Posts tonen met het label moeders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label moeders. Alle posts tonen

donderdag, juli 25, 2013

578. Moordouders - Kinderdoding in Nederland (A.J. Verheugt, 2007) :: Kinderdoders zijn in meerderheid van het vrouwelijke geslacht

Moordouders - Kinderdoding in Nederland; een klinisch en forensisch psychologische studie naar de persoon van de kinderdoder
Bron: Rijksuniversiteit Groningen, Rechtenfaculteit, Tijdschrift Ontmoetingen,  Nr. 16

Moordouders, A.J. Verheugt [*], Van Gorcum, 2007

’… Door een noodlottigen samenloop van omstandigheden (dien hij beweert nooit te zullen mededeelen) dien hem de toekomst zijner kinderen allerdonkerst deed inzien, is door zijne overspannen hersenen het rampzalige voornemen bij hem in de gedachte gekomen zijne kinderen, juist daar hij ze zoo zielslief had, voor hun eigen bestwil het leven te zullen benemen. Deze gedachte, welke hem onwederstaanbaar beheerschte, heeft hem als het ware door een machtigen aandrang aangespoord zijn zoo’n wanhopig voorgenomen plan doen ten uitvoer brengen. Hij is dan ook, als door een magnetischen kracht aangetrokken, naar de slaapkamer zijner kinderen gegaan…’. [1]

Samenvatting

Samenvattend zijn de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek naar kinderdoding in Nederland met betrekking tot de persoon van de dader, dat kinderdoders in meerderheid van het vrouwelijke geslacht zijn, vrijwel allen onveilig gehecht zijn aan hun ouder(s), in hun jeugd veel verlieservaringen geleden hebben van een dierbare van vaak jonge leeftijd, emotioneel weinig beschikbare ouders hebben gehad en een psychische stoornis hebben. Ondanks deze beschadigde ‘binnenkant’ is aan de ‘buitenkant’ van de kinderdoder vaak weinig opvallends merkbaar. Deze voor het oog ongeschonden buitenkant valt op te maken uit onder andere de relatieve afwezigheid van een justitiële voorgeschiedenis, arbeidsproblematiek, middelengebruik en/of mishandeling. Dit is de reden waarom het vóórkomen van kinderdoding voor de buitenwereld vaak volkomen onverwacht kan zijn. In het laatste jaar voorafgaand aan de kinderdoding komt de dader een aantal stressoren tegen en wordt hij daarbij geconfronteerd met een (dreigend) nieuw verlies in de vorm van scheiding, verlating of dood van een belangrijke ander.

Inleiding

http://www.managementboek.nl/boek/9789023243663/moordouders-toon-verheugt
Iedere keer wanneer het bericht ons bereikt dat een ouder zijn of haar kind of kinderen om het leven heeft gebracht, zijn we in meer of mindere mate geschokt. Het is moeilijk te begrijpen dat iemand zijn eigen kinderen van het leven berooft. Wie doet zoiets? Komt het vaak voor in Nederland? Die indruk krijgt men soms wel uit het nieuws. Houden deze ouders niet van hun kinderen? Waarom gebeurt dit juist in dat gezin? Doen mannen zoiets vaker dan vrouwen? Vragen, waarvan er zonder veel fantasie nog veel meer zijn te stellen.

Kinderdoding is een verschijnsel dat al sinds mensenheugenis bestaat. Elk geval van kinderdoding is over het algemeen de resultante van een samenloop van een aantal factoren en omstandigheden. Deze kunnen liggen in de persoon van de dader [2] en/of het gezin.

Deze bijdrage gaat over kinderdoding in Nederland en is een bewerking van mijn dissertatie “Moordouders” [3] . In deze dissertatie wordt de stand van zaken met betrekking tot onderzoek naar kinderdoding in Nederland en speciaal in de periode van 1994-2004 [4] onderzocht. Uit deze studie worden in deze bijdrage een aantal aspecten besproken. Aan bod komen: de verschillende vormen van kinderdoding, de persoon van de dader en diens psychopathologie, karakteristieken van de slachtoffers, de gezinsomstandigheden, de delictomstandigheden en ten slotte het strafproces. Ik begin met enkele opmerkingen van methodologische aard (1), dan volgt een overzicht van de belangrijkste resultaten van mijn onderzoek (2). Deze vergelijk ik met conclusies uit ander onderzoek (3) en ik sluit af met een voorzet voor een integrerende visie op kinderdoding (4).

1. Enkele opmerkingen van methodologische aard

Definitie
Kinderdoding wordt in deze bijdrage gedefinieerd als: het doden van kinderen door hun biologische, adoptief-, pleeg- en/of stiefouders. Kinderdoding kent drie verschijningsvormen:
• Neonaticide (doding binnen 24 uur na de geboorte)
• Infanticide (doding in het eerste jaar van het leven van een kind)
• Filicide (doding na eerste jaar van het leven van een kind).

Probleemstelling
Kinderdodingen roepen veel maatschappelijke afschuw en verontwaardiging op. Omdat er in de media en pers vaak gemeld wordt dat de ‘gezinsdrama’s’ zich afspelen in gezinnen die op het oog volstrekt normaal lijken, krijgt het geheel iets mysterieus. Mensen denken gauw: ons gezin is toch normaal, zou zoiets dan ook bij ons mogelijk zijn? Daarmee komt een en ander erg dicht bij ons bed. Leven wij niet allemaal in een vorm van gezinsverband? In ieder geval zijn we er allemaal uit afkomstig. De afschuw, het onbegrip, de verontwaardiging en de woede over het geweld tegen het kleine kind, gaat, denk ik, ook over het kleine en kwetsbare dat in onszelf geraakt wordt. Ten slotte raakt het ook aan een nog iets diepere, de agressieve, laag in onszelf. Het is een kant waar we liever niet al te veel mee te maken willen hebben. Wat maakt nu dat er mensen zijn die datgene doen waar anderen ‘slechts’ over fantaseren, als ze dat al zouden doen?

Opmerkelijk is dat in Nederland naar het verschijnsel kinderdoding, tot voor deze dissertatie, weinig wetenschappelijk onderzoek is gedaan. Koenraadt is in Nederland een van de weinigen die zich met kinderdoding bezighoudt; hij publiceerde onder andere over neonaticide en over berichtgeving in de media met betrekking tot kinderdoding. [5] In mijn dissertatie heb ik getracht de persoon van de kinderdoder beter te doorgronden. Met een vroegtijdige onderkenning van potentiële risicogevallen kunnen professionele hulpverleners tijdig adequate maatregelen nemen. Verder wilde ik door het doen van dit onderzoek een basis creëren voor verder onderzoek naar kinderdoding.

Literatuurbevindingen
In de literatuur naar het verschijnsel kinderdoding vallen een aantal zaken op. In de literatuur over kinderdoding is onder andere goed te zien hoe de positie van het kind zich in de loop van de eeuwen ontwikkeld heeft. Kinderen worden tegenwoordig vooral gezien als, weliswaar nog van ouders en verzorgers afhankelijke, autonome individuen die men met zorg, aandacht en respect behandelt. Dat was vroeger wel anders. Van zieke, zwakke en/of misvormde kinderen ontdeed men zich soms maar al te gemakkelijk. Philip Resnick deed onderzoek naar het vóórkomen van psychiatrische stoornissen onder kinderdoders. Hij vond 60 á 70 % stoornissen. [6] Er was veelal sprake van psychotische en depressieve stoornissen. Wilczynski heeft vooral onderzoek gedaan naar motieven en risicofactoren. [7] Een probleem bij veel van deze onderzoeken is dat de onderzochte groepen nogal verschillen. Hierdoor zijn zij moeilijk te vergelijken. De drie verschijningsvormen van kinderdoding worden ook niet altijd goed onderscheiden. Neonaticide wordt niet altijd geïncludeerd. Soms worden ook ‘pogingen’ in het onderzoek meegenomen.

Criteria onderzoeksgroep
Omdat het onderzoek zich richtte op de familiale kinderdoder (doder in gezinsverband) werden niet alleen de daders onderzocht die een biologische band met hun kind hebben, maar ook daders die een bepaalde affectieve band met de door hen gedode kinderen hebben. Hieronder worden pleeg- en stiefouders verstaan. Daarbij is er een verschil tussen deze beide laatste ouders. Pleegouders hebben in de meeste gevallen actief en bewust gekozen voor het opvoeden van kinderen van een ander. Stiefouders hebben dat in principe ook, maar zijn en of voelen zich soms ook ‘opgezadeld’ met de kinderen van de partner. Om methodologische en inhoudelijke redenen is afgezien van het onderzoeken van pogingen tot kinderdoding. Met het weglaten van de pogingen kon het aantal te bestuderen dossiers belangrijk beperkt worden De onderzoeksgroep raakte er ook minder door vertroebeld, omdat heel wat dossiers ‘alleen’ gaan over mishandelingen. Omdat kindermishandeling op een te grote schaal in Nederland voorkomt, tast het de specificiteit van dit onderzoek naar de kinderdoder te zeer aan.

Verzameling onderzoeksgegevens
De gegevens werden, na bestudering van de gegevens uit de query die tot stand kwam met behulp van het arrondissementsparket te Amsterdam en het parketgeneraal te ’s-Gravenhage, verkregen via een rondtocht van ongeveer anderhalf jaar langs alle parketten (arrondissementen en ressorten) in Nederland, een bezoek aan het Centrum voor Justitiële Documentatie te Almelo en de afdeling Individuele TBS-zaken van het ministerie van Justitie.

Er werd inzage verkregen in de kinderdodingszaken uit de periode 1994-2004. Het betrof ook zaken waar geen pro Justitia rapportages aanwezig waren. Er werd inzage verkregen in de vonnissen. Zo werd duidelijk wanneer er sprake was van sepots, vrijspraken in eerste en/of tweede aanleg en het al dan niet opleggen van een maatregel. Als vergelijkingsgroep werd gekozen voor de groep van partnerdoders. Voor deze groep is gekozen omdat de daders van beide groepen een zelfde plaats in het gezin innemen en daarmee een vergelijkbare groep vormen. Een voordeel van de partnerdoders als vergelijkingsgroep is verder dat er in deze groep relatief veel vrouwen zitten Dit is ongeveer 15%, terwijl dit bij 'gewone' dodingen minder is dan 5%. Daders van kinderdodingen zijn in ongeveer de helft van de gevallen vrouw.

Samenstelling onderzoeksgroep
De totale onderzoeksgroep bestaat uit 107 verdachten, te weten 53 verdachten van kinderdoding en 54 verdachten van partnerdoding. Het totale aantal slachtoffers bedraagt 114 personen, namelijk 60 slachtoffers van kinderdoding en 54 slachtoffers van partnerdoding.

De kinderdoders zijn op 65 variabelen gescoord. Voor een definitie van de variabelen en een verantwoording van de keuze ervan, verwijs ik naar de eigenlijke studie. [8] Binnen het bestek van dit artikel - onderzoek kinderdoding - zijn de resultaten met betrekking tot partnerdoding achterwege gelaten.

2. Belangrijkste resultaten van het onderzoek naar kinderdoding in Nederland

Persoon van de dader
De groep onderzochte kinderdoders bestaat voor ongeveer een kwart uit plegers van neonaticide. Ongeveer een kwart van de daders pleegt infanticide. De overige helft van de daders pleegt filicide. Per verschijningsvorm worden nadere gegevens over de dader verstrekt. Bij de groep vrouwelijke kinderdoders werd geen enkele stiefmoeder aangetroffen. Bij de mannelijke kinderdoders bleek het in 16,7% van de gevallen om stiefvaders te gaan.

