Moordouders, A.J. Verheugt [*], Van Gorcum, 2007
http://rechten.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Tijdschriften/Ontmoetingen/nr.16/verheugt/4.Verheugt_ontmoetingen_16.pdf
Politie en justitie moeten veel actiever handelen als een ouder weigert mee te werken aan een omgangsregeling. Nu verwijzen ze vaak ten onrechte direct door naar een advocaat. Dat zegt politierecherchekundige Benjamin Wondergem.
Onderzoeksverslag Expertisegroep Zedenzaken verschenenIn de expertisegroep, die is ingesteld door het Openbaar Ministerie, werken specialisten uit vier disciplines samen. Ze hebben strafdossiers bestudeerd van 42 zedenzaken die zijn begonnen na een echtscheiding en adviezen uitgebracht aan officieren van justitie. In 95 procent van deze zaken pleitten de experts voor het stopzetten van de vervolging.
In deze gevallen waren er onvoldoende aanwijzingen voor misbruik en signaleerde de groep tegenstrijdigheden, onjuistheden, onmogelijkheden of ernstige tekortkomingen. Veelal was geen sprake van misbruik maar van een uit de hand gelopen misverstand. Ouders reageerden op ‘opvallend’ gedrag dat ze ten onrechte interpreteerden als signaal van misbruik. Alternatieve verklaringen zagen ze over het hoofd.
Vaak constateerde de expertisegroep dat aangiften onbetrouwbaar zijn doordat ouders of hulpverleners suggestieve vragen hebben gesteld, zoals ‘Heeft papa aan je plasser gezeten?’ Ja knikken was soms voldoende voor een ouder om vermoedens te bevestigen.
Meerdere keren kwam het voor dat ex-partners vals werden beschuldigd uit wraak of om een omgangsregeling te beïnvloeden.
De experts waarschuwen hulpverleners en rechercheurs ‘voorzichtig te zijn’ met aangiften na scheidingen waarin sprake is van fikse ruzie over de kinderen.
Uit het rapport blijkt dat ook in zaken met verstandelijk gehandicapten veel mis kan gaan. In veel zaken tegen gehandicapten en hulpverleners zijn er onvoldoende aanwijzingen voor misbruik; in 16 van de 17 zaken adviseerden de experts de vervolging te staken.
De cijfers komen uit een rapport over de periode 2003-2007. In die tijdspanne zijn in totaal 141 zedenzaken beoordeeld. In 78 procent van de gevallen pleitte de groep voor het stopzetten van de vervolging. Slechts 4 procent van de dossiers kon zonder nader politiewerk naar de rechter.
De onderzochte zedenzaken zijn niet representatief voor alle aangiften, waarschuwen de experts, omdat ze vooral complexe, twijfelachtige dossiers beoordelen. ‘Het is echter aannemelijk dat de door de politie en hulpverlening gemaakte fouten ook in andere zaken worden gemaakt. Dat geeft te denken’, aldus het rapport.
Amsterdam - Zijn ex-vrouw beschuldigde hem van misbruik van hun dochter. ‘Ze weet dat ze liegt.’
‘Er is iets ergs gebeurd. Je ex wil niet dat je de kinderen nog ziet.’ Die mededeling van zijn advocaat kwam voor Koos Blumink als een donderslag bij heldere hemel. Zijn ex-vrouw beschuldigde hem zeven jaar geleden van seksueel misbruik van hun 6-jarige dochter Sonja. In het dagboek van het meisje stond een aantekening over een geheim, dat te maken had met haar vader.
Hij herkent veel in het rapport over omstreden zedenzaken dat vandaag wordt gepresenteerd. Ook bij hem sloeg zijn ex alarm na een conflictueuze scheiding en was sprake van ogenschijnlijk vreemd gedrag van een kind.
