Posts tonen met het label artikel 279. Alle posts tonen
Posts tonen met het label artikel 279. Alle posts tonen

dinsdag, november 16, 2010

360. Gerechtshof Leeuwarden acht misdrijf van onttrekking van zoon aan vader door moeder bewezen, maar durft geen straf op te leggen aan moeder

Het Gerechtshof Leeuwarden acht bij haar oordeel vandaag over een Franeker moeder het misdrijf van onttrekking van haar zoon aan zijn vader door de moeder bewezen, maar durft moeders niet te bestraffen en laat vader en zoon na 9 jaar slachtofferschap in de kou staan door een non-straf op te leggen die in de praktijk neerkomt op vrijspraak.

De ontbrekende strafoplegging is temeer teleurstellend omdat de onttrekkende moeder tot en met de dag van de zitting van het gerechtshof (2 november 2010) zelf, en zelfs tot op heden, in haar misdrijf van onttrekking blijft volharden en mag volharden zonder dat daarbij ingegrepen wordt. Het Gerechtshof Leeuwarden meet daarmee bij haar 'recht spreken' over moeders met twee maten en had een vader voor hetzelfde misdrijf met jarenlange gevangenisstraf bestraft.

Waar het Vaderkenniscentrum.nl naast boven gemaakte kanttekeningen desondanks waardering voor uitspreekt is het principegehalte van de uitspraak van de rechters van het Gerechtshof Leeuwarden.

Vaderkenniscentrum.nl
Peter Tromp


Uitspraken:
  • Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep, 16-11-2010, LJN: BO4081
  • Uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden in eerste aanleg, 05-02-2009, LJN: BH2027

Leeuwarder Courant: Lagere straf voor Franeker moeder

Bron: Leeuwarder Courant - Gepubliceerd op 17 november 2010, 08:47

LEEUWARDEN - De Franeker Marina Norbruis die als eerste moeder in Nederland veroordeeld is omdat ze zich niet hield aan de omgangsregeling voor haar zoon, krijgt in hoger beroep een lagere straf.

Het Leeuwarder hof legde haar dinsdag zestig uur voorwaardelijke werkstraf op. De rechtbank veroordeelde haar vorig jaar tot honderd uur werkstraf waarvan veertig uur voorwaardelijk. Het hof houdt met de lagere straf rekening met de omgangsmoeilijkheden tussen de vader en zoon.

------------------

Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden, 16-11-2010, LJN: BO4081


De uitspraak zelf van het Gerechtshof Leeuwarden met parketnummer 24-000413-09 in het Hoger Beroep van de voor onttrekking van haar kind aan de vader (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) vervolgde moeder uit Franeker
Datum uitspraak: 16-11-2010
Datum publicatie: 16-11-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie:
De verdachte wordt ter zake van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf. m.b.t. de verweren: 1. het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is; 2. het hof verwerpt het bewijsverweer; 3. het hof verwerpt het beroep op overmacht en noodweer(exces).

Uitspraak Parketnummer: 24-000413-09
Parketnummer eerste aanleg: 17-754502-08

Arrest van 16 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 5 februari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],
geboren op [1971] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. M.M.E. Rietjens, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen.

De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte - zakelijk weergegeven - niet wederrechtelijk heeft gehandeld zodat het Openbaar Ministerie haar nimmer had mogen vervolgen voor het onttrekken aan het ouderlijk gezag. Artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht mag slechts in zeer bijzondere gevallen zoals kinderontvoering toegepast worden. In deze zaak betreft het enkel een dispuut over de manier waarop de omgangregeling tussen ouder en kind vorm dient te krijgen, hetgeen niet beoogd is door de wetgever. Het vorenstaande dient tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie te leiden.

Het hof overweegt dat het verweer van de raadsvrouw betrekking heeft op rechtsvragen die in het kader van de bespreking van de tenlastelegging en strafbaarheid van verdachte beantwoording behoeven. Dat de verdediging een andere uitleg van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht voorstaat omtrent de toepassingsmogelijkheden van het artikel staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ook overigens is het hof niet gebleken van omstandigheden die tot een dergelijk oordeel aanleiding geven