Profiel van de neonaticidepleger
De neonaticidepleger is vrijwel altijd een vrouw. Zij is over het algemeen tussen de 16 en 30 jaar oud en doorgaans van autochtone afkomst, alleenstaand en heeft weinig persoonlijke intieme relaties. Meestal is het slachtoffer een eerste kind. Neonaticideplegers kennen een sterke ambivalentie ten aanzien van de zwangerschap. Deze moet koste wat het kost verborgen blijven, vaak uit angst om de liefde van de ‘partner’ en/of de ouders te verliezen. Tegelijk is er de sterke wens dat de zwangerschap wordt opgemerkt. Wanneer dat laatste gebeurt, wordt de zwangerschap vervolgens weer ontkend. Neonaticideplegers bevallen meestal in het ouderlijke huis, zelfs wanneer men het ouderlijke huis al verlaten heeft. Zij brengen het kind na de geboorte actief of passief om het leven. Zij houden het in de buurt. Ze leggen het niet echt weg. Meestal wordt het kind niet begraven. De dynamiek van het zwanger worden ( kinderwens en conceptie) blijft in de literatuur en ook in de rapportages achterwege. Neonaticideplegers functioneren, in ieder geval oppervlakkig gezien, veelal goed en ze zijn nauwelijks suïcidaal. De stoornissen bij neonaticideplegers ontwikkelen zich in de aanloop tot de doding en betreffen vaak angst- en dissociatieve stoornissen. Meer dan 40% van de neonaticideplegers is in haar jeugd mishandeld. Allen hebben in het laatste jaar voorafgaand aan de doding een hoeveelheid stress te verwerken die gelijk staat aan de impact van het overlijden van een partner. Iets meer dan de helft van de neonaticideplegers heeft een ouder die tijdens de jeugd van verdachte aan een lichamelijke ziekte leed. Neonaticideplegers geven doorgaans, juist door de aard van het delict, geen signaal vooraf.

Profiel van de infanticidepleger
Net zoals bij de neonaticidepleger wordt dit feit niet in vereniging, maar alleen gepleegd en is er één slachtoffer. De infanticideplegers zijn tussen de 19 en 49 jaar oud en 2/3 van hen is vrouw. Van de infanticideplegers heeft 40% een tehuisverleden en is 66% tijdens de jeugd mishandeld. Van hen heeft 46% problemen binnen de primaire steungroep. Opvallend is dat een derde deel van de infanticideplegers een huwelijkse scheiding in het laatste jaar voorafgaand aan de doding heeft meegemaakt. Bij de twee andere groepen speelde dit niet. Afhankelijkheid van een middel heeft bij 40% van infanticideplegers ooit in hun leven gespeeld. Eveneens 40% gaf een signaal vooraf en ze gebruikten in 80% manueel geweld bij de doding.

Profiel van de filicidepleger
Bij filicide zijn er, in tegenstelling tot neonaticide en infanticide, evenveel mannelijke als vrouwelijke doders. Deze daders zijn tussen de 20 en 48 jaar oud. Van de filicideplegers is 81% in zijn jeugd mishandeld. Van hen had 81% problemen met de primaire steungroep en 35% had opvoedingsproblemen met de kinderen. Iets meer dan de helft gaf een signaal vooraf en 88% gebruikte manueel geweld of een wapen als wijze van doden. In 33% van de gevallen werd de filicide in vereniging gepleegd, bij 20% van deze zaken ging het om meerdere slachtoffers. Het aandeel allochtonen neemt toe met de leeftijd van het slachtoffer: ruim de helft van de groep van filicideplegers is van allochtone afkomst. Hierbij speelt mogelijk een rol dat allochtonen, nog minder dan autochtonen, de weg vinden naar de hulpverlening.

Slachtoffers
De slachtoffers van kinderdoding zijn in 61,7% van de gevallen jongens; van 3,3% was het geslacht onbekend. Hoe jonger de kinderen zijn, hoe groter de kans is dat zij slachtoffer worden van kinderdoding. Bijna de helft van de slachtoffers was nog geen jaar oud. De leeftijd van slachtoffers van een mannelijke kinderdoder ligt significant hoger dan de leeftijd van slachtoffers van een vrouwelijke kinderdoder. In iets meer dan de helft van de gevallen gaat het om het eerste of enig kind. De slachtoffers bleken in 70% van de gevallen in meer of mindere mate getraumatiseerd. Zij waren slachtoffer van echtscheiding van de ouders, fysiek geweld door de ouder(s), emigratie, wisseling van ouderfiguur, psychiatrische ziekte van de ouder, overlijden van dierbare en dergelijke. In het onderzoek is gezocht naar eventueel specifieke kenmerken van de slachtoffers zoals lichamelijke of geestelijke ziekte, voorafgaande hulpverlening, pre-, peri- en/of postnatale lichamelijk en/of psychische problemen. Hier kwamen geen bijzonderheden naar voren.

Gezinsomstandigheden
Kinderdoding vindt plaats in relatief kleine gezinnen. In deze gezinnen bleek in ruim 79% van de gevallen sprake van een gezinstrauma. Er bleek een zo grote verscheidenheid aan gezinstraumata dat deze moeilijk onder een grote gemeenschappelijke deler te vatten zijn. Voorbeelden van gevonden gezinstraumata zijn: scheiding, dood of langdurige ziekte van een gezinslid, huwelijksproblemen, mishandelingen en overspel. Tussen mannelijke en vrouwelijke kinderdoders werden, wat gezinskenmerken betreft, geen significante verschillen gevonden.

Delictomstandigheden
Van een duidelijke toename in de periode van 1994-200 van het aantal gevallen van kinderdoding in Nederland is geen sprake. Wel vond ik in 1997 en 2002 meer gevallen dan in andere jaren, maar deze verschillen zijn statistisch niet significant. Er zijn geen verschillen gevonden ten aanzien van seizoen, dag in de week en het tijdstip op de dag. Meer dan 80% van de kinderdodingen vindt plaats in het huis van verdachte of in zijn of haar ouderlijk huis. De wijze van doden gebeurt over het algemeen via de adem benemen bij heel kleine kinderen tot het toepassen van geweld via verwurgen of verstikken bij de wat oudere kinderen. Bij de nog wat oudere kinderen wordt een wapen gebruikt. In 84% van de gevallen is de dader alleen te werk gegaan, in 12% van de gevallen werkte de dader samen met zijn of haar partner; van de rest bleef dat onduidelijk. Slechts een klein gedeelte (8%) van de daders geeft zich na de doding aan bij de politie.

Toerekeningsvatbaarheid en recidiverisico
Door deskundigen werd aan de rechtbank geadviseerd 9,4% te beschouwen als toerekeningsvatbaar, 5,7% als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar, 30,2% als verminderd toerekeningsvatbaar, 18,9% als sterk verminderd toerekeningsvatbaar en 18,9% als ontoerekeningsvatbaar. Bij 3,8% werd geen uitspraak gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Bij 13,1% luidde het advies ‘anderszins’. Daarbij moet men denken aan bijvoorbeeld tegenstrijdige adviezen of adviezen die het midden hielden tussen bepaalde categorieën. De deskundigen achtten in 41,5% van de gevallen een gemiddeld tot groot gevaar voor recidive. In bijna een derde van de gevallen werd geadviseerd tot het opleggen van een maatregel in de vorm van een TBS, al dan niet met voorwaarden.

Strafproces
In 71,7% van de gevallen volgde de rechtbank het opgelegde maatregeladvies. Van de kinderdoders kreeg 5,7% de maatregel ‘plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, de duur van een jaar niet te bovengaand’ (art. 37 Sr) opgelegd. Van de kinderdoders werd 30,4% veroordeeld voor moord en 22,5% voor doodslag. Op al deze punten werden geen significante verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke kinderdoders gevonden. Van de kinderdoders kreeg 52,8% (bij wie moord of doodslag bewezen werd geacht) een gevangenisstraf opgelegd waarbij de gemiddelde duur van de gevangenisstraf 5,7 jaar bedroeg. Wanneer gekeken werd naar de strafmaat dan valt op dat mannelijke kinderdoders significant zwaarder gestraft worden dan vrouwelijke kinderdoders. Zij worden bijna vier(!) keer zo zwaar gestraft, terwijl er geen verschil is in de mate van toerekeningsvatbaarheid, het recidivegevaar en het aantal malen dat een maatregel werd opgelegd. Wel zijn er een aantal andere significante verschillen gevonden tussen mannelijke en vrouwelijke kinderdoders, zoals aard van de stoornis, justitiële voorgeschiedenis, mate van suïcidaliteit, middelengebruik ten tijde van het tenlastegelegde, leeftijd van het slachtoffer en wijze van doding. Het is onduidelijk of deze variabelen het verschil in strafmaat tussen mannelijke en vrouwelijke kinderdoders (mede) verklaren. Geen van de neonaticideplegers werd veroordeeld voor kindermoord (art. 291 Sr). Als zij al veroordeeld werden was dat voor kinderdoodslag (art 290 Sr). In 24,6% van de gevallen werd na de pro Justitia rapportage de kinderdodingszaak alsnog geseponeerd.

3. Onderzoeksresultaten kinderdoding vergeleken met conclusies uit literatuuronderzoek

Wanneer de onderzoeksresultaten uit deze studie vergeleken worden met de conclusies uit onderzoeken uit voornamelijk de Angelsaksische literatuur dan valt daarover het volgende te zeggen. Kinderdoding komt gemiddeld 10 tot 15 keer per jaar in Nederland aan het licht. Hierbij vallen gemiddeld 12 tot 16 slachtoffers. In Canada werden in 2004 27 kinderen door hun ouders om het leven gebracht 9 bij een bevolking van ongeveer 33 miljoen mensen. De verhouding tussen aantal slachtoffers en bevolkingsaantal komt in beide landen ongeveer overeen. In onze studie blijkt dat 64,2% van de daders van kinderdoding vrouw is. Wanneer de neonaticideplegers buiten beschouwing worden gelaten is dat ongeveer 53%. Buitenlandse studies spreken over een gemiddeld gelijke verdeling. Wat betreft motieven om te doden stemmen gegevens uit dit onderzoek goeddeels overeen met de resultaten uit het Engelse onderzoek van Wilczynski. Hierin kwam zij onder andere tot de bevinding dat motieven van mannelijke kinderdoders vooral te maken hebben met wraak, jaloezie en straf en motieven van vrouwelijke kinderdoders meer te maken hebben met de ongewenstheid van het kind, de altruïstische doding en de psychotische dodingen. [10] De resultaten uit dit onderzoek komen overeen, behalve ten aanzien van de altruïstische motieven. In dit onderzoek doden mannen evenveel uit altruïstische motieven als vrouwen.

Wat betreft stoornissen: uit ons onderzoek blijken de daders zeer vaak aan een psychiatrische- en/of persoonlijkheidsstoornis te lijden. Buitenlands onderzoek is daarover aanzienlijk minder helder. De percentages psychiatrische stoornissen variëren van 30% tot soms 70%. De aanwezigheid van persoonlijkheidsstoornissen wordt in geen van het buitenlandse onderzoek helder gedefinieerd. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het accent op psychiatrische stoornissen in de Verenigde Staten in verband met de eventuele relatie met het beroep op ontoerekeningsvatbaarheid. In de Verenigde Staten komt de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis namelijk niet in aanmerking voor een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. Als belangrijkste psychiatrische stoornissen uit ons onderzoek komen naar voren de dissociatieve-, de stemmings-, de angst- en de psychotische stoornissen.

Dit komt wel overeen met resultaten uit buitenlands onderzoek. [11] Ook in buitenlands onderzoek wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van diverse stressoren in het jaar voorafgaand aan de doding. [12] Het doden van meerdere kinderen tegelijk maakt, zo blijkt uit dit onderzoek, in Nederland 8% van het totale aantal kinderdodingen uit, wat in overeenstemming is met buitenlands onderzoek. [13] Buitenlands onderzoek spreekt over ongeveer 20% suïcides bij kinderdoding. Ons onderzoek laat daarover geen uitspraken toe aangezien de gesuïcideerden zich, uit de aard der zaak, niet in de onderzoeksgroep bevinden.