Na de beschuldiging ging Blumink direct naar het politiebureau. Hij eiste dat een onderzoek werd ingesteld. Maar ze konden niets voor hem doen, omdat zijn ex geen aangifte deed. Hij drong aan, maar ze bleef weigeren ‘in het belang van de kinderen’.
Blumink: ‘Daarna bleek dat sommige hulpverleners haar te gemakkelijk geloofden. Later erkenden ze dat ze fout zaten.’
De Raad voor de Kinderbescherming kwam na onderzoek tot de conclusie dat er niets aan de hand was. De enige bron van het verhaal was de moeder, aldus de Raad: ‘Het seksueel getinte gedrag is alleen zichtbaar bij moeder thuis. Op school en bij haar vader functioneert Sonja normaal. Ze benadert hem spontaan en vrij. Op school is nooit gedrag geconstateerd dat kan duiden op misbruik. Lichamelijke beschadigingen zijn niet zichtbaar, blijkt uit onderzoek in het ziekenhuis. Haar speelgedrag wijst niet op misbruik.’
Blumink mocht de kinderen blijven zien. Maar niet iedereen geloofde in zijn onschuld. ‘Ik wilde dat instanties officieel toegaven dat ik niets had gedaan. Maar ze zeiden dat ze niet aan waarheidsvinding doen. Ik moest accepteren wat er was gebeurd.’
Kort voor een zitting over de omgangsregeling deed zijn ex-vrouw alsnog aangifte. De zaak eindigde in een sepot wegens ‘gebrek aan bewijs’. De politie vond het niet nodig hem te ondervragen.
Een aanklacht tegen de vrouw, wegens een valse aangifte, leidde tot niets. ‘U moet aantonen dat ze u beschuldigt terwijl ze weet dat het niet waar is’, kreeg hij te horen. ‘Als zij dat ontkent, houdt het op.’
Zijn dochter en zoon zijn inmiddels pubers, die hij al ruim een jaar niet meer heeft gezien. Ze willen geen contact met hem omdat ze hun moeder geloven, die volhoudt dat Sonja is misbruikt.
Hij heeft zich bij de situatie neergelegd. ‘Als ik ze benader gaat mijn ex naar de rechter en wordt alles opgerakeld. Dat houd ik niet vol; de kinderen ook niet.’
Meerdere keren stond hij op het punt zelfmoord te plegen. ‘Het belangrijkste in mijn leven ben ik kwijt. Mijn kinderen zijn vreemden voor me, ik weet niet meer wat ze meemaken.’
Hij is woedend op zijn ex. ‘Volgens mij deed ze dit uit wraak. Ze weet dat ze liegt. Zij leeft vrolijk door maar heeft mijn leven kapotgemaakt. Ik wil niet dat ze daarmee wegkomt. Ik haat haar uit het diepst van mijn hart.’
Zijn kinderen neemt hij niets kwalijk. ‘Ze waren jong toen het misging. Ze zijn geïndoctrineerd door hun moeder en kennen alleen haar verhaal. Ik mocht er van advocaten en hulpverleners niet over praten. Ik hoop dat ze ooit zeggen: we willen van onze vader horen wat er is gebeurd.’
--------------------------------------------------Aangifte misbruik kind na scheiding vaak onterecht
FOK! - 21 nov 2008
Aangiften van seksueel misbruik van een kind zijn bijna altijd onterecht als ze zijn gedaan door een ouder die in echtscheiding ligt. ...
Aangifte misbruik kind na scheiding vaak onterecht
Nieuws.nl - 21 nov 2008
(Novum) - Aangiften van seksueel misbruik van een kind zijn bijna altijd onterecht als ze zijn gedaan door een ouder die in echtscheiding ligt. ...
Onderzoeksverslag Expertisegroep Zedenzaken verschenen
Ezpress (persbericht) - 21 nov 2008
Den Haag, 21 November 2008 /EZPress/ - Vandaag verschijnt het derde onderzoeksverslag van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, ...