Het hof verwerpt het verweer.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
zij in of omstreeks de periode van 6 mei 2007 tot en met 14 november 2007, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland (meermalen) (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [kind], geboren op [1997], (telkens) heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag (te weten het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd [vader], door (telkens) (op de data en/of tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van het Gerechtshof d.d. 27 maart 2007) betrekking hebbende op de minderjarige met de gezaghebbende ouder [vader]), de minderjarige niet af te geven aan die [vader] en/of die [vader] niet in staat te stellen de minderjarige bij zich te ontvangen en/of te bezoeken, en/of (aldus)de minderjarige (telkens) buiten bereik van die [vader] en/of bij die [vader] weg te houden, zulks terwijl de minderjarige (telkens) beneden de twaalf jaren oud was.
Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte haar zoon [kind] nimmer in de ten laste gelegde periode doelbewust op de door het gerechtshof vastgestelde tijden bij zich heeft gehouden. Verdachte heeft geen beslissende invloed gehad op de scheiding tussen [kind] en zijn vader, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [kind] zou hebben onttrokken aan het wettig gezag. Derhalve dient zij vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde feit.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat verdachte niet opzettelijk de minderjarige [kind] heeft onttrokken aan het wettig over hem gestelde gezag. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de inhoudelijke toelichting van de raadsvrouw op dit verweer slechts uitdrukkelijk is gevoerd voor zover die ziet op de omgangsmomenten op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007, maar dat de conclusie van de raadsvrouw ziet op alle bij rechterlijke beslissing bepaalde omgangsmomenten in de tenlastegelegde periode.

Het hof stelt voorop dat blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN AR8250) ook degene die (mede) het gezag over het minderjarig kind uitoefent, dit kind kan onttrekken aan het wettelijk over hem/haar gestelde gezag door zich niet te houden aan de bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling

Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 27 maart 2007 heeft het hof voor [vader] een omgangsregeling met [kind] vastgesteld, ingaande 6 mei 2007. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding van 4 mei 2007 verdachte veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling onder verbeurte van een dwangsom en [vader] gemachtigd dit vonnis zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter heeft hierbij overwogen dat verdachte ter terechtzitting in kort geding desgevraagd heeft verklaard niet vrijwillig bereid te zijn de door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling na te komen.

Vaststaat dat in de periode van de tenlastelegging op geen enkele van de 14 door het hof vastgestelde omgangsmomenten omgang tussen [kind] en zijn vader heeft plaatsgevonden.

Aangever [vader] heeft op 7 juni 2007 tegenover de politie verklaard dat hij zich op 6 mei 2007 bij de woning zijn ex-vrouw had gemeld, maar dat zij hun zoon niet aan hem wilde meegeven. Hij had het twee keer gevraagd, maar zij reageerde beide keren negatief. Op 20 mei 2007 en 3 juni 2007 heeft dit zich herhaald. In zijn aanvullende aangifte van 24 januari 2008 heeft [vader] verklaard dat al de keren dat hij langs is geweest om zijn zoon op te halen verdachte de zoon niet mee wilde geven of dat zij zelfs in het geheel niet thuis was.

Verdachte heeft verklaard dat [vader] op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007 kwam om [kind] op te halen en dat [kind] niet is meegegaan. [kind] was overstuur en wilde absoluut niet mee. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij [kind] niet (fysiek) wilde dwingen mee te gaan. Dit was voor haar een moeilijke, maar bewuste keuze. Bij de politie heeft verdachte ook verklaard dat zij op een aantal omgangsmomenten bewust niet thuis is gebleven met [kind]. Eerst op 15 november 2007 is er (begeleide) omgang geweest tussen [vader] en [kind].

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte de beslissende invloed had op de scheiding tussen [kind] en [vader] in de periode genoemd in de tenlastelegging.

Gelet op de mutatie van de politie (pagina 70 van het proces-verbaal) is het hof van oordeel dat verdachte met betrekking tot de omgang op 9 september 2007 niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij de omgangsregeling niet is nagekomen. Gelet op de toezegging van de officier van justitie - wat daar ook van zij - en de mededelingen daaromtrent aan de verdediging is het hof van oordeel dat weliswaar de omgangsregeling niet is nageleefd, maar dat niet kan worden bewezen dat verdachte [kind] opzettelijk heeft ontrokken aan het wettig over hem gestelde gezag.

Met betrekking tot de omgangsmomenten op 29 juli, 12 augustus en 26 augustus 2007 dient eveneens te gelden dat verdachte geen verwijt treft omdat [vader] zich in deze (vakantie) periode niet bij verdachte heeft gemeld voor omgang.

Voor het overige heeft verdachte de omgangsregeling willens en wetens niet nageleefd door [kind] op de vastgestelde data niet af te geven aan [vader]. Verdachte heeft [kind] om haar moverende redenen bewust niet afgegeven en aldus is er sprake van opzet. Het hof acht het ten laste gelegde voor het overige wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 
zij in de periode van 6 mei 2007 tot en met 14 november 2007, te [plaats], meermalen telkens opzettelijk een minderjarige, te weten [kind], geboren op [1997], telkens heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag (te weten het gezag van de vader van de minderjarige, genaamd [vader], door telkens op meerdere data en tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van het Gerechtshof d.d. 27 maart 2007) betrekking hebbende op de minderjarige met de gezaghebbende ouder [vader], de minderjarige niet af te geven aan die [vader], zulks terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte in psychische overmacht heeft gehandeld en heeft daartoe het volgende gesteld.