Uit buitenlands onderzoek blijken dat kinderdoders in 1/3 tot 2/3 van de gevallen voorafgaand aan de doding in contact waren met de hulpverlening. Uit onze studie blijkt dat voor 28,3% op te gaan. Wanneer de neonaticideplegers buiten beschouwing worden gelaten (die door de aard van het delict juist niet in verbinding met de hulpverlening staan), dan blijkt dat te gelden voor 40,3%. Uit ons onderzoek blijkt dat mannelijke kinderdoders, meer dan vrouwelijke kinderdoders, een justitiële voorgeschiedenis hebben en onder invloed van middelen de kinderdoding begaan. Deze beide bevindingen worden door buitenlands onderzoek ondersteund. [14] Significante verschillen in wijze van doden onder mannelijke en vrouwelijke kinderdoders zoals in buitenlands onderzoek wordt gevonden, konden in ons onderzoek niet worden bevestigd. Wat betreft straftoemeting: in Nederland blijken mannelijke kinderdoders zwaarder gestraft te worden dan vrouwelijke kinderdoders. Dit komt overeen met de ervaring in het buitenland. 15 Ons onderzoek laat een relatieve oververtegenwoordiging van slachtoffers van het mannelijke geslacht zien. Een verklaring voor dit verschil kon vooralsnog niet worden gevonden. Statistische berekening laat zien dat dit verschil ook op toeval zou kunnen berusten.

4. Kinderdoding als fenomeen; naar een integrerende visie

Samenvattend zijn de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek naar kinderdoding in Nederland met betrekking tot de persoon van de dader, dat kinderdoders in meerderheid van het vrouwelijke geslacht zijn, vrijwel allen onveilig gehecht zijn aan hun ouder(s), in hun jeugd veel verlieservaringen geleden hebben van een dierbare van vaak jonge leeftijd, emotioneel weinig beschikbare ouders hebben gehad en een psychische stoornis hebben. Ondanks deze beschadigde ‘binnenkant’ is aan de ‘buitenkant’ van de kinderdoder vaak weinig opvallends merkbaar. Deze voor het oog ongeschonden buitenkant valt op te maken uit onder andere de relatieve afwezigheid van een justitiële voorgeschiedenis, arbeidsproblematiek, middelengebruik en/of mishandeling. Dit is de reden waarom het vóórkomen van kinderdoding voor de buitenwereld vaak volkomen onverwacht kan zijn.

In het laatste jaar voorafgaand aan de kinderdoding komt de dader een aantal stressoren tegen en wordt hij daarbij geconfronteerd met een (dreigend) nieuw verlies in de vorm van scheiding, verlating of dood van een belangrijke ander.

Juist omdat aan de buitenkant van de persoon van de kinderdoder zo weinig zichtbaar is, zowel voor ‘de buitenwereld’ als voor de wetenschappelijk onderzoekers, is het moeilijk om aan de hand daarvan voorspellingen te doen over mogelijk gedrag in de toekomst. Dit onderzoek heeft laten zien dat er achter de ogenschijnlijk gezonde buitenkant bij de kinderdoder over het algemeen een ernstig getroebleerde binnenwereld schuilt. Daarom is het van belang om een visie te ontwikkelen over hoe het er in de binnenwereld van de kinderdoder aan toe zou kunnen gaan en zeker ook hoe deze getroebleerde binnenwereld is ontstaan.

Bij de ‘gemiddeld normale’ ouder (die overigens geen onderwerp van deze studie is geweest) gaat het er, in hypothetische zin, als volgt aan toe. Ouders hebben meestal het beste met hun kinderen voor. Ze hechten er aan dat hun kinderen gezond naar lichaam en geest opgroeien. Dit is deels biologisch bepaald. Ouders hebben vaak duidelijk uitgesproken, bewuste verwachtingen van hun kinderen, maar onder deze bewuste, expliciete motieven gaat bij alle ouders ook een hele agenda van deels onbewuste motieven schuil. Kinderen moeten soms iets bereiken wat de ouders zelf niet gelukt is. Ze moeten soms iets goed maken wat hen zelf onthouden is, door bijvoorbeeld een goed en voorbeeldig kind te zijn dat niet huilt en niet ontevreden, ongelukkig en/of boos is. Dat moet de ouder dan het gevoel geven dat hij een geslaagde ouder en een geslaagd mens is. Dit gevoel heeft hij meestal van zijn eigen ouders onvoldoende gehad. Kinderen hebben echter hun eigen motieven, waarbij het eigenbelang doorgaans voorop staat. De gezonde ouder in relatief normale omstandigheden, vindt doorgaans een compromis tussen zijn eigen wensen en die van zijn kinderen. Hij voedt zijn kinderen zo goed mogelijk op.

Kinderdoders hebben dezelfde bewuste en onbewuste wensen en stellen over het algemeen alles in het werk om hun kinderen zo goed mogelijk op te voeden. Maar, zoals uit mijn onderzoek blijkt, kinderdoders hebben meer problemen meegemaakt en zij lijden vaker dan gemiddeld aan psychiatrische stoornissen. Op basis van hun onveilige gehechtheid, en wellicht versterkt door de psychische stoornis, hebben zij problemen in de compromisvorming tussen afstand en nabijheid. Zij hebben problemen in de afgrenzing van zichzelf van de ander, in zowel de relatie met hun ouders als met hun kinderen. Bovenstaand geheel aan factoren onderscheidt de kinderdoder van de gemiddelde ouder. Wanneer zich dan in de actualiteit een sterke aantasting van het zelfgevoel aandient in de vorm van een nieuw verlies, zoals een (dreigende) verlating door scheiding of door de dood en/of wanneer het kind niet voldoet aan de (te) hoog gespannen verwachtingen van de ouder en daarmee de ouder het gevoel geeft te falen als ouder, kan deze mix van factoren dit basaal explosieve mengsel bij de ouder tot ontploffing brengen in de vorm van het om het leven brengen van zijn kind. De kinderdoder ziet het dreigende verlies vanuit zijn krenkbare en kwetsbare zelfgevoel als een tekortschieten van zichzelf als goede ouder. Ook kan in de nieuwe verlating een oud trauma (een eerder verlies) worden geactiveerd. Kinderdoders hebben vaak het gevoel als ouder mislukt te zijn. De doding kan gezien worden als een poging om het ouderschap ongedaan te maken. Hierbij geeft de kinderdoder het ouderschap op, op een wijze zoals zijn ouder vroeger (onveilige gehechtheid) zijn ouderschap over hem, maar dan vaak in psychische zin, heeft opgegeven (emotioneel te weinig beschikbaar). Deze psychodynamische visie, geldt waarschijnlijk niet voor de psychotische dodingen.

Bovenstaande visie lijkt voor alle drie typen kinderdoder in meer of mindere mate op te gaan. Over de neonaticidepleger valt nog het volgende op te merken: deze is vrijwel altijd een vrouw en zij wordt gekenmerkt door een sterke ambivalentie over haar zwangerschap. Enerzijds wordt de zwangerschap, half bewust, ervaren als een mijlpaal in de ontwikkeling, anderzijds wordt het bestaan van deze zwangerschap hardnekkig en langdurig geloochend. Hier zou men kunnen hypothetiseren dat de neonaticidepleger het ouderschap (nog) niet aanvaardt omdat ouderschap impliceert dat zij dan (deels) afscheid moet nemen van haar afhankelijke rol als kind ten opzichte van haar ouders. Dit betekent een dreigend verlies. Zij wil nog geen afscheid nemen van de kindrol, omdat zij in haar emotionele behoeften nog onvoldoende tegemoet gekomen is. Het eigen ouderschap betekent een definitief moeten afzien daarvan. Het op bewust niveau kunnen kiezen voor of tegen een abortus veronderstelt een volwassen niveau van functioneren (losmaking van ouders, verantwoordelijkheid nemen, verzelfstandiging). Het is op zijn minst een poging tot het onder ogen zien van aanstaand ouderschap. Om het beschreven explosieve mengsel, dat de basis vormt van de kinderdoding niet tot ontploffing te laten komen, is het noodzakelijk dat de buitenwereld contact krijgt met de getroebleerde binnenwereld van de potentiële kinderdoder. Dit is echter voor zowel betrokkene zelf als voor de buitenwereld moeilijk. Dit stemt somber over de mogelijkheden tot risicopreventie. Uit dit onderzoek blijkt echter dat 20% van de kinderdoders aan de buitenwereld wel enig contact met zijn binnenwereld toelaat, namelijk in de vorm van een duidelijk signaal afgegeven aan de hulpverlening voorafgaand aan de doding. Bij retrospectie bleek dit signaal duidelijk, maar werd het destijds niet als zodanig geïnterpreteerd. Hierbij geeft de kinderdoder aan voornemens te zijn zichzelf en/of zijn kind(eren) van het leven te beroven. Mogelijk kan met deze categorie in preventieve sfeer iets bereikt worden. Naar verdere contactmogelijkheden met de binnenwereld van deze 20%, maar zeker ook naar contactmogelijkheden van de overige 80% is het noodzakelijk verder onderzoek te doen. Het onderhavige onderzoek levert aanwijzingen op dat een accent bij dat verder onderzoek zou kunnen liggen op (een combinatie van) vroege verlieservaringen, gehechtheidstijlen en nieuwe (dreigende) verlieservaringen.

Ten slotte pleit ik er voor om neonaticidezaken niet te seponeren. De neiging van de neonaticidepleger om te loochenen wordt op indrukwekkende wijze ‘overgedragen’ op alle betrokkenen. Dit is onder ander terug te zien in de voorstellen tot seponeren en om de zittingen achter gesloten deuren te behandelen. Het is juist voor de kans op herhaling van groot belang dat het proces van loochening wordt doorbroken en het begin daarvan zou de rechtzitting kunnen zijn. Dit betekent niet dat de neonaticidepleger gestraft moet worden. Het gaat er om dat de loochening bij haar bewust wordt gemaakt.

[∗] Toon Verheugt is klinisch en forensisch psycholoog en psychoanalyticus, en verbonden aan het NIFP.

Voetnoten
[1] J.A. Lodewijks en H.L. van Linden van den Heuvel. Kindermoord door den vader. Gerechtelijk-geneeskundig Rapport. Psychiatrische Bladen, 11 (1893), p. 29-53.
[2] Over de terminologie: in de tekst wordt afwisselend gesproken over dader, doder en verdachte. Deze kunnen in de tekst als synoniemen worden gebruikt, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld.
[3] A. J. Verheugt, Moordouders. Kinderdoding in Nederland: een klinisch en forensisch psychologische studie naar de persoon van de kinderdoder. Van Gorcum, Assen 2007.
[4] Dat betekent tot en met 2003.
[5] F.A.M.M. Koenraadt, Doding van een pasgeborene: een verborgen delict. In T. I. Oei en M.S. Groenhuijsen (eds) Actuele ontwikkelingen in de forensische psychiatrie. Kluwer, Deventer 2003. F.A.M.M. Koenraadt en H.C. Brants, Criminaliteit en media-hype. Een terugblik op de publieke beeldvorming rond kindermoord. Delikt en Delinkwent, 1999, 28, p. 542-564.
[6] P. J. Resnick, Child murder by parents: a psychiatric review of filicide. American Journal of Psychiatry, 1969, 126, p. 325-334. P. J. Resnick, Murder of the newborn: a psychiatric review of neonaticide. American Journal of Psychiatry, 1970, 126, p. 1414-1420.
[7] A. Wilczynski, Child homocide. London: Greenwich medical media ltd, 1997. A. Wilczynski, Prior agency contact and physical abuse in cases of child homicide. British Journal of social work, 1997, 27, p. 241-253. A. Wilczynski, Prior agency contact and physical abuse in cases of child homicide. British Journal of social work, 1997, 27, p. 241-253.
[8] A. J. Verheugt, Moordouders. Kinderdoding in Nederland: een klinisch en forensisch psychologische studie naar de persoon van de kinderdoder. Van Gorcum, Assen 2007.
[9] D. Bourget, J. Grace and L. Whitehurst. A review of maternal and paternal filicide. Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law, 2007, 28, p. 74-82.
[10] A. Wilczynski, Child homocide. London: Greenwich medical media ltd, 1997.
[11] D. Bourget, J. Grace and L. Whitehurst. A review of maternal and paternal filicide. Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law, 2007, 28, p. 74-82.
[12] G. R. McKee and S.J. Shea. Maternal filicide: a cross-national comparison. Journal of Clinical Psychology, 1998, 54, p. 679-687.
[13] A. Wilczynski, Child homocide. London: Greenwich medical media ltd, 1997.
[14] A. Wilczynski, Child homocide. London: Greenwich medical media ltd, 1997.
[15] D. Bourget, J. Grace and L. Whitehurst. A review of maternal and paternal filicide. Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law, 2007, 28, p. 74-82.


http://rechten.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Tijdschriften/Ontmoetingen/nr.16/verheugt/4.Verheugt_ontmoetingen_16.pdf

donderdag, november 15, 2012

562. EO De Vijfde Dag - Wanhopige strijd om kind - Pieter wil zijn zoon weer zien

Uitzending van EO - De Vijfde Dag op donderdagavond 15 november 2012 om 21.05 uur op Nederland 2

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.


Pieter is boos op Jeugdzorg, omdat hij vindt dat ze hem tegen werken in het contact met zijn zoon. Sinds 2008 heeft Pieter zijn zoon door toedoen van jeugdzorg en de moeder niet meer gesproken. De Vijfde Dag over een vader die al ruim 10 jaar vecht voor een normale omgang met zijn zoon en in een onafhankelijk gerechtelijk onderzoek vrijwel op alle punten gelijk krijgt, maar desondanks nog steeds met lege handen staat.

Je zult het contact met je eigen kind verliezen. Jaarlijks overkomt dat vele duizenden ouders in Nederland. De Vijfde Dag volgt Pieter, die sinds zijn scheiding in 2001 een wanhopige strijd voert om zijn zoon Max te mogen zien.

Pieter heeft een omgangsregeling die hem het recht geeft om Max eens in de zoveel tijd te zien, maar zijn ex-vrouw weigert daar aan mee te werken. Als Pieter Max eens bij haar op komt halen, zegt zij dat hij ziek is. Wanneer hij zijn zoon toch meeneemt, belt zij de politie om aangifte te doen van ontvoering. Pieter wordt klemgereden door vier politieauto's en moet mee naar het bureau.

Ook de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg maakt niet dat Pieter zijn zoon vaker kan zien. Integendeel: in 2011 wordt het hem zelfs verboden om zijn zoon nog langer te zien. Volgens Jeugdzorg is dat om rust voor Max te creëren. Maar een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de rechter stelt Pieter in bijna alle punten in het gelijk. Jeugdzorg heeft gefaald, want de problemen van Max zijn alleen maar toegenomen tijdens hun bemoeienis.

De weg lijkt vrij voor Pieter om weer contact met Max op te nemen. Maar dat blijkt ingewikkelder dan het lijkt. En wil Max zijn vader eigenlijk wel zien?

Studiodiscussie
In de studio discussiëren Jan Dirk Sprokkereef van Jeugdzorg Nederland en familieadvocaat Resit Kaya met elkaar over de vraag hoe Bureau Jeugdzorg de waarheid kan achterhalen wanneer beide ouders elkaar tegenspreken. En hoe sterk moet de mening van het kind worden meegewogen?

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
EO - De Vijfde Dag : 14-11-2012

Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem.

Ouders die problemen ondervinden met een omgangsregeling, omdat de andere ouder niet meewerkt, kunnen een tweetal wegen bewandelen. Ze kunnen naar een advocaat stappen, die een civiele procedure start, maar ze kunnen ook naar de politie stappen en aangifte doen. Die laatste route blijkt door de opstelling van politie en justitie echter zelden succesvol. Ze verwijzen doorgaans terug naar het civiel recht.

Ten onrechte, volgens Benjamin Wondergem, die als recherchekundige én ervaringsdeskundige onderzoek deed onder politie en justitie naar hoe aangiftes bij omgangsproblemen worden behandeld. ,,Ik heb in mijn onderzoek gemerkt dat er veel te weinig kennis is, zowel bij de politie als bij justitie, over wat de strafrechtelijke mogelijkheden zijn als iemand weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Daardoor zijn agenten, maar ook officieren van justitie weinig geneigd om aangiftes op te nemen en te vervolgen.’’

Kinderen de dupe
De route via de familierechter is vaak een lange, geldverslindende procedure die soms jarenlang duurt, volgens Wondergem. ,,Daardoor worden kinderen onnodig gedupeerd. Hoe langer zoiets duurt, hoe moeilijker de situatie komt te liggen. Omdat kinderen steeds meer loyaliteit ervaren richting de ouder bij wie ze wonen en daardoor bij ruzie tussen de ouders ook steeds meer vervreemd raken van de andere ouder. Er moet dus snel gehandeld worden.’’

Het strafrecht biedt mogelijkheden om snel en effectief te handelen, volgens Wondergem. Toch biedt het geen garantie op succes: ,,Als je een ouder- veroordeelt, geeft dat nog geen garantie dat de andere ouder daarna het kind wel kan zien. Maar het is in ieder geval een belangrijk signaal naar ouders toe, dat ze niet zomaar ongestraft niét mee kunnen werken aan een omgangsregeling.’’

Mediation
De echte oplossing zit er volgens Wondergem in dat ouders beseffen wat ze hun kind aandoen, door voortdurend confrontaties te zoeken en niet mee te werken. ,,Als politie en justitie snel handelen en de zaak voor de rechter komt, moet er eigenlijk direct mediation komen. Verplichte behandeling! Een ouder moet inzien wat hij of zij een kind aandoet door het van de andere ouder weg te houden en daarmee het kind in een conflictsituatie te plaatsen.’’

+ Handleiding Aangifte Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij niet nakomen omgang bij gezamenlijk gezag van het Vader Kennis Centrum

Bij deze reportage

'Politie en justitie moeten actiever toezien op naleving omgangsregeling'
Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem hier.


VADER KENNIS CENTRUM
Informatie en kennis die eraan bijdraagt om de rol van beide ouders bij de opvoeding van, de zorg voor en het onderwijs aan kinderen op waarde te schatten en met overheidsbeleid te ondersteunen. Zie hier.

Samenvatting kijkersreacties: Kijker overwoog zelfmoord door omgangsproblemen
Een samenvatting van de bijna tweehonderd reacties leverde de reportage over omgangsproblemen op, die De Vijfde Dag op donderdag 15 november 2012 uitzond. Sommige kijkers hebben zelfs zelfmoord overwogen vanwege de omgangsproblemen. U leest de samenvatting hier.

Wat kun je doen als je ex-partner niet meewerkt aan een omgangsregeling?
Je ex-partner staat je niet toe je kind te blijven zien. De afgesproken omgangsregeling wordt niet nageleefd. Wat kun je dan doen? De Vijfde Dag zet het hier op een rijtje.

Waarom Max onherkenbaar is gemaakt
De Vijfde Dag heeft er bewust voor gekozen om ‘Max’ onherkenbaar in beeld te brengen. Dit omdat de minderjarige jongen al slachtoffer is van de situatie waarin hij zich bevindt en hij niet ook nog eens ‘slachtoffer’ moet worden van een uitzending waarin de ruzie tussen zijn ouders centraal staat. Zie verder hier.


zondag, november 23, 2008

216. OM - Zedenzaken bij echtscheiding meestal onterecht

'Aantijging kindermisbruik meestal onterecht'

Dat blijkt uit een rapport over zedenzaken na echtscheidingen.

Beschuldigingen van kindermisbruik na een conflictueuze echtscheiding zijn meestal onterecht. Dit blijkt uit het rapport Misbruik, misleiding en misverstanden. Het is opgesteld door de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, die complexe, twijfelachtige politiedossiers beoordeelt. In de expertisegroep, die is ingesteld door het Openbaar Ministerie, werken specialisten uit vier disciplines samen. Ze hebben strafdossiers bestudeerd van 42 zedenzaken die zijn begonnen na een echtscheiding en adviezen uitgebracht aan officieren van justitie. In 95 procent van deze zaken pleitten de experts voor het stopzetten van de vervolging.

Zie verder hieronder.
Zie ook: Vader vals beschuldigd (Jurisprudentie Ouderschap na scheiding (NL): 206. Kwaadwillende moeders - valse beschuldigingen - collaborerende hulpverleners (crèche, paranormale genezers))

Onderzoeksverslag Expertisegroep Zedenzaken verschenen
Bron: Openbaar Ministerie - 21 november 2008

Vandaag verschijnt het derde onderzoeksverslag van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, getiteld ‘Misbruik, Misleiding en Misverstanden’ ( Nierop & Van den Eshof, 2008). Het verslag wordt vandaag in Zeist gepresenteerd op een symposium voor politie en openbaar ministerie. De Expertisegroep adviseert officieren van justitie omtrent het al dan niet voortzetten van de vervolging bij aangiften van seksueel misbruik waarover twijfel bestaat.

Uit onderzoek onder officieren van justitie blijkt dat zij de adviezen van de Expertisegroep vrijwel altijd overnemen. Conform de Aanwijzing ‘Opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’ is voor officieren van justitie consultatie van de Expertisegroep in sommige gevallen verplicht (bij aangiften gebaseerd op hervonden herinneringen, aangiften van misbruik voor de derde verjaardag en aangiften met aspecten van ritueel misbruik) en in andere gevallen facultatief (zoals aangiften van seksueel misbruik na echtscheiding). Hoewel officieren van justitie niet verplicht zijn beschuldigingen van seksueel misbruik na echtscheiding voor te leggen, vormt dit voor de Expertisegroep inmiddels de grootste categorie zaken (30%).

Adviezen Expertisegroep
In 69% van de zaken uit de verslagperiode 2003-2007 concludeerde de Expertisegroep dat er sprake was van onvoldoende aanwijzingen (tegenstrijdigheden, onjuistheden, onmogelijkheden, ernstige tekortkomingen) en werd geadviseerd het onderzoek te stoppen. In 9% van de zaken werd geadviseerd het onderzoek te stoppen, omdat het dossier onvoldoende relevante informatie bevatte voor een beoordeling door de Expertisegroep, terwijl nader onderzoek zinloos was vanwege cruciale fouten in de ontstaansgeschiedenis van de zaak.

In 18% van de zaken bevatte het dossier onvoldoende relevante informatie voor een beoordeling door de Expertisegroep, maar was nader onderzoek zinvol en werden opsporingsaanbevelingen gedaan. In 4% van de voorgelegde zaken concludeerde de Expertisegroep dat er geen tekortkomingen waren in de ontstaansgeschiedenis van de beschuldiging en er voldoende feiten waren die de aangifte ondersteunden, en werd geadviseerd over te gaan tot vervolging van de beschuldigde. Bij aangiften van seksueel misbruik na echtscheiding werd in 95% van de gevallen geadviseerd het onderzoek te stoppen (86% ernstige tekortkomingen, 9% nader onderzoek zinloos).

Analysemodel
Aan de hand van voorbeelden wordt in het verslag uitvoerig ingegaan op de aard van de zaken. In een meer theoretisch deel van het verslag lanceren de onderzoekers Nierop en Van den Eshof bovendien het Scenario Analyse Model (SAM). In dit analysemodel wordt een onderscheid gemaakt tussen doelbewuste valse beschuldigingen (misleiding) en onjuiste interpretaties van bijvoorbeeld gedrag, verzorgingshandelingen, dromen, klinische of medische gegevens (misverstanden). Daarbij worden factoren weergegeven die op diverse momenten in de ontstaansgeschiedenis van onjuiste beschuldigingen een rol kunnen spelen.

Het gaat hierbij om achtergrondfactoren (conflicten, psychische problemen, bezorgdheid) en om escalerende factoren die zich voordoen tijdens het ontstaan van onjuiste beschuldigingen (bijvoorbeeld suggestief of frequent ondervragen, shoppen bij hulpverleners) of tijdens het opsporingsonderzoek (zoals hulpverlening laten prevaleren boven waarheidsvinding, onvoldoende doorvragen, tegenstrijdigheden niet in kaart brengen). Het analysemodel kan door politie en justitie worden gebruikt als checklist bij het opsporingsonderzoek en is daarom ook als uitvouwbare poster toegevoegd aan het verslag.

Multidisciplinair
De Expertisegroep is multidisciplinair samengesteld en bestaat uit ongeveer twintig deskundigen: rechtspsychologen en cognitief psychologen, klinisch psychologen en orthopedagogen, ervaren zedenrechercheurs en gedragskundigen van het Korps landelijke politiediensten die de rapporten schrijven. De zaken worden in principe door subcommissies van vier deskundigen beoordeeld. Sinds de oprichting van de Expertisegroep in 1999 zijn 250 zaken behandeld.

Tijdens het symposium van vandaag worden presentaties gegeven over de Expertisegroep, het Scenario Analyse Model, omstreden herinneringen, omstreden therapeuten, de normale seksuele ontwikkeling van kinderen, problemen bij studioverhoren, beschuldigingen van seksueel misbruik met betrekking tot verstandelijk gehandicapten en de aanpak van de politie bij onjuiste beschuldigingen.

Bestand: Onderzoeksrapport 'Misbruik, misleiding en misverstanden'(2 Mb)|pdf-bestand

Zie ook:
---------------------------------------------

Rapport : Misbruik, Misleiding en Misverstanden - onderzoeksverslag van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken over de periode 2003-2007
Bron: Openbaar Ministerie; mr. drs. N.M. Nierop & mr. drs. P. van den Eshof; Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken; november 2008

--------------------------
10. Conclusies en aanbevelingen uit het onderzoeksverslag

Ingediende zaken
De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken heeft sinds haar instelling in 1999 ruim 200 zaken beoordeeld. Vanaf 2006 is sprake van een toename van het aantal verzoeken. Het aantal zaken dat krachtens de Aanwijzing verplicht8 is voorgelegd is in de loop der jaren afgenomen. Het aantal zaken dat op facultatieve basis is voorgelegd is in de loop der jaren toegenomen. In de eerste jaren lag de nadruk op hervonden herinneringen en ritueel misbruik. Tegenwoordig worden vooral beschuldigingen van seksueel misbruik na een echtscheiding9 voorgelegd (30%). De Expertisegroep stelt vast dat dit de meest problematische zaken zijn: in 95% van alle gevallen werd aan de officier van justitie geadviseerd om het rechercheonderzoek te stoppen.

Analyse in een vroeg stadium
Een aangifte van seksueel misbruik, al dan niet in een afhankelijkheidsrelatie, vormt een zware beschuldiging. Voor de onschuldige verdachte zijn de gevolgen dramatisch, zelfs indien de beschuldigde later door de rechter wordt vrijgesproken.

Het strafproces over een zedenmisdrijf genereert publiciteit en voor de oppervlakkige toeschouwer is de vuistregel: waar rook is, is vuur. De betekenis van vrijspraak is daarom voor velen slechts dat de feiten niet konden worden bewezen. Daarom is belangrijk om in een vroeg stadium te onderzoeken of er sprake is van misbruik, misleiding of misverstanden.

De degelijkheid van het rechercheonderzoek is daarbij cruciaal. Hierbij zijn vijf punten van belang: (1) de volledigheid van de aangifte, (2) het ontrafelen van de ontstaansgeschiedenis van de aangifte, (3) het beschrijven van de chronologie van gebeurtenissen (het maken van een tijdlijn), (4) het rechercheren naar de overeenstemming tussen beweringen en feiten (de validiteit), en (5) de beoordeling van het technische realisme van het aangiftescenario. Het Scenario Analyse Model dat in dit verslag wordt gepresenteerd, kan daarbij dienen als leidraad.

Omstreden herinneringen en therapie
Een groot deel van de vermeende slachtoffers is in therapie (geweest). De Expertisegroep vraagt zich af of hulpverleners voldoende op de hoogte zijn van de richtlijnen uit het rapport Omstreden Herinneringen van de Gezondheidsraad (2004).

Er zijn nog steeds voorbeelden van hulpverleners die klinische gegevens, dromen of beelden interpreteren en vervolgens stellige uitspraken doen over de validiteit (‘geloofwaardigheid’) van beweringen van cliënten. Het gaat hierbij beslist niet alleen om alternatieve hulpverleners, maar ook om reguliere, BIG-geregistreerde theapeuten.

Hervonden herinneringen ontstaan niet altijd in therapie; ze kunnen bijvoorbeeld ook ontstaan in gesprekken tussen aangeefsters en andere personen met wie een vertrouwensband bestaat. Ook komt het voor dat het hervinden van herinneringen de aanleiding vormt om in therapie te gaan en dat in een thepeutische setting wordt getracht meer herinneringen naar boven te halen.

Het onderscheid tussen hervonden herinneringen en oude herinneringen (seksueel misbruik dat acht jaar geleden zou hebben plaatsgevonden) is in sommige gevallen moeilijk te maken: is de herinnering continu of hervonden? Voor het beoordelen van aangiften blijkt dit onderscheid weinig relevant, omdat de Expertisegroep de ontstaansgeschiedenis analyseert en in alle gevallen onderzoekt of er feiten en oorspronkelijke getuigenverklaringen zijn die de aangifte ondersteunen. In de meeste gevallen constateert de Expertisegroep ernstige tekortkomingen. Opvallend is dat er veel overeenkomsten zijn tussen beide categorieën zaken en aangeefsters.

Dit geldt overigens ook voor de groep aangeefsters met een uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis die beschuldigingen uiten van seksueel misbruik die niet gebaseerd zijn op hervonden herinneringen.

Seksueel misbruik en echtscheidingen
De Expertisegroep adviseert voorzichtig te zijn met beschuldigingen van seksueel misbruik die zijn gebaseerd op het interpreteren van opvallend gedrag van jonge kinderen. In de zaken die de Expertisegroep heeft beoordeeld zijn veel voorbeelden te vinden van bezorgde ouders die onvoldoende weten over de ontluikende seksuele ontwikkeling van kinderen (‘doktertje spelen’). Verder blijkt de intieme situatie van verzorgingshandelingen (wassen, douchen, verschonen, verplegen) een kwetsbare omgeving te zijn voor het ontstaan van onjuiste vermoedens. In een ruzieachtige sfeer tussen gescheiden ouders waarin een conflict bestaat over de toewijzing of verzorging van kinderen leiden seksueel getinte uitspraken van jonge kinderen gemakkelijk tot een onjuiste interpretatie van signalen.

Omdat in dergelijke zaken ondersteunend bewijs ontbreekt, is het studioverhoor van beslissende betekenis. De ervaren verhoorder weet dat de verwachtingen hooggespannen zijn. Enerzijds wil hij laten zien dat hij over professionele kwaliteiten beschikt om ‘alles eruit te krijgen’; anderzijds moet hij de waarheidsvinding voor ogen houden. Indien een verhoor in een dergelijke situatie ‘niets’ oplevert, voldoet het meestal niet aan de verwachtingen van een aangever. In plaats van opluchting omdat er misschien niets is gebeurd, is meestal sprake van teleurstelling.

Er zijn gevallen waarin een ouder zodanig is gefixeerd op het vaststellen van het slachtofferschap van het kind, dat er sprake is van een verontrustend opvoedingsklimaat. De Expertisegroep signaleert in adviesrapporten regelmatig dergelijke situaties, maar kan daar weinig aan doen.

Verstandelijk gehandicapten
De Expertisegroep heeft een aantal zaken beoordeeld waarin ‘taxatiegesprekken’ zijn gevoerd met verstandelijk gehandicapten. In de praktijk zijn deze taxatiegesprekken van wisselende kwaliteit. Verder stelt de Expertisegroep vast dat er in taxatiegesprekken sprake is van (pogingen tot) waarheidsvinding. Daarom is het noodzakelijk dat deze gesprekken audiovisueel worden vastgelegd. Wanneer wordt besloten aangifte te doen, zouden deze beeld- en geluidsopnames beschikbaar moeten worden gesteld aan de politie. Momenteel is dit niet altijd het geval.

Naleving van voorschriften uit de Aanwijzing
In de Aanwijzing Opsporing en vervolging van seksueel misbruik staan allerlei voorschriften voor de politie. De Aanwijzing is niet op alle punten even logisch, de formuleringen zijn niet altijd helder en er wordt niet toegelicht hoe het naleven van voorschriften moet worden vermeld in het dossier.

Er zijn nog altijd regels die niet worden nageleefd. Veel aangiften worden niet op geluidsband opgenomen, of althans er wordt geen melding van gemaakt in het dossier.

Over het informatieve gesprek staan geen of te weinig gegevens in het dossier. Er worden nauwelijks tijdlijnen gemaakt; dit probleem heeft de Expertisegroep in het vorige verslag ook gesignaleerd. Blijkens de jurisprudentie kan het niet naleven van voorschriften uit de Aanwijzing consequenties hebben voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of de bewijsvoering. Het belang van een duidelijk geformuleerde Aanwijzing, naleving van de voorschriften en verslaglegging daarvan is dan ook groot.

Verder is een paar keer naar voren gekomen dat een schriftelijke uitwerking van een studioverhoor niet letterlijk overeenkwam met de werkelijkheid. Dit moet worden toegeschreven aan slordigheid, maar het resultaat was in voornoemde gevallen niet in het voordeel van de beschuldigde. Om die reden heeft de coördinator van de Expertisegroep in 2006 besloten dat alle schriftelijke uitwerkingen van studioverhoren worden vergeleken met de audiovisuele opnamen.

Conclusies in rapporten
De formulering van de conclusies in de rapporten van de Expertisegroep is enigszins gewijzigd. De conclusies worden tegenwoordig geformuleerd in termen van feiten en bewijs; de term ‘geloofwaardigheid’ wordt niet meer gebruikt. Indien er ernstige tekortkomingen zijn of het dossier onvoldoende informatie bevat maar nader onderzoek zinloos is, wordt geadviseerd om te stoppen. Dit gebeurt vaak (78%) en hieruit kan de conclusie worden getrokken dat de Expertisegroep vrij kritisch is. Aan de andere kan moet er op worden gewezen dat dit ook te maken heeft met de aard van de zaken die worden beoordeeld. Vooral dubieuze en problematische zaken worden aan de Expertisegroep voorgelegd. Indien de officier van justitie geen twijfel heeft en wil vervolgen, vraagt hij immers geen advies. De aangiften van seksueel misbruik waarover de Expertisegroep zich buigt, zijn dan ook niet representatief voor aangiften in het algemeen. Het is echter aannemelijk dat de door de politie en hulpverlening gemaakte fouten ook in andere zaken worden gemaakt. Dat geeft te denken.

Taalgebruik
Bij aangiften van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties zijn weinig sporen en is men vaak afhankelijk van verklaringen van aangeefsters en getuigen. Daarom is het belangrijk om in eerste instantie zorgvuldig te zijn met de gebruikte terminologie. In sommige dossiers van discutabele zedenzaken worden termen gebruikt die aan een slordige lezer de indruk geven dat het gaat over feiten. Er wordt gesproken over het slachtoffer, terwijl nadere bestudering duidelijk maakt dat het slachtofferschap ter discussie staat. Er worden getuigen opgevoerd die alleen kunnen verklaren over wat ze van anderen hebben gehoord. En de verdachte blijkt bij nader inzien een beschuldigde. Verder komt voor dat in plaats van een letterlijke weergave samenvattingen zijn gemaakt die sterk zijn gericht op de bewijsvoering en waarin andere informatie is weggelaten.

Onderzoek onder officieren van justitie
De conclusies worden vrijwel altijd door de officier van justitie overgenomen. In de meeste gevallen voldoet het rapport aan de verwachtingen van de officier. Er zijn diverse redenen om een zaak te laten beoordelen. Soms bestaat er twijfel en heeft de officier nog geen mening over de vervolgingsbeslissing, maar in andere gevallen bestaat er behoefte aan onderbouwing van een voornemen om de zaak te seponeren (ter voorkoming van een artikel 12 Wetboek van Strafvordering procedure). Omdat de meeste zaken facultatief worden voorgelegd, gaat het doorgaans om gecompliceerde aangiften. De meeste officieren zijn positief over de kwaliteit van de rapporten. Sinds de Aanwijzing uit 2005 kunnen ook zaken worden voorgelegd waarin een verdachte is of was aangehouden. De keerzijde hiervan is dat de doelstelling van de Aanwijzing (voorkoming van onnodige beschadiging van onterecht beschuldigden) in de knel kan komen.

8 Hervonden herinneringen, herinneringen aan misbruik voor de derde verjaardag en ritueel misbruik.
9 Deze facultatieve categorie is geïntroduceerd in de Aanwijzing van 2005.


---------------------------

Zedenzaken na een echtscheiding veelal onterecht
Bron: de Volkskrant - Binnenland - Van onze verslaggever Menno van Dongen - 21 november 2008

AMSTERDAM - Beschuldigingen van kindermisbruik na een conflictueuze echtscheiding zijn meestal onterecht. Dit blijkt uit het rapport Misbruik, misleiding en misverstanden, dat vandaag wordt gepresenteerd. Het is opgesteld door de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, die complexe, twijfelachtige politiedossiers beoordeelt.

In de expertisegroep, die is ingesteld door het Openbaar Ministerie, werken specialisten uit vier disciplines samen. Ze hebben strafdossiers bestudeerd van 42 zedenzaken die zijn begonnen na een echtscheiding en adviezen uitgebracht aan officieren van justitie. In 95 procent van deze zaken pleitten de experts voor het stopzetten van de vervolging.

In deze gevallen waren er onvoldoende aanwijzingen voor misbruik en signaleerde de groep tegenstrijdigheden, onjuistheden, onmogelijkheden of ernstige tekortkomingen. Veelal was geen sprake van misbruik maar van een uit de hand gelopen misverstand. Ouders reageerden op ‘opvallend’ gedrag dat ze ten onrechte interpreteerden als signaal van misbruik. Alternatieve verklaringen zagen ze over het hoofd.

Vaak constateerde de expertisegroep dat aangiften onbetrouwbaar zijn doordat ouders of hulpverleners suggestieve vragen hebben gesteld, zoals ‘Heeft papa aan je plasser gezeten?’ Ja knikken was soms voldoende voor een ouder om vermoedens te bevestigen.

Meerdere keren kwam het voor dat ex-partners vals werden beschuldigd uit wraak of om een omgangsregeling te beïnvloeden.

De experts waarschuwen hulpverleners en rechercheurs ‘voorzichtig te zijn’ met aangiften na scheidingen waarin sprake is van fikse ruzie over de kinderen.

Uit het rapport blijkt dat ook in zaken met verstandelijk gehandicapten veel mis kan gaan. In veel zaken tegen gehandicapten en hulpverleners zijn er onvoldoende aanwijzingen voor misbruik; in 16 van de 17 zaken adviseerden de experts de vervolging te staken.

De cijfers komen uit een rapport over de periode 2003-2007. In die tijdspanne zijn in totaal 141 zedenzaken beoordeeld. In 78 procent van de gevallen pleitte de groep voor het stopzetten van de vervolging. Slechts 4 procent van de dossiers kon zonder nader politiewerk naar de rechter.

De onderzochte zedenzaken zijn niet representatief voor alle aangiften, waarschuwen de experts, omdat ze vooral complexe, twijfelachtige dossiers beoordelen. ‘Het is echter aannemelijk dat de door de politie en hulpverlening gemaakte fouten ook in andere zaken worden gemaakt. Dat geeft te denken’, aldus het rapport.

Aanbevolen door de redactie: 'Het belangrijkste in mijn leven ben ik kwijt'

----------------------------

‘Mijn kinderen zijn vreemden voor me, mijn leven is kapot’
Bron: de Volkskrant- Binnenland - 21 november 2008

INTERVIEW, Van onze verslaggever Menno van Dongen

Amsterdam - Zijn ex-vrouw beschuldigde hem van misbruik van hun dochter. ‘Ze weet dat ze liegt.’

‘Er is iets ergs gebeurd. Je ex wil niet dat je de kinderen nog ziet.’ Die mededeling van zijn advocaat kwam voor Koos Blumink als een donderslag bij heldere hemel. Zijn ex-vrouw beschuldigde hem zeven jaar geleden van seksueel misbruik van hun 6-jarige dochter Sonja. In het dagboek van het meisje stond een aantekening over een geheim, dat te maken had met haar vader.

Hij herkent veel in het rapport over omstreden zedenzaken dat vandaag wordt gepresenteerd. Ook bij hem sloeg zijn ex alarm na een conflictueuze scheiding en was sprake van ogenschijnlijk vreemd gedrag van een kind.

Na de beschuldiging ging Blumink direct naar het politiebureau. Hij eiste dat een onderzoek werd ingesteld. Maar ze konden niets voor hem doen, omdat zijn ex geen aangifte deed. Hij drong aan, maar ze bleef weigeren ‘in het belang van de kinderen’.

Blumink: ‘Daarna bleek dat sommige hulpverleners haar te gemakkelijk geloofden. Later erkenden ze dat ze fout zaten.’

De Raad voor de Kinderbescherming kwam na onderzoek tot de conclusie dat er niets aan de hand was. De enige bron van het verhaal was de moeder, aldus de Raad: ‘Het seksueel getinte gedrag is alleen zichtbaar bij moeder thuis. Op school en bij haar vader functioneert Sonja normaal. Ze benadert hem spontaan en vrij. Op school is nooit gedrag geconstateerd dat kan duiden op misbruik. Lichamelijke beschadigingen zijn niet zichtbaar, blijkt uit onderzoek in het ziekenhuis. Haar speelgedrag wijst niet op misbruik.’

Blumink mocht de kinderen blijven zien. Maar niet iedereen geloofde in zijn onschuld. ‘Ik wilde dat instanties officieel toegaven dat ik niets had gedaan. Maar ze zeiden dat ze niet aan waarheidsvinding doen. Ik moest accepteren wat er was gebeurd.’

Kort voor een zitting over de omgangsregeling deed zijn ex-vrouw alsnog aangifte. De zaak eindigde in een sepot wegens ‘gebrek aan bewijs’. De politie vond het niet nodig hem te ondervragen.

Een aanklacht tegen de vrouw, wegens een valse aangifte, leidde tot niets. ‘U moet aantonen dat ze u beschuldigt terwijl ze weet dat het niet waar is’, kreeg hij te horen. ‘Als zij dat ontkent, houdt het op.’

Zijn dochter en zoon zijn inmiddels pubers, die hij al ruim een jaar niet meer heeft gezien. Ze willen geen contact met hem omdat ze hun moeder geloven, die volhoudt dat Sonja is misbruikt.

Hij heeft zich bij de situatie neergelegd. ‘Als ik ze benader gaat mijn ex naar de rechter en wordt alles opgerakeld. Dat houd ik niet vol; de kinderen ook niet.’

Meerdere keren stond hij op het punt zelfmoord te plegen. ‘Het belangrijkste in mijn leven ben ik kwijt. Mijn kinderen zijn vreemden voor me, ik weet niet meer wat ze meemaken.’

Hij is woedend op zijn ex. ‘Volgens mij deed ze dit uit wraak. Ze weet dat ze liegt. Zij leeft vrolijk door maar heeft mijn leven kapotgemaakt. Ik wil niet dat ze daarmee wegkomt. Ik haat haar uit het diepst van mijn hart.’

Zijn kinderen neemt hij niets kwalijk. ‘Ze waren jong toen het misging. Ze zijn geïndoctrineerd door hun moeder en kennen alleen haar verhaal. Ik mocht er van advocaten en hulpverleners niet over praten. Ik hoop dat ze ooit zeggen: we willen van onze vader horen wat er is gebeurd.’

--------------------------------------------------

Ex ziet al snel misbruik-zaak
Bron: de Volkskrant - Binnenland - ACHTERGROND, Van onze verslaggever Menno van Dongen - 21 november 2008

Zoetermeer - Als jonge kinderen ‘doktertje spelen’ of seksueel getinte uitspraken doen, gaan bij volwassenen alarmbellen rinkelen. Maar bij dergelijk gedrag wordt te snel gedacht aan misbruik, zegt Paul van den Eshof, coördinator van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken.

Hij heeft in zijn loopbaan als psycholoog bij de politie afschuwelijke zedenzaken gezien. ‘Op het gebied van seksuele perversiteiten is alles denkbaar. Maar ook onterechte beschuldigingen komen voor.’

Een onjuiste verdenking is volgens hem vaak het gevolg van een misverstand dat escaleert. ‘Veel ouders weten te weinig van de seksuele ontwikkeling, die al begint bij heel jonge kinderen. Wat volwassenen abnormaal vinden, is dat vaak niet. Misschien moeten daarover folders worden gemaakt, die bijvoorbeeld bij consultatiebureaus worden neergelegd.’

De expertisegroep is in 1999 in het leven geroepen door het Openbaar Ministerie. Er werken specialisten die twijfelachtige lopende zaken bekijken. Voor die tijd werden ook deskundigen ingeschakeld, maar pas rond een rechtszaak. Nu gebeurt dat soms eerder.

Van den Eshof: ‘Het is slim om snel naar een zaak te kijken. Dan kun je het onderzoek bijsturen of de vervolging staken voor een onschuldige bij de rechter staat.’

Steeds vaker stuurt het OM dossiers over mensen die na scheiding worden beschuldigd door hun ex. In 2003 werden drie van dit soort zaken aangemeld, vorig jaar vijftien. ‘Geleidelijk is het besef doorgedrongen dat in zulke zaken veel misgaat.’

Soms lijkt sprake van wraak, of vallen beschuldigingen samen met rechterlijke besluiten over een omgangsregeling die iemand kennelijk wil beïnvloeden.

Voorzichtigheid is geboden, stellen de experts in hun rapport. ‘In een ruzieachtige sfeer tussen gescheiden ouders die een conflict hebben over toewijzing of verzorging van kinderen leiden seksueel getinte uitspraken van jonge kinderen gemakkelijk tot onjuiste interpretatie van signalen.’

Ouders zijn kwetsbaar door intieme handelingen, zoals het wassen of verschonen van een kind, zegt een van de leden van de expertisegroep, de psycholoog en jurist Nicole Nierop van het Korps landelijke politiediensten.

‘Als de moeder ziet dat een kind elke keer overstuur is nadat het bij vader is geweest, en slecht verzorgd, kan ze te goeder trouw denken dat het misschien is misbruikt. Seksueel misbruik krijgt veel aandacht, mensen leren dat ze alert moeten zijn op signalen.’

Nierop: ‘Daarna gaat het mis als ouders suggestieve vragen stellen. Alleen al door het herhalen van een vraag kan een kind iets verzinnen. Als dat gebeurt en de ouder op zoek gaat naar een arts of hulpverlener die het verhaal bevestigt, is het drama compleet.’

In het rapport wordt een zaak beschreven van een moeder die denkt dat haar kind is misbruikt. Ze benadert veel hulpverleners en doet aangifte na een telefonisch consult van een paragnost die niets van de zaak weet maar haar vermoedens bevestigt.

In zaken met verstandelijk gehandicapten kunnen ook veel misverstanden ontstaan. Een complicerende factor is dat het veronderstelde slachtoffer vaak met hulpverleners uit een instelling spreekt voordat hij aangifte doet.

De expertisegroep bespreekt met de Inspectie voor de Gezondheidszorg hoe onjuiste beschuldigingen in dit soort zaken kunnen worden voorkomen.

Ook rechercheurs maken fouten. Ze stellen bijvoorbeeld onvoldoende vragen tijdens een aangifte. ‘Ik begrijp het, je praat met kinderen of aangevers die geëmotioneerd zijn’, zegt Nierop. ‘Maar een aangifte is het begin van een onderzoek. Het moet steunen op concrete, controleerbare feiten.’

In een door de experts beoordeelde zaak zei een vrouw tijdens een verhoor: ‘Ik denk eigenlijk dat ik niet ben misbruikt door die vriend, maar door mijn broer. Ik ben daar echter niet zeker van.’ Met verbazing constateerde de expertisegroep: ‘Op deze substantiële wijziging in de verklaring wordt niet ingegaan.’

Opvallend is dat sommige regio's nauwelijks advies vragen aan de experts. Utrecht meldde de meeste zaken aan (22), Limburg-Zuid nul.

Van den Eshof: ‘Het is mogelijk dat het OM seponeert of dat ze juist meer zaken voor de rechter brengen. Dan is het nadeel dat de verdachte in het openbaar door de mangel gaat. Je kunt beter worden veroordeeld voor inbraak dan worden vrijgesproken voor een zedenzaak. Je kunt je nauwelijks verdedigen tegen mensen die zeggen: waar rook is, is vuur.’

--------------------------------------------------
'Aantijging kindermisbruik vaak onterecht'
Dag.nl - 21 nov 2008
Beschuldigingen van kindermisbruik na een conflictueuze echtscheiding zijn meestal onterecht. Dit blijkt uit het rapport Misbruik, misleiding en ...

Aangifte misbruik kind na scheiding vaak onterecht
FOK! - 21 nov 2008
Aangiften van seksueel misbruik van een kind zijn bijna altijd onterecht als ze zijn gedaan door een ouder die in echtscheiding ligt. ...

'Beschuldiging kindermisbruik vaak onterecht'
Dag.nl - 21 nov 2008
Beschuldigingen van kindermisbruik na een conflictueuze echtscheiding zijn meestal onterecht. Dit blijkt uit het rapport Misbruik, misleiding en ...

Aangifte misbruik kind na scheiding vaak onterecht
Nieuws.nl - 21 nov 2008
(Novum) - Aangiften van seksueel misbruik van een kind zijn bijna altijd onterecht als ze zijn gedaan door een ouder die in echtscheiding ligt. ...

Onderzoeksverslag Expertisegroep Zedenzaken verschenen
Ezpress (persbericht) - 21 nov 2008
Den Haag, 21 November 2008 /EZPress/ - Vandaag verschijnt het derde onderzoeksverslag van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, ...

Aangifte misbruik vaak onterecht in scheidingszaken
De Telegraaf - 21 nov 2008
DEN HAAG - Aangiften van seksueel misbruik bij kinderen rond problematische echtscheidingen worden vaak onterecht gedaan. In 95 procent van de gevallen ...

Aangifte misbruik vaak onterecht in scheidingszaken
De Telegraaf - 21 nov 2008
DEN HAAG - Aangiften van seksueel misbruik bij kinderen rond problematische echtscheidingen worden vaak onterecht gedaan. In 95 procent van de gevallen ...

Onderzoeksverslag Expertisegroep Zedenzaken verschenen
Nieuwsbank (persbericht) (abonnement) - 21 nov 2008
Het onderzoeksrapport Vandaag verschijnt het derde onderzoeksverslag van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, getiteld `Misbruik, ...

Zedenzaken na een echtscheiding veelal onterecht
Volkskrant - 20 nov 2008
AMSTERDAM - Beschuldigingen van kindermisbruik na een conflictueuze echtscheiding zijn meestal onterecht. Dit blijkt uit het rapport Misbruik, misleiding en ...

Ex ziet al snel misbruik-zaak
Volkskrant - 20 nov 2008
Zoetermeer - Als jonge kinderen ‘doktertje spelen’ of seksueel getinte uitspraken doen, gaan bij volwassenen alarmbellen rinkelen. Maar bij dergelijk gedrag ...

--------------------------------------------------

Het boze oog van de deskundige
Bron: de Volkskrant - Archief, 17-05-1997, pagina 1 katern 'Vervolg'

door Mirjam Schottelndreier

Komt een rechter achter de waarheid in zedenzaken? Steeds vaker wordt een beroep gedaan op een getuige-deskundige. Maar wat als deze op de stoel van de rechter gaat zitten of de taak van de politie overneemt? Hoe troebel is de klinische blik van de deskundige?

'Ik merkte al gauw dat hij aan mijn verhaal geen geloof hechtte.' Mevrouw Grave pakt van de salontafel de NCRV-gids op. 'Volgens mij was er deze week nog iets op tv over dit soort dingen.' Na even bladeren: 'Hier heb ik het, Het kind als getuige in zedenzaken.' Meneer Grave: 'Het houdt ons nog steeds bezig hè, al is het al vijf jaar geleden afgerond.'

Zo op het oog is er in het gehucht Wenum, nabij Apeldoorn, niets aan de hand. Het huis ligt idyllisch tegen de bosrand aan, het grind op de royale oprit knerpt knus onder de schoenzolen, en de voorjaarszon levert de finishing touch aan deze gemoedelijke ansichtkaart.

Maar de vredige schijn bedriegt. Een aantal jaren geleden was er wel degelijk iets aan de hand, dat het leven van de familie Grave bijna een decennium lang volledig ontregelde. 'Twee nichtjes hebben mij in 1987 beschuldigd van ontucht', vertelt Grave. De nichtjes, dochters van een zus van mevrouw, kwamen regelmatig uit hun woonplaats Oude Pekela op bezoek in Wenum. Gewoon, familiebezoek, waarbij vader en moeder ook aanwezig waren. Het was ergens in 1987 dat de twee gezinnen overwogen om op Schiermonnikoog samen een huisje te huren. Grave: 'We belden daarover heen en weer, maar opeens werd door de ouders gezegd dat de meisjes niet mee zouden gaan. Kort daarop werd ik door een hulpverlener gebeld: ik mocht niet mee. Ik kreeg te horen dat de meisjes, ze waren toen ongeveer vijftien en achttien jaar oud, aangifte tegen mij hadden gedaan. Hap snap heb ik later te horen gekregen wat de precieze aanklacht was.'

De werkleider groenvoorzieningen bij de sociale werkplaats werd in Wenum opgepakt en zat 51 dagen in voorarrest. 'Aanvankelijk kon ik me niet verweren, omdat ik niet wist waarvan ik werd beschuldigd. Bovendien was het net in de periode dat Oude Pekela op z'n kop stond door de vermeende ontucht met kleine kinderen. Het volk was geschokt, de publieke opinie gevormd, dus in dat opzicht maakte ik toch al weinig kans. Wat je ook zegt, het zou toen niet veel hebben uitgemaakt.'

Na bijna twee maanden hechtenis kwam Grave vrij en gelastte de rechter-commissaris van de rechtbank in Zutphen een onderzoek naar de geloofwaardigheid van de getuigenissen van de twee meisjes. Voor deze opdracht werd als getuige-deskundige aangewezen de klinisch-psycholoog W. Wolters, hoofd van de psychosociale afdeling in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht, en onlangs nog in het nieuws door zijn pleidooi voor een mediastilte over kindermoordzaken.

'We waren dolblij met die opdracht. De meisjes hadden namelijk de meest onmogelijke aantijgingen gedaan. Ik zou bijvoorbeeld tijdens zo'n familiebezoek met een van de meisjes naar Zuidlaren zijn gereden. Dat is zeker anderhalf uur rijden, en dan moet je ook nog terug. Ik zou niet weten hoe je dat ongemerkt even doet. En zo waren er allemaal beschuldigingen van dingen die ik had gedaan, of die zij hadden gezien, die objectief puur onmogelijk waren. Kortom, wij waren blij met dat onderzoek en twijfelden niet over de goede afloop. We dachten dat het wel snor zat.'

Hoewel Wolters in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de getuigenissen van de twee meisjes moest onderzoeken en dus Grave niet hoefde te spreken, mocht dat laatste wel. Wat ook gebeurde. Grave: 'Ik was supergelukkig toen ik in Utrecht bij Wolters werd uitgenodigd voor een gesprek. Ik had het gevoel eindelijk mijn verhaal eens te kunnen doen. Ik vertrouwde echt op zijn deskundigheid. 'Het gesprek werd helaas een koude douche. We hebben kort met elkaar gesproken, want ik merkte al gauw dat hij aan mijn verhaal geen geloof hechtte. Op zeker moment ben ik gestopt met praten, het had toch geen zin. Hij heeft mij in feite alleen maar gezegd dat hij ervan overtuigd was dat ik het had gedaan. Dat heeft meneer Wolters ook tegenover de rechtbank in Zutphen verklaard, dat ik de dader was.'

Dat Grave op voorhand weinig kans maakte, wordt gestaafd door de rapportage die Wolters uitbracht. 'Op grond van de gesprekken die ik met de meisjes had, kan gesteld worden dat zij allerminst de indruk maken fantasieverhalen te vertellen. Zij komen beiden authentiek en betrouwbaar over. Dit kan niet gezegd worden van dhr. Grave; hij maakt in de voorstelling van zaken een zeer zwakke indruk, ofschoon hij niet onintelligent en vrij systematisch een bepaalde lijn volgt. Dhr. Grave geeft volgens mij een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken. Ik kom dus tot de conclusie dat mijns inziens de verhalen van de meisjes in grote lijnen de werkelijkheid weergeven.'

Grave werd bij de rechtbank in Zutphen veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest. Dat deze veroordeling mede steunde op het geprek met Wolters, blijkt uit het vonnis: 'Daarnaast wordt de rechtbank in haar overtuiging gesterkt door het gedetailleerde betoog van de ter terechtzitting gehoorde getuige/deskundige dr. Wolters.'

Dat waarheidsvinding in zedenzaken een van de moeilijkste opgaven is in de rechtspraak, hoeft geen betoog. Getuigen zijn er zelden of nooit: het gaat meestal om het woord van de verdachte tegen dat van het (vermeende) slachtoffer. Zijn er kinderen bij betrokken, dan wordt het nog lastiger. Steeds vaker wordt een beroep gedaan op een externe deskundige, die de rechtbank adviseert over de betrouwbaarheid van verklaringen. Deze begint bij strafzaken een even vertrouwde figuur te worden als de forensisch-psychiater, die moet vaststellen of een verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Sinds incest en seksueel misbruik van kinderen uit de sfeer van publieke ontkenning zijn geraakt en zedenzaken veelvuldig op de rol van de rechtbank komen, is er naast de verontwaardiging over de daders ook angst en huiver gekomen: over de betrouwbaarheid van de verklaringen van minderjarigen, over de gebruikte methoden om het slachtofferschap van minderjarigen - vooral jonge kinderen - vast te stellen en het daderschap van verdachten aan te tonen. Daar hebben de Bolderkar-affaire in Vaardingen, 'Oude Pekela' en het gebruik van 'anatomisch correcte poppen' toe geleid.

Onlangs werd in Ede een congres gehouden over deze weerbarstige materie. Organisator was de Commissie Getuige-Deskundigen, een vier jaar geleden spontaan opgerichte club van psychologen, pedagogen en juristen. Zij besloten niet langer louter in het openbaar elkaars onderzoeksmethoden te bekritiseren, maar onderling in debat te gaan.

In Ede gooide prof. J. Doek, hoogleraar familierecht in Rotterdam, de knuppel in het hoenderhok met de stelling dat rechters vaak niet in staat zijn te beoordelen of een rapport van een ingeroepen getuige-deskundige wel aan de maat is. De wet stelt bovendien geen enkele kwaliteitseis aan de gedragswetenschapper. Hoog tijd, aldus de Rotterdamse hoogleraar, dat de wet meer duidelijkheid gaat verschaffen. 'Een deskundige die als notoir slecht bekend staat, mag geweigerd worden door een rechter.' Maar, zo prikkelde Doek zijn toehoorders, 'iemand kan goed bekend staan, en toch een beunhaas zijn. De grens is niet altijd even scherp.' Hij pleitte er voor in de tussentijd een checklist te ontwikkelen waarmee justitie kan nagaan of een aangezochte deskundige zijn vak verstaat. Zolang een dergelijke officiële registratie niet bestaat, vindt Doek het van belang dat deskundigen hun papieren overleggen om de rechtbank te tonen wat zij kwalitatief in huis hebben. 'Ik nodig advocaten uit om tot die tijd de kwaliteit van gedragswetenschappelijke rapporten flink ter discussie te stellen. Een meer kritische benadering kan geen kwaad.'

De advocaat van Grave, mr. H. van Vliet, was er zo een. Nadat het hof in Arnhem Grave in hoger beroep had vrijgesproken, stimuleerde hij Grave een klacht in te dienen bij het NIP, de beroepsvereniging van psychologen. De vrijspraak in hoger beroep was mede het gevolg van een onderzoek dat bij deze gelegenheid was gelast naar de persoonlijkheid van de verdachte, Grave dus. In dat psychiatrisch onderzoek, dat uit vijf, zes bijeenkomsten bestond en waarin verscheidene tests werden gedaan, bleef er weinig over van de analyse die Wolters eerder na een gesprek van een uur met Grave had gemaakt en die neerkwam op 'overmatige seksuele gepreoccupeerdheid, geobsedeerdheid, perverse neigingen, sadistische trekken, neiging tot gewelddadig acting out gedrag'. De districtspsychiatrische dienst Amsterdam, die het onderzoek verrichtte, liet er geen spaan van over. 'De uitpraken van de heer Wolters achten wij wetenschappelijk gezien onverantwoord en beroepsethisch laakbaar.' Met dat rapport stapte Grave vervolgens naar het NIP. Het College van Toezicht van dit orgaan beoordeelt bij klachten of de aangeklaagde psycholoog gehandeld heeft conform de beroepscode. Het doel van deze klachtenprocedure is bevordering van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Dat is de ook reden waarom het NIP heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van richtlijnen voor het (laten) verrichten van onderzoek bij vermoedens van seksueel misbruik bij kinderen en intern werkt aan protocollen. Klachten over leden worden beoordeeld aan de hand van het eigen tuchtrecht. Uitspraken van het NIP zijn in principe niet openbaar.

Uit de door Grave zelf overgelegde stukken blijkt dat het College vindt dat Wolters ten minste drie fouten heeft gemaakt. Om te beginnen was hem door de rechter-commissaris niet gevraagd een onderzoek naar Grave te doen. En al was hem dat gevraagd, dan had hij dat met het oog op zijn onderzoekspositie bij de twee meisjes moeten weigeren. Daarnaast had de psycholoog zich 'dermate geïdentificeerd' met de meisjes, dat hij had nagelaten de 'vereiste distantie' te bewaren, waardoor hij de formele regels van de beroepscode 'uit het oog was verloren'. Het College: 'Veelzeggend is in dit verband verweerders aanduiding van de meisjes als mijn cliënten ter zitting.' Ten slotte was Wolters, zo luidde de kritiek, op de 'stoel van de rechter gaan zitten' met zijn uitspraak tegenover de rechtbank die letterlijk luidde: 'Het klopt dat mijn conclusie is dat er seksueel geweld is geweest en dat verdachte de dader is.'

Wolters werd door het NIP voor een jaar voorwaardelijk geschorst. Voor Grave was deze veroordeling een basis om een klacht in te dienen tegen Wolters bij de arrondissementsbank in Utrecht teneinde schadevergoeding te eisen. Die werd in 1993, ten dele, toegewezen.

De gedragsdeskundige die bij een strafzaak wordt ingeroepen, dient onmiddellijk zijn jas van therapeut, betrokken hulpverlener of anderszins partijdige informant uit te trekken. Dat is het motto van prof. W. Wagenaar. 'De rechter moet zelf vaststellen of een kind seksueel is misbruikt, niet de deskundige', doceerde hij in Ede. Wagenaar was ook lid van de Commissie Getuige-Deskundigen. In het dagelijks leven is hij rector van de Rijksuniversiteit Leiden, maar de hoogleraar functieleer geniet groter faam als getuige-deskundige in strafzaken waarin de betrouwbaarheid van het geheugen centraal staat.

In 1992 bracht hij samen met de rechtspsychologen H. Crombag en P. Van Koppen het boek Dubieuze Zaken uit. In zijn Leidse werkkamer vertelt hij dat dit boekwerk, waarin menig strafzaak tot op het bot werd gefileerd, de aanleiding was tot de vorming van de Commissie. 'We hebben in het boek afgegeven op interviews met verdachten die zijn gehouden door deskundigen. Wat we daar tegenkwamen, kon dus echt niet. Veel mensen wordt hierdoor, zo meenden wij, groot onrecht aangedaan.'

Het boek deed veel stof opwaaien. Een vakbroeder die ook de nodige kritiek kreeg te verduren, was psycholoog-psychotherapeut dr. R. Bullens, deskundige op het gebied van seksueel misbruik van kinderen. Deze reageerde daar zeer professioneel op. Wagenaar: 'Het leek hem goed om, als er zoveel onenigheid was onder vakbroeders en -zusters over geschikte en wenselijke onderzoeksmethoden,daar eerst onderling over te praten.' Het congres in Ede betekende een afronding van het werk van de Commissie. Bullens kon er concluderen dat, na de voorgaande stormachtige jaren, een nieuwe periode was aangebroken. 'Tegenwoordig staat de kracht van het argument centraal: zijn verklaringen wel of niet betrouwbaar.'

Toch is met het werk van de Commissie het laatste woord nog lang niet gesproken. In Ede was men er bijvoorbeeld nog helemaal niet uit of voor het verhoren van kinderen in zedenzaken gedragsdeskundigen, zoals orthopedagogen of psychologen, de meest aangewezen figuren zijn, of dat zulke verhoren bij uitstek een taak zijn van de politie. Wagenaar: 'Ik vind het een taak van de politie. Het gaat hier om recherchewerk naar feiten, niet om hulpverlening.' Want het zijn deze rollen die in de praktijk van het verhoren vaak zo moeilijk te scheiden zijn.

Maakt het, bijvoorbeeld, voor een getraumatiseerd kind noch zijn therapeut veel uit of een verdachte naast of in de vagina heeft gezeten, strafrechtelijk betekent dat wel degelijk een verschil. En dan blijven er nog de uiteenlopende opvattingen over, waarover geen ad hoc-commissie het finale woord spreekt. Zo lang de wet geen kwaliteitseisen voorschrijft, kunnen tal van bloemen blijven bloeien. In Ede werd even een blik gegund op de meningsverschillen die in de geleerden-keuken nog altijd leven.

Terwijl Wagenaar zijn visie op taak en gedrag van de getuige-deskundige uiteenzette, viel de - ook aanwezige - Wolters hem spontaan in de rede. Volgens een Amerikaanse commissie, zo riep Wolters hem toe, was het de 'morele plicht' van een deskundige om de rechtbank behandeladviezen te geven. Ook Wolters zat in de Commissie, maar had de club verlaten vanwege 'fundamenteel meningsverschil' (Wagenaar).

In de zaak-Grave is de afwijkende taakopvatting van Wolters terug te vinden. Uit de stukken van het NIP blijkt dat Wolters zich niet aangesproken voelt door de strikte regels waarvoor Wagenaar pleit. In zijn verweerschrift bij het NIP stelt hij dat het zijn 'morele plicht' was zijn bevindingen over Grave door te geven aan de rechter-commissaris. Dat hij 'op de stoel van de rechter' was gaan zitten, vindt de Utrechtse psycholoog onzin. Hij is van mening dat 'een deskundige duidelijk in zijn conclusies dient te zijn'. Zijn krachtige mening over Grave achtte hij bovendien toelaatbaar omdat hij 'als ervaren klinisch psycholoog ook op basis van een kort interview tot conclusies kan komen'. Elders verdedigt hij de toegepaste 'interviewtechniek', wederom met de stelling dat 'deze techniek door een ervaren klinisch psycholoog kan worden toegepast als een betrouwbare methode'.

In Wenum zucht Grave nog na. 'Tegen zulke redeneringen kun je niet op. Ik zie het en ik heb gelijk omdat ik deskundig ben en heel ervaren. Wat moet je dan nog?' Mevrouw Grave schudt het hoofd: 'Die man hééft wat aangericht'

Is voor academici een andere benadering hooguit een theoretisch verschil, voor 'gewone mensen' die het object van zo'n onorthodoxe aanpak zijn, zijn de consequenties ingrijpend. Zo worstelt in Sneek H. Pueper nog steeds met de gevolgen van een echtscheiding ruim tien jaar geleden. Ook hij kreeg te maken met Wolters, die hem onderzocht in verband met het vaststellen van een omgangsregeling voor zijn vijf kinderen.

Pueper toog drie maal naar Utrecht, in de veronderstelling zijn verhaal te mogen doen en echt onderzocht te worden. 'Ik ben uiteindelijk maar weggegaan. Wat ik zei was toch niet waar of deed er niet toe. Ik heb destijds bijvoorbeeld drie keer gevraagd hoe hij wist dat mijn drie jongste kinderen, die ik vanuit de luiers heb grootgebracht, me niet zouden willen zien. Ik heb nog steeds geen antwoord.'

De rapportage over Pueper door Wolters was overwegend negatief, zijn ex kwam er aanmerkelijk beter van af. In zijn wanhoop vroeg Pueper een contra-expertise aan. In 1988 concludeerde D. Rienstra van het advies- en trainingsbureau Tragobé in Dwingeloo dat in het rapport van Wolters 'volkomen onduidelijk is hoe gegevens zijn verzameld, volkomen onduidelijk is hoe ze zijn geselecteerd en gecontroleerd, volkomen onduidelijk is hoe oordelen tot stand zijn gekomen'.

Rienstra gaf het rapport het predikaat 'waardeloos'. Hij voegde er als commentaar aan toe: 'Daarbij hecht ik er aan erop te wijzen dat indien men de feiten uit het rapport op zichzelf beschouwt, er gegronde vermoedens gaan ontstaan dat het rapport niet tot doel heeft om rechters een deskundig advies te geven, maar vermoedelijk alleen bedoeld is om een bepaalde partij in deze zaak te bevoordelen.'

Ook in de zaak van N. Albayaty, de vader die eerder in deze krant tijdens de hausse aan gezinsmoorden een inzicht bood in zijn getergde gemoedstoestand, speelde klinisch-psycholoog Wolters een cruciale rol. Over de herkomst van een officiële brief die Albayaty in zijn bezit heeft, wordt nog getwist: of hij 'gestolen' (Wolters) is of 'legaal, via de brievenbus' (Albayaty) verkregen, feit is dat het krabbeltje onderaan de woorden van Wolters zijn. Er staat: 'Man is volkomen gestoord, wil absoluut geen contact meer met hem.' Een blik, een ontmoeting, een kort gesprek c.q. interview, en dan door de expert veroordeeld worden - is dat nu eenmaal de werkwijze van een bepaalde school in het circuit van de getuige-deskundigen? Wagenaar bestrijdt dit. 'Het gaat niet zozeer om een school, maar om een eeuwenoude gewoonte, genaamd de klinische blik, die van: ''ik heb heel veel ervaring met mensen en als ik ze heel diep in de ogen kijk, dan weet ik of ze de waarheid spreken''. In het handboek Coping with psychiatric en psychological testimony wordt een heel hoofdstuk gewijd aan het bestrijden van de klinische blik. Over het succespercentage van deze methode laat de literatuur weinig misverstand bestaan. Als een deskundige niettemin zegt: dat kan ik wel, dan houdt het op. Er zijn mensen die erin meegaan. En als de rechter ze vertrouwt, tja. Ik vind dat als er niks beters voorhanden is, als er geen goede gevalideerde methoden zijn, dat je het er dan maar mee moet doen. Maar als die er wel zijn, moet je die echt toepassen.'

Omdat het maar een 'klein pestwereldje' is, houdt menigeen uit de beroepsgroep in het openbaar de kaken op elkaar. Maar dat 'controle ontbreekt', er 'veel meer overleg tussen de disciplines' zou moeten komen, dat rechters 'van niks weten' en bovendien vaak 'verzuimen toelichting te vragen op rapportages', wordt daarom niet minder off the record verzucht.

Toch beschouwt Wagenaar deze toenemende bewustwording van de voetangels en klemmen als vooruitgang. Hij is ook tevreden over de groeiende belangstelling voor zijn vragenlijst, waarin gepreciseerd wordt welke vragen men überhaupt kan stellen aan een bepaalde discipline. Niet zelden stelt de rechtbank de getuige-deskundige een willekeurige reeks vragen, die zijn of haar competentie ver te buiten gaan.

Een begin dus van kwaliteitsverbetering: wat wil de rechtbank precies weten en wat kan en mag de deskundige daarover zeggen. Wagenaar: 'Het is een stapje vooruit, in het strafrecht gaan veranderingen nu eenmaal langzaam.'

Dr. W. Wolters was niet bereid mee te werken aan deze reportage.

Op dit artikel berust copyright! © 1999 Media Resultant b.v., resp. de oorspronkelijke uitgever en/of de auteurs