Aangifte misbruik vaak onterecht in scheidingszaken
De Telegraaf - 21 nov 2008
DEN HAAG - Aangiften van seksueel misbruik bij kinderen rond problematische echtscheidingen worden vaak onterecht gedaan. In 95 procent van de gevallen ...
Aangifte misbruik vaak onterecht in scheidingszaken
De Telegraaf - 21 nov 2008
DEN HAAG - Aangiften van seksueel misbruik bij kinderen rond problematische echtscheidingen worden vaak onterecht gedaan. In 95 procent van de gevallen ...
Onderzoeksverslag Expertisegroep Zedenzaken verschenen
Nieuwsbank (persbericht) (abonnement) - 21 nov 2008
Het onderzoeksrapport Vandaag verschijnt het derde onderzoeksverslag van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken, getiteld `Misbruik, ...
Zedenzaken na een echtscheiding veelal onterecht
Volkskrant - 20 nov 2008
AMSTERDAM - Beschuldigingen van kindermisbruik na een conflictueuze echtscheiding zijn meestal onterecht. Dit blijkt uit het rapport Misbruik, misleiding en ...
Ex ziet al snel misbruik-zaak
Volkskrant - 20 nov 2008
Zoetermeer - Als jonge kinderen ‘doktertje spelen’ of seksueel getinte uitspraken doen, gaan bij volwassenen alarmbellen rinkelen. Maar bij dergelijk gedrag ...
--------------------------------------------------
Het boze oog van de deskundige
Bron: de Volkskrant - Archief, 17-05-1997, pagina 1 katern 'Vervolg'
door Mirjam Schottelndreier
Komt een rechter achter de waarheid in zedenzaken? Steeds vaker wordt een beroep gedaan op een getuige-deskundige. Maar wat als deze op de stoel van de rechter gaat zitten of de taak van de politie overneemt? Hoe troebel is de klinische blik van de deskundige?
'Ik merkte al gauw dat hij aan mijn verhaal geen geloof hechtte.' Mevrouw Grave pakt van de salontafel de NCRV-gids op. 'Volgens mij was er deze week nog iets op tv over dit soort dingen.' Na even bladeren: 'Hier heb ik het, Het kind als getuige in zedenzaken.' Meneer Grave: 'Het houdt ons nog steeds bezig hè, al is het al vijf jaar geleden afgerond.'
Zo op het oog is er in het gehucht Wenum, nabij Apeldoorn, niets aan de hand. Het huis ligt idyllisch tegen de bosrand aan, het grind op de royale oprit knerpt knus onder de schoenzolen, en de voorjaarszon levert de finishing touch aan deze gemoedelijke ansichtkaart.
Maar de vredige schijn bedriegt. Een aantal jaren geleden was er wel degelijk iets aan de hand, dat het leven van de familie Grave bijna een decennium lang volledig ontregelde. 'Twee nichtjes hebben mij in 1987 beschuldigd van ontucht', vertelt Grave. De nichtjes, dochters van een zus van mevrouw, kwamen regelmatig uit hun woonplaats Oude Pekela op bezoek in Wenum. Gewoon, familiebezoek, waarbij vader en moeder ook aanwezig waren. Het was ergens in 1987 dat de twee gezinnen overwogen om op Schiermonnikoog samen een huisje te huren. Grave: 'We belden daarover heen en weer, maar opeens werd door de ouders gezegd dat de meisjes niet mee zouden gaan. Kort daarop werd ik door een hulpverlener gebeld: ik mocht niet mee. Ik kreeg te horen dat de meisjes, ze waren toen ongeveer vijftien en achttien jaar oud, aangifte tegen mij hadden gedaan. Hap snap heb ik later te horen gekregen wat de precieze aanklacht was.'