Verdachte heeft blootgestaan aan een dusdanige psychische druk dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Voorts zag verdachte zich voor een duivels dilemma gesteld. Zij moest kiezen tussen een rechterlijke beslissing en het belang van haar kind. Dat belang zou in haar ogen namelijk worden geschaad als zij [kind] tegen zijn wil aan [vader] zou meegeven. Verdachte zou in dat conflict de juiste keuze hebben gemaakt. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces, omdat zij meende haar zoon te moeten beschermen.

Dit zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

1. Verdachte is met [vader] gehuwd geweest. Uit het huwelijk is op 6 november 1997 [kind] geboren. In 1999 zijn verdachte en [vader] uit elkaar gegaan. [kind] was toen twee jaar oud. Bij beschikking van de rechtbank Zwolle van 11 april 2001 is de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is ontbonden op 10 mei 2001. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over [kind].

Na de scheiding is [kind] bij zijn moeder blijven wonen. Na enige tijd was er vanwege echtscheidingsproblemen geen contact meer tussen [kind] en [vader]. [vader] heeft vervolgens, na reeds jaren geen contact te hebben gehad met zijn zoon, de rechtbank op 15 juni 2004 verzocht een omgangsregeling vast te stellen. De moeder heeft een verweerschrift van 8 september 2004, tevens zelfstandig verzoek (tot gezagswijziging) ingediend. De Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) heeft naar aanleiding van deze verzoeken een rapport opgemaakt d.d. 14 juni 2005. In dit rapport concludeert de Raad dat een omgangsregeling voor [kind] te veel risico's voor zijn emotionele ontwikkeling met zich meebrengt. De ouders roepen dusdanig veel spanning bij elkaar op dat de situatie voor [kind] onbeheersbaar wordt. Vervolgens is bij beschikking van 12 oktober 2005 het verzoek van de moeder afgewezen en zijn er proefcontacten, onder begeleiding van de Raad, vastgesteld. Deze contacten bleken niet realiseerbaar omdat moeder alleen wilde instemmen als zij daarbij achter het oneway-screen aanwezig kon zijn, terwijl vader dat niet wilde. Bij beschikking van 8 februari 2006 is partijen opgedragen mee te werken aan bemiddeling door een mediator, maar dit heeft niet tot resultaat geleid. Bij eindbeschikking van 21 juni 2006 heeft de rechtbank het verzoek van [vader] tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. [vader] is tegen deze beschikking in beroep gegaan.

2. Bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 27 maart 2007 heeft het hof voor [vader] een omgangsregeling met [kind] vastgesteld, beginnend met twee uur per twee weken geleidelijk oplopend tot eenmaal in de twee weken een geheel weekend en de helft van de schoolvakanties. Bij de beoordeling van dit verzoek heeft het hof het belang van het kind als uitgangspunt genomen. Met betrekking tot de vraag of het hebben van omgang met zijn vader voor [kind] meer nadelige gevolgen heeft dan het niet hebben van omgang heeft het hof (onder meer) overwogen:
"dat de moeder geen relevante gronden heeft aangevoerd, laat staan gesubstantieerd, die de conclusie rechtvaardigen dat de vader omgang met zijn zoon moet worden ontzegd. Niet is gebleken dat contact tussen de vader en [kind], ten gevolge van gedragingen van de vader, nadelig zou zijn voor [kind]; de omgang stuit uitsluitend af op het feit dat de ouders niet met elkaar overweg kunnen en, met name, de halsstarrige, weigerachtige houding van de moeder. (...) De moeder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er niets is dat de vader aan zijn gedrag kan wijzigen om haar, de moeder, positief tegenover contact tussen vader en [kind] te laten staan. Het aanbod van de raad ter zitting om alsnog proefcontacten ten kantore van de raad te laten plaatsvinden, waarna de raad nog nader kan rapporteren en adviseren, passeert het hof, mede gelet op de uitlatingen en de toevoeging dat zij zich "never nooit" voor dit doel naar de raad zal begeven. Gelet op het uitsluitend door de moeder gefrustreerde verloop van het door de rechtbank vastgestelde proefcontact is er geen reden om aan te nemen dat de moeder tot andere gedachten kan worden gebracht. Bovendien is het hof van oordeel dat een dergelijk onderzoek [kind] door de te verwachten tegenwerking van de moeder te veel zou belasten. Het hof zal de navolgende omgangsregeling vaststellen, nu het hof dit het meest in het belang van [kind] acht. Het hof zal in de regeling een opbouw opnemen, nu [kind] en zijn vader elkaar lange tijd niet hebben gezien."
Het hof besliste dat [vader] gerechtigd was [kind] bij zich te ontvangen
  • met ingang van zondag 6 mei 2007 voor de duur van twee maanden: eenmaal per twee weken op zondag van 14.00 uur tot 16.00 uur en wel zondag 6 mei 2007, zondag 20 mei 2007, zondag 3 juni 2007 en zondag 17 juni 2007;
  • met ingang van zondag 1 juli 2007 voor de duur van één maand: eenmaal per twee weken op zondag van 14.00 uur tot 18.00 uur en wel op zondag 1 juli 2007, zondag 15 juli 2007 en zondag 29 juli 2007;
  • met ingang van zondag 12 augustus 2007 voor de duur van twee maanden: eenmaal per twee weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur en wel op zondag 12 augustus 2007, zondag 26 augustus 2007, zondag 9 september 2007 en zondag 23 september 2007;
  • en vervolgens met ingang van zondag 7 oktober 2007: een weekend per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;
  • alsmede de helft van de schoolvakanties, zulks voor het eerst met ingang van de kerstvakantie 2007.
3. Vervolgens heeft [vader] in kort geding op 3 mei 2007 gevorderd dat de voorzieningenrechter moeder zal veroordelen haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling zoals beschreven in de beschikking van 27 maart 2007 onder verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft (onder meer) overwogen:
"De vrouw weigert thans uitvoering te geven aan die door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling. Zij stelt zich op het standpunt dat de school van de minderjarige zorgen heeft geuit en dat zij [kind] daarom bij de GGZ Jeugd heeft aangemeld. In haar visie kan zij in redelijkheid besluiten niet mee te werken aan de uitvoering van de omgangsregeling. (...) De voorzieningenrechter deelt het standpunt van de vrouw niet. Voorop staat dat het gerechtshof een weloverwogen beslissing heeft gegeven over de omgangsregeling en deze gefaseerd heeft opgebouwd, rekening houdend met alle belangen. Rechterlijke beslissingen dienen nu eenmaal gerespecteerd te worden.

De leerkracht van de school van [kind] heeft op 14 november 2006 al haar zorgen over [kind] geuit en heeft in het formulier 'oudergesprekken' aangegeven dat het conflict tussen de ouders oorzaak kan zijn van de vermoeidheid en concentratieproblemen van het kind. Ook andere factoren zouden naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter een rol in deze vermoeidheid en het bedplassen kunnen spelen, zoals de wens van [kind] om beroemd te worden. Voorshands kan daaruit echter niet geconcludeerd worden dat [kind] nog steeds geen enkele omgang met zijn vader zou moeten hebben. Een medische contra-indicatie voor omgang is door de vrouw niet aannemelijk gemaakt en daarvan is ook anderszins niet, althans onvoldoende gebleken."
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 mei 2007 verdachte veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling onder verbeurte van een dwangsom en [vader] gemachtigd dit vonnis zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter heeft hierbij overwogen dat de vrouw ter terechtzitting in kort geding desgevraagd heeft verklaard niet bereid te zijn de door het gerechtshof opgelegde omgangsregeling vrijwillig na te komen en desnoods bereid te zijn het maximum van de gevorderde dwangsom te betalen.

4. Vaststaat - zoals reeds eerder overwogen - dat in de ten laste gelegde periode geen enkel omgangscontact heeft plaatsgevonden. Door [vader] is op de vastgestelde dagen en tijden getracht afgifte van [kind] te bewerkstelligen, maar verdachte heeft [kind] niet afgegeven. Bovendien waren verdachte en [kind] op een aantal data niet thuis. Verdachte heeft ervoor gekozen haar zoon niet (fysiek) te dwingen om mee te gaan met vader. Vader is steeds zonder [kind] vertrokken.

