen. Wanneer dat opportuun wordt geacht, schakelt de Raad een externe deskundige in. [4] Gezien de vaak persoonlijke motieven die ten grondslag liggen aan meldingen, worden deze zo objectief mogelijk getoetst.

[Top]

6. Er is daarbij een groeiende groep van calculerende moeders die met valse beschuldigingen van incest en/of mishandeling en met hulp van instellingen en kwakzalvers de kinderen hun vader ontnemen hetgeen zelfs vaak door de overheid wordt gefinancierd middels rechtsbijstand.

Echtscheidingen kunnen helaas gepaard gaan met conflicten over de kinderen. Willens en wetens de andere partner onterecht beschuldigen van misbruik of mishandeling van het kind vormt daarin een zeer verstrekkende vorm. Het spreekt voor zich dat hiertegen moet worden opgetreden. De wetgever heeft het doen van valse aangifte strafbaar gesteld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.

Zowel politie als Openbaar Ministerie is getraind om op professionele wijze om te gaan met deze problematiek, daarbij rekening houdend met het onderscheid tussen onjuiste en bewust onjuiste (valse) aangiften. Het belang van waarheidsvinding staat voorop.

De politie neemt elke aangever/-ster serieus. Sinds 2007 is met name rond de be- en afhandeling van zedenzaken de regelgeving verder aangescherpt en worden er kwaliteitseisen gesteld aan de zedenrechercheur en de inrichting van het onderzoek. Onder meer bij het opnemen van de aangifte en de intake is er een kwaliteitsslag gemaakt. Ook bij niet-zedenzaken wordt hieromtrent zorgvuldig gehandeld en wordt bij een indicatie van een «valse» aangifte nader onderzoek gedaan. Ik herken de situatie als weergegeven in de stelling niet.

De Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (de «zedenaanwijzing») van het Openbaar Ministerie bevat regels met betrekking tot de opsporing en vervolging van seksueel misbruik waarbij de aangever en verdachte elkaar al dan niet kennen. In deze aanwijzing is neergelegd dat het aanbeveling verdient om zaken waarin sprake is van beschuldiging van seksueel misbruik van (een) kind(eren), na of tijdens een scheidingsprocedure, waarbij de ene ouder de andere beschuldigt en er problemen zijn in de omgangsregeling, voor te leggen aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ). De LEBZ is een multidisciplinair samengestelde groep deskundigen die door de officier van justitie kan worden ingeschakeld om in een relatief vroeg stadium de waarheidsgetrouwheid van bepaalde operationele zedenzaken te beoordelen. Er is geen intentie de taken van het LEBZ uit te breiden met kindermishandelingszaken, dan wel een nieuwe expertisegroep daarvoor op te richten. In de huidige werkprocessen van politie en Openbaar Ministerie wordt reeds voldoende rekening gehouden met de mogelijkheid van bewust onjuiste aangiften. Bovendien is niet gebleken dat er een stijging is van valse aangiften van kindermishandeling.

[Top]

7. Zorgmeldingen van vaders worden door Jeugdzorg vaak terzijde gelegd.

Iedereen moet melding kunnen doen bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en elke melding moet serieus worden opgepakt, ook wanneer deze afkomstig is van vaders die zich zorgen maken over het welzijn van hun kind(eren). Ik heb naar aanleiding van deze stelling Jeugdzorg Nederland hierover benaderd. Toegelicht is dat AMK’s na melding altijd nader onderzoek verrichten. Pas daarna wordt op basis van de uitkomsten van het onderzoek een besluit over het vervolg genomen. Dit geldt voor alle meldingen die binnenkomen bij het AMK, ongeacht de bron van de melding.

[Top]

8. Kinderen worden in sommige provincies onnodig uithuis geplaatst (UHP). De kans op een UHP varieert per provincie tussen de 25 en 80%. Er zijn perverse financiële prikkels in de Jeugdzorg die daarbij een rol spelen.