De werkleider groenvoorzieningen bij de sociale werkplaats werd in Wenum opgepakt en zat 51 dagen in voorarrest. 'Aanvankelijk kon ik me niet verweren, omdat ik niet wist waarvan ik werd beschuldigd. Bovendien was het net in de periode dat Oude Pekela op z'n kop stond door de vermeende ontucht met kleine kinderen. Het volk was geschokt, de publieke opinie gevormd, dus in dat opzicht maakte ik toch al weinig kans. Wat je ook zegt, het zou toen niet veel hebben uitgemaakt.'
Na bijna twee maanden hechtenis kwam Grave vrij en gelastte de rechter-commissaris van de rechtbank in Zutphen een onderzoek naar de geloofwaardigheid van de getuigenissen van de twee meisjes. Voor deze opdracht werd als getuige-deskundige aangewezen de klinisch-psycholoog W. Wolters, hoofd van de psychosociale afdeling in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht, en onlangs nog in het nieuws door zijn pleidooi voor een mediastilte over kindermoordzaken.
'We waren dolblij met die opdracht. De meisjes hadden namelijk de meest onmogelijke aantijgingen gedaan. Ik zou bijvoorbeeld tijdens zo'n familiebezoek met een van de meisjes naar Zuidlaren zijn gereden. Dat is zeker anderhalf uur rijden, en dan moet je ook nog terug. Ik zou niet weten hoe je dat ongemerkt even doet. En zo waren er allemaal beschuldigingen van dingen die ik had gedaan, of die zij hadden gezien, die objectief puur onmogelijk waren. Kortom, wij waren blij met dat onderzoek en twijfelden niet over de goede afloop. We dachten dat het wel snor zat.'
Hoewel Wolters in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de getuigenissen van de twee meisjes moest onderzoeken en dus Grave niet hoefde te spreken, mocht dat laatste wel. Wat ook gebeurde. Grave: 'Ik was supergelukkig toen ik in Utrecht bij Wolters werd uitgenodigd voor een gesprek. Ik had het gevoel eindelijk mijn verhaal eens te kunnen doen. Ik vertrouwde echt op zijn deskundigheid. 'Het gesprek werd helaas een koude douche. We hebben kort met elkaar gesproken, want ik merkte al gauw dat hij aan mijn verhaal geen geloof hechtte. Op zeker moment ben ik gestopt met praten, het had toch geen zin. Hij heeft mij in feite alleen maar gezegd dat hij ervan overtuigd was dat ik het had gedaan. Dat heeft meneer Wolters ook tegenover de rechtbank in Zutphen verklaard, dat ik de dader was.'
Dat Grave op voorhand weinig kans maakte, wordt gestaafd door de rapportage die Wolters uitbracht. 'Op grond van de gesprekken die ik met de meisjes had, kan gesteld worden dat zij allerminst de indruk maken fantasieverhalen te vertellen. Zij komen beiden authentiek en betrouwbaar over. Dit kan niet gezegd worden van dhr. Grave; hij maakt in de voorstelling van zaken een zeer zwakke indruk, ofschoon hij niet onintelligent en vrij systematisch een bepaalde lijn volgt. Dhr. Grave geeft volgens mij een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken. Ik kom dus tot de conclusie dat mijns inziens de verhalen van de meisjes in grote lijnen de werkelijkheid weergeven.'
Grave werd bij de rechtbank in Zutphen veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest. Dat deze veroordeling mede steunde op het geprek met Wolters, blijkt uit het vonnis: 'Daarnaast wordt de rechtbank in haar overtuiging gesterkt door het gedetailleerde betoog van de ter terechtzitting gehoorde getuige/deskundige dr. Wolters.'
Dat waarheidsvinding in zedenzaken een van de moeilijkste opgaven is in de rechtspraak, hoeft geen betoog. Getuigen zijn er zelden of nooit: het gaat meestal om het woord van de verdachte tegen dat van het (vermeende) slachtoffer. Zijn er kinderen bij betrokken, dan wordt het nog lastiger. Steeds vaker wordt een beroep gedaan op een externe deskundige, die de rechtbank adviseert over de betrouwbaarheid van verklaringen. Deze begint bij strafzaken een even vertrouwde figuur te worden als de forensisch-psychiater, die moet vaststellen of een verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.