Overmacht
Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verdachte heeft gehandeld in psychische overmacht. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Noch op grond van hetgeen naar voren is gebracht ter terechtzitting noch uit overige feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat verdachte op 6 mei 2007, 20 mei 2007 en 3 juni 2007 en ook overigens in de tenlastegelegde periode heeft gehandeld onder invloed van een zodanige psychische dwang, dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Verdachte heeft ervoor gekozen [kind] niet mee te geven aan zijn vader, terwijl zij hiertoe op grond van de rechterlijke beslissingen verplicht was. Aldus had verdachte anders moeten en kunnen handelen dan zij heeft gedaan. Er is niet gebleken van een zodanige psychische toestand bij verdachte dat zij niet anders kon of behoorde te handelen dan zij heeft gedaan, nu zij blijkens voorstaande opsomming een bewuste keuze heeft gemaakt naar aanleiding van haar eigen observaties en interpretaties van het gedrag van haar kind.

Alhoewel de raadsvrouw voornoemd verweer juridisch heeft geëtiketteerd als psychische overmacht geeft het verweer het hof aanleiding het zodanig te begrijpen dat het ook moet worden verstaan als een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte aangegeven dat zij zich zag gesteld voor een duivels dilemma. Enerzijds was er de plicht om mee te werken aan de rechterlijke uitspraak en anderzijds de plicht om als verzorgende moeder haar minderjarige kind te beschermen. Verdachte heeft gekozen voor haar kind. In haar beleving zou het dwingen van [kind] om mee te werken aan de omgangsregeling beschadigend zijn voor haar zoon.

Het hof stelt voorop dat de ouders niet in staat zijn gebleken zelf overeenstemming te bereiken over een omgangsregeling, zodat de beslissing daaromtrent in handen is gelegd van de rechter.

Het gerechtshof heeft uiteindelijk beslist dat omgang dient plaats te vinden en in het verlengde hiervan heeft de voorzieningenrechter beslist dat verdachte hieraan moest meewerken. Gelet op de aard van omgangzaken heeft bij de totstandkoming van de omgangsregeling het belang van het kind vooropgestaan. Dit blijkt ook expliciet uit die rechterlijke beslissingen. De rechters achtten de omgang met zijn vader in het belang van [kind].

Het niet nakomen van een rechterlijke uitspraak kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd worden. Op partijen rust de plicht ook een tegen de wil van één der partijen doch in het belang van het kind vastgestelde omgangsregeling loyaal uit te voeren en daartoe de nodige voorbereidingen te treffen.

Ter terechtzitting van het hof heeft de getuige-deskundige drs. A. de Jong (GZ-psycholoog) verklaard dat de toepassing van dwang schadelijk zou zijn geweest voor [kind]. In de gegeven situatie en op die momenten, met name de eerste drie ontmoetingen, kon van verdachte niet gevergd worden dat zij haar kind zou meegeven aan vader. Verdachte heeft vanuit gedragsdeskundig opzicht terecht gekozen voor haar kind, aldus De Jong.

Het hof is van oordeel dat aan het puur op gedragskundige overwegingen berustende oordeel van deze getuige-deskundige geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht en dat meer gewicht moet worden toegekend aan het gegeven rechtsoordeel, temeer omdat daarbij - zoals aangegeven - ook het belang van het kind als uitgangspunt is genomen.

Dat de verklaring van verdachte steun vindt in de verklaring van de getuige-deskundige leidt niet tot de conclusie dat verdachte ook een gerechtvaardigd beroep kan doen op overmacht in de vorm van noodtoestand. De wil van een kind is niet bepalend voor het uitvoeren van een omgangsregeling. Het hof is van oordeel dat verdachte haar kind op de omgangsmomenten had moeten afgeven aan vader, desnoods tegen de wil van het kind. Bij het afwegen van bovengenoemde belangen heeft verdachte niet de juiste keuze gemaakt. Verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een zodanig conflict van plichten dat zij niet aan de rechterlijke uitspraak kon voldoen

Het beroep op overmacht wordt derhalve op beide onderdelen verworpen.

Noodweer(exces)
De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof subsidiair aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu zij heeft gehandeld uit noodweer(exces). Dit verweer wordt verworpen, omdat het hof uitgaat van de gang van zaken zoals hiervoor geschetst en er derhalve geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van in dit geval een anders lijf, te weten dat van [kind]. [vader] kwam in het kader van de omgangsregeling met recht en reden - en derhalve niet wederrechtelijk - zijn kind ophalen en ook is niet gebleken van enig fysiek ingrijpen van [vader] in de richting van [kind]. Om die reden mist het verweer feitelijke grondslag.

Het hof acht verdachte strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van haar destijds 9-jarige zoon [kind] aan het wettig gezag. Door de rechtens vastgestelde omgangsregeling niet na te leven heeft zij de vader het recht ontnomen om in een belangrijke levensfase van het kind een rol te spelen en een band met het kind op te bouwen.

Het hof heeft begrip voor het feit dat verdachte meende te handelen in het belang van haar kind, maar ze heeft daarbij