De jeugdbescherming die door de bureaus jeugdzorg wordt uitgevoerd (gezinsvoogdij) is er op gericht om de veiligheidsrisico’s voor kinderen zoveel mogelijk te beperken. Pas als een onder toezicht gesteld kind naar de opvatting van het bureau jeugdzorg niet meer veilig is thuis wordt een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd. Bij deze beslissing wordt een zorgvuldige afweging gemaakt binnen het bureau jeugdzorg waarbij meerdere deskundigen zijn betrokken. Er zijn voor zover bekend geen significante verschillen tussen het aantal uithuisplaatsingen per provincie. Mogelijke verschillen kunnen te maken hebben met verschillen in de bevolkingssamenstelling in de provincies. Er is ook geen financiële prikkel voor een bureau jeugdzorg om tot machtiging uithuisplaatsing aan te vragen. De bureaus jeugdzorg worden niet gefinancierd op basis van het aantal uithuisplaatsingen, maar op basis van het aantal ondertoezichtstellingen. Er is geen financiële relatie tussen het aantal uithuisplaatsingen en de financiering van de jeugdbescherming. In de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) is een strikte scheiding aangebracht tussen de instantie die indiceert voor een uithuisplaatsing (bureau jeugdzorg, waaronder de jeugdbescherming) en de instantie die de uithuisplaatsing uitvoert (de zorgaanbieder).

[Top]

9. Als kinderen een UHP krijgen is dat meestal vanuit een situatie dat het kind alleen met zijn moeder woont. Er wordt niet gekeken of het kind beter bij vader af is maar het kind wordt bijna altijd direct bij pleegouders of in een tehuis gestopt.

De jeugdzorg is een sector waarbinnen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt met vaak verstrekkende gevolgen voor ouders en kinderen. Een jeugdbeschermingsmaatregel is een vergaande maatregel die diep ingrijpt in het leven van ouder en kind. Dit vergt een uiterst zorgvuldige beoordeling, waarbij het belang van het kind voorop staat. Uiteraard is het aan de rechter om op basis van alle feiten en omstandigheden een afweging te maken. Bij deze belangenafweging spelen aspecten als family life (EVRM, artikel 8) en de eventuele noodzaak van inmenging hierin een belangrijke rol. Ook de rechten van andere belanghebbenden zoals pleegouders en het ontstaan van family life tussen de pleegouder en het pleegkind komen in deze afweging aan de orde. In iedere individuele zaak moeten al deze verschillende belangen steeds worden gewogen.

Het kader waarbinnen de rechter opereert schrijft voor dat het belang van het kind de doorslag geeft, ook als dat strijdig is met de belangen van ouders, pleegouders of andere betrokkenen.

[Top]

10. Het klachtinstrument binnen Jeugdzorg is niet effectief.

In de Wet op de jeugdzorg (Wjz) is een hoofdstuk over het klachtrecht opgenomen (artikel 68 e.v.). Elk bureau jeugdzorg moet een regeling opstellen voor de behandeling van klachten over gedragingen van zijn medewerkers. In deze klachtregeling moet in ieder geval worden opgenomen dat een klachtencommissie die de klacht behandelt, bestaat uit drie personen die niet werkzaam zijn voor of bij het bureau jeugdzorg. De klachtencommissie stelt de klager schriftelijk in kennis van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen. Het bureau jeugdzorg deelt de klager en de klachtencommissie schriftelijk mee of hij het oordeel van de commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. In zijn «klachtenjaarverslag» moet het bureau jeugdzorg onder meer de strekking van de oordelen en aanbevelingen van de klachtencommissie aangeven.