Sinds incest en seksueel misbruik van kinderen uit de sfeer van publieke ontkenning zijn geraakt en zedenzaken veelvuldig op de rol van de rechtbank komen, is er naast de verontwaardiging over de daders ook angst en huiver gekomen: over de betrouwbaarheid van de verklaringen van minderjarigen, over de gebruikte methoden om het slachtofferschap van minderjarigen - vooral jonge kinderen - vast te stellen en het daderschap van verdachten aan te tonen. Daar hebben de Bolderkar-affaire in Vaardingen, 'Oude Pekela' en het gebruik van 'anatomisch correcte poppen' toe geleid.
Onlangs werd in Ede een congres gehouden over deze weerbarstige materie. Organisator was de Commissie Getuige-Deskundigen, een vier jaar geleden spontaan opgerichte club van psychologen, pedagogen en juristen. Zij besloten niet langer louter in het openbaar elkaars onderzoeksmethoden te bekritiseren, maar onderling in debat te gaan.
In Ede gooide prof. J. Doek, hoogleraar familierecht in Rotterdam, de knuppel in het hoenderhok met de stelling dat rechters vaak niet in staat zijn te beoordelen of een rapport van een ingeroepen getuige-deskundige wel aan de maat is. De wet stelt bovendien geen enkele kwaliteitseis aan de gedragswetenschapper. Hoog tijd, aldus de Rotterdamse hoogleraar, dat de wet meer duidelijkheid gaat verschaffen. 'Een deskundige die als notoir slecht bekend staat, mag geweigerd worden door een rechter.' Maar, zo prikkelde Doek zijn toehoorders, 'iemand kan goed bekend staan, en toch een beunhaas zijn. De grens is niet altijd even scherp.' Hij pleitte er voor in de tussentijd een checklist te ontwikkelen waarmee justitie kan nagaan of een aangezochte deskundige zijn vak verstaat. Zolang een dergelijke officiële registratie niet bestaat, vindt Doek het van belang dat deskundigen hun papieren overleggen om de rechtbank te tonen wat zij kwalitatief in huis hebben. 'Ik nodig advocaten uit om tot die tijd de kwaliteit van gedragswetenschappelijke rapporten flink ter discussie te stellen. Een meer kritische benadering kan geen kwaad.'
De advocaat van Grave, mr. H. van Vliet, was er zo een. Nadat het hof in Arnhem Grave in hoger beroep had vrijgesproken, stimuleerde hij Grave een klacht in te dienen bij het NIP, de beroepsvereniging van psychologen. De vrijspraak in hoger beroep was mede het gevolg van een onderzoek dat bij deze gelegenheid was gelast naar de persoonlijkheid van de verdachte, Grave dus. In dat psychiatrisch onderzoek, dat uit vijf, zes bijeenkomsten bestond en waarin verscheidene tests werden gedaan, bleef er weinig over van de analyse die Wolters eerder na een gesprek van een uur met Grave had gemaakt en die neerkwam op 'overmatige seksuele gepreoccupeerdheid, geobsedeerdheid, perverse neigingen, sadistische trekken, neiging tot gewelddadig acting out gedrag'. De districtspsychiatrische dienst Amsterdam, die het onderzoek verrichtte, liet er geen spaan van over. 'De uitpraken van de heer Wolters achten wij wetenschappelijk gezien onverantwoord en beroepsethisch laakbaar.' Met dat rapport stapte Grave vervolgens naar het NIP. Het College van Toezicht van dit orgaan beoordeelt bij klachten of de aangeklaagde psycholoog gehandeld heeft conform de beroepscode. Het doel van deze klachtenprocedure is bevordering van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Dat is de ook reden waarom het NIP heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van richtlijnen voor het (laten) verrichten van onderzoek bij vermoedens van seksueel misbruik bij kinderen en intern werkt aan protocollen. Klachten over leden worden beoordeeld aan de hand van het eigen tuchtrecht. Uitspraken van het NIP zijn in principe niet openbaar.
Uit de door Grave zelf overgelegde stukken blijkt dat het College vindt dat Wolters ten minste drie fouten heeft gemaakt. Om te beginnen was hem door de rechter-commissaris niet gevraagd een onderzoek naar Grave te doen. En al was hem dat gevraagd, dan had hij dat met het oog op zijn onderzoekspositie bij de twee meisjes moeten weigeren. Daarnaast had de psycholoog zich 'dermate geïdentificeerd' met de meisjes, dat hij had nagelaten de 'vereiste distantie' te bewaren, waardoor hij de formele regels van de beroepscode 'uit het oog was verloren'. Het College: 'Veelzeggend is in dit verband verweerders aanduiding van de meisjes als mijn cliënten ter zitting.' Ten slotte was Wolters, zo luidde de kritiek, op de 'stoel van de rechter gaan zitten' met zijn uitspraak tegenover de rechtbank die letterlijk luidde: 'Het klopt dat mijn conclusie is dat er seksueel geweld is geweest en dat verdachte de dader is.'
Wolters werd door het NIP voor een jaar voorwaardelijk geschorst. Voor Grave was deze veroordeling een basis om een klacht in te dienen tegen Wolters bij de arrondissementsbank in Utrecht teneinde schadevergoeding te eisen. Die werd in 1993, ten dele, toegewezen.
De gedragsdeskundige die bij een strafzaak wordt ingeroepen, dient onmiddellijk zijn jas van therapeut, betrokken hulpverlener of anderszins partijdige informant uit te trekken. Dat is het motto van prof. W. Wagenaar. 'De rechter moet zelf vaststellen of een kind seksueel is misbruikt, niet de deskundige', doceerde hij in Ede. Wagenaar was ook lid van de Commissie Getuige-Deskundigen. In het dagelijks leven is hij rector van de Rijksuniversiteit Leiden, maar de hoogleraar functieleer geniet groter faam als getuige-deskundige in strafzaken waarin de betrouwbaarheid van het geheugen centraal staat.
In 1992 bracht hij samen met de rechtspsychologen H. Crombag en P. Van Koppen het boek Dubieuze Zaken uit. In zijn Leidse werkkamer vertelt hij dat dit boekwerk, waarin menig strafzaak tot op het bot werd gefileerd, de aanleiding was tot de vorming van de Commissie. 'We hebben in het boek afgegeven op interviews met verdachten die zijn gehouden door deskundigen. Wat we daar tegenkwamen, kon dus echt niet. Veel mensen wordt hierdoor, zo meenden wij, groot onrecht aangedaan.'
Het boek deed veel stof opwaaien. Een vakbroeder die ook de nodige kritiek kreeg te verduren, was psycholoog-psychotherapeut dr. R. Bullens, deskundige op het gebied van seksueel misbruik van kinderen. Deze reageerde daar zeer professioneel op. Wagenaar: 'Het leek hem goed om, als er zoveel onenigheid was onder vakbroeders en -zusters over geschikte en wenselijke onderzoeksmethoden,daar eerst onderling over te praten.' Het congres in Ede betekende een afronding van het werk van de Commissie. Bullens kon er concluderen dat, na de voorgaande stormachtige jaren, een nieuwe periode was aangebroken. 'Tegenwoordig staat de kracht van het argument centraal: zijn verklaringen wel of niet betrouwbaar.'
Toch is met het werk van de Commissie het laatste woord nog lang niet gesproken. In Ede was men er bijvoorbeeld nog helemaal niet uit of voor het verhoren van kinderen in zedenzaken gedragsdeskundigen, zoals orthopedagogen of psychologen, de meest aangewezen figuren zijn, of dat zulke verhoren bij uitstek een taak zijn van de politie. Wagenaar: 'Ik vind het een taak van de politie. Het gaat hier om recherchewerk naar feiten, niet om hulpverlening.' Want het zijn deze rollen die in de praktijk van het verhoren vaak zo moeilijk te scheiden zijn.
Maakt het, bijvoorbeeld, voor een getraumatiseerd kind noch zijn therapeut veel uit of een verdachte naast of in de vagina heeft gezeten, strafrechtelijk betekent dat wel degelijk een verschil. En dan blijven er nog de uiteenlopende opvattingen over, waarover geen ad hoc-commissie het finale woord spreekt. Zo lang de wet geen kwaliteitseisen voorschrijft, kunnen tal van bloemen blijven bloeien. In Ede werd even een blik gegund op de meningsverschillen die in de geleerden-keuken nog altijd leven.
Terwijl Wagenaar zijn visie op taak en gedrag van de getuige-deskundige uiteenzette, viel de - ook aanwezige - Wolters hem spontaan in de rede. Volgens een Amerikaanse commissie, zo riep Wolters hem toe, was het de 'morele plicht' van een deskundige om de rechtbank behandeladviezen te geven. Ook Wolters zat in de Commissie, maar had de club verlaten vanwege 'fundamenteel meningsverschil' (Wagenaar).
In de zaak-Grave is de afwijkende taakopvatting van Wolters terug te vinden. Uit de stukken van het NIP blijkt dat Wolters zich niet aangesproken voelt door de strikte regels waarvoor Wagenaar pleit. In zijn verweerschrift bij het NIP stelt hij dat het zijn 'morele plicht' was zijn bevindingen over Grave door te geven aan de rechter-commissaris. Dat hij 'op de stoel van de rechter' was gaan zitten, vindt de Utrechtse psycholoog onzin. Hij is van mening dat 'een deskundige duidelijk in zijn conclusies dient te zijn'. Zijn krachtige mening over Grave achtte hij bovendien toelaatbaar omdat hij 'als ervaren klinisch psycholoog ook op basis van een kort interview tot conclusies kan komen'. Elders verdedigt hij de toegepaste 'interviewtechniek', wederom met de stelling dat 'deze techniek door een ervaren klinisch psycholoog kan worden toegepast als een betrouwbare methode'.
In Wenum zucht Grave nog na. 'Tegen zulke redeneringen kun je niet op. Ik zie het en ik heb gelijk omdat ik deskundig ben en heel ervaren. Wat moet je dan nog?' Mevrouw Grave schudt het hoofd: 'Die man hééft wat aangericht'
Is voor academici een andere benadering hooguit een theoretisch verschil, voor 'gewone mensen' die het object van zo'n onorthodoxe aanpak zijn, zijn de consequenties ingrijpend. Zo worstelt in Sneek H. Pueper nog steeds met de gevolgen van een echtscheiding ruim tien jaar geleden. Ook hij kreeg te maken met Wolters, die hem onderzocht in verband met het vaststellen van een omgangsregeling voor zijn vijf kinderen.
Pueper toog drie maal naar Utrecht, in de veronderstelling zijn verhaal te mogen doen en echt onderzocht te worden. 'Ik ben uiteindelijk maar weggegaan. Wat ik zei was toch niet waar of deed er niet toe. Ik heb destijds bijvoorbeeld drie keer gevraagd hoe hij wist dat mijn drie jongste kinderen, die ik vanuit de luiers heb grootgebracht, me niet zouden willen zien. Ik heb nog steeds geen antwoord.'
De rapportage over Pueper door Wolters was overwegend negatief, zijn ex kwam er aanmerkelijk beter van af. In zijn wanhoop vroeg Pueper een contra-expertise aan. In 1988 concludeerde D. Rienstra van het advies- en trainingsbureau Tragobé in Dwingeloo dat in het rapport van Wolters 'volkomen onduidelijk is hoe gegevens zijn verzameld, volkomen onduidelijk is hoe ze zijn geselecteerd en gecontroleerd, volkomen onduidelijk is hoe oordelen tot stand zijn gekomen'.
Rienstra gaf het rapport het predikaat 'waardeloos'. Hij voegde er als commentaar aan toe: 'Daarbij hecht ik er aan erop te wijzen dat indien men de feiten uit het rapport op zichzelf beschouwt, er gegronde vermoedens gaan ontstaan dat het rapport niet tot doel heeft om rechters een deskundig advies te geven, maar vermoedelijk alleen bedoeld is om een bepaalde partij in deze zaak te bevoordelen.'
Ook in de zaak van N. Albayaty, de vader die eerder in deze krant tijdens de hausse aan gezinsmoorden een inzicht bood in zijn getergde gemoedstoestand, speelde klinisch-psycholoog Wolters een cruciale rol. Over de herkomst van een officiële brief die Albayaty in zijn bezit heeft, wordt nog getwist: of hij 'gestolen' (Wolters) is of 'legaal, via de brievenbus' (Albayaty) verkregen, feit is dat het krabbeltje onderaan de woorden van Wolters zijn. Er staat: 'Man is volkomen gestoord, wil absoluut geen contact meer met hem.' Een blik, een ontmoeting, een kort gesprek c.q. interview, en dan door de expert veroordeeld worden - is dat nu eenmaal de werkwijze van een bepaalde school in het circuit van de getuige-deskundigen? Wagenaar bestrijdt dit. 'Het gaat niet zozeer om een school, maar om een eeuwenoude gewoonte, genaamd de klinische blik, die van: ''ik heb heel veel ervaring met mensen en als ik ze heel diep in de ogen kijk, dan weet ik of ze de waarheid spreken''. In het handboek Coping with psychiatric en psychological testimony wordt een heel hoofdstuk gewijd aan het bestrijden van de klinische blik. Over het succespercentage van deze methode laat de literatuur weinig misverstand bestaan. Als een deskundige niettemin zegt: dat kan ik wel, dan houdt het op. Er zijn mensen die erin meegaan. En als de rechter ze vertrouwt, tja. Ik vind dat als er niks beters voorhanden is, als er geen goede gevalideerde methoden zijn, dat je het er dan maar mee moet doen. Maar als die er wel zijn, moet je die echt toepassen.'
Omdat het maar een 'klein pestwereldje' is, houdt menigeen uit de beroepsgroep in het openbaar de kaken op elkaar. Maar dat 'controle ontbreekt', er 'veel meer overleg tussen de disciplines' zou moeten komen, dat rechters 'van niks weten' en bovendien vaak 'verzuimen toelichting te vragen op rapportages', wordt daarom niet minder off the record verzucht.
Toch beschouwt Wagenaar deze toenemende bewustwording van de voetangels en klemmen als vooruitgang. Hij is ook tevreden over de groeiende belangstelling voor zijn vragenlijst, waarin gepreciseerd wordt welke vragen men überhaupt kan stellen aan een bepaalde discipline. Niet zelden stelt de rechtbank de getuige-deskundige een willekeurige reeks vragen, die zijn of haar competentie ver te buiten gaan.
Een begin dus van kwaliteitsverbetering: wat wil de rechtbank precies weten en wat kan en mag de deskundige daarover zeggen. Wagenaar: 'Het is een stapje vooruit, in het strafrecht gaan veranderingen nu eenmaal langzaam.'
Dr. W. Wolters was niet bereid mee te werken aan deze reportage.
Op dit artikel berust copyright! © 1999 Media Resultant b.v., resp. de oorspronkelijke uitgever en/of de auteurs