Men kan een klacht indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming over de wijze waarop een raadsonderzoek is uitgevoerd, waarop een rapport tot stand is gekomen en waarop een medewerker van de Raad zich tegenover klager heeft gedragen. Een klacht over een medewerker kan worden ingediend bij de directeur van de regio van de Raad waar de betrokken medewerker werkt. Die nodigt klager uit voor een gesprek. Als hij het helemaal of gedeeltelijk eens is met de klacht, dan laat hij klager weten of hij gevolgen aan zijn beslissing verbindt en welke dat dan zijn. Wanneer de directeur beslist dat de klacht (of een onderdeel ervan) ongegrond is, kan de externe klachtencommissie om een oordeel worden gevraagd. Ingevolge het Besluit externe klachtencommissie raad voor de kinderbescherming (Stbl. 2006, 402) bestaat de klachtencommissie uit drie leden. De voorzitter is afkomstig uit de rechterlijke macht. De andere leden zijn deskundig op het terrein van het jeugdwelzijn en de jeugdbescherming. De klachtencommissie is onafhankelijk: de leden zijn niet in dienst van de Raad. Ze zijn benoemd door de minister van Veiligheid en Justitie. De externe klachtencommissie stuurt een afschrift van haar bevindingen naar de minister van Veiligheid en Justitie en naar de Raad voor de Kinderbescherming. Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, deelt de Raad aan klager mee of en zo ja, welke gevolgen de Raad hieraan binnen de organisatie verbindt. Een afschrift van deze mededeling wordt aan de externe klachtencommissie gestuurd. De Raad draagt zorg voor registratie van de bij de externe klachtencommissie ingediende klachten en van de bevindingen en het oordeel van de klachtencommissie. De geregistreerde klachten en de hiervoor besproken gevolgen die daaraan worden verbonden, worden jaarlijks in geanonimiseerde vorm gepubliceerd (Toevoeging door Vader Kennis Centrum (VKC): Zie RvdK 2010, 2011). Wanneer de klacht van de klager niet gegrond wordt bevonden, kan deze zich wenden tot de Nationale ombudsman.

Met het voorgaande mag ervan worden uitgegaan dat de effectiviteit van de behandeling van klachten bij bureau jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming voldoende is geborgd.

Ik vertrouw erop uw Kamer hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
F. Teeven

[Top]

Voetnoten

[1] Ouders vragen daartoe een formulier op bij de griffie van de rechtbank of bij de gemeente. Dit leveren zij ingevuld weer in bij de rechtbank (voorheen kantongerecht), samen met een aantal bewijsstukken. Is aan alle voorwaarden voldaan dan maakt de griffier een aantekening in het gezagsregister. Vanaf dat moment zijn beide ouders gezamenlijk verantwoordelijk voor het kind. Afschrift wordt naar de gemeente verstuurd die hiervan aantekening maakt in het GBA. (Toegevoegde opmerking door Vader Kennis Centrum (VKC): Zie hiervoor echter het ‘Verzoek Gezamenlijk gezag’ op Overheid.nl, waar (a) het daar vermelde aanvraagformulier d.d. 21 maart 2012 niet meer oproepbaar blijkt door een broken link naar Rechtspraak.nl, terwijl (b) het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan de ongehuwde of niet-geregistreerde ouders die dit betreft ook nog steeds een uiterst gecompliceerde en verwarrende overheidsuitleg geeft.  Gebrekkige overheidscommunicatie waarop nu door VKC meer dan afdoende werd gewezen zonder dat dit tot op heden d.d. 21 maart 2012 tot enige verbetering voor burgers heeft geleid.)
[4] Dat geschiedt conform de Richtlijn voor het laten verrichten van extern onderzoek (oud bijlage 3 van Normen 2000), waarvan de geldigheidsduur in 2010 (wederom) is verlengd tot 31 december 2012. (Toegevoegde opmerking door Vader Kennis Centrum (VKC): Zie hierover echter ook de voor cliënten nog steeds uiterst warrige, verwarrende en misleidende overheidscommunicatie door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en haar organen bij a. RvdK en b. KOG-correspondentie met RvdK waarop nu zowel door KOG als VKC meer dan afdoende werd gewezen zonder dat dit tot op heden d.d. 21 maart 2012 tot enige verbetering voor burgers heeft geleid.)

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 31 839, nr. 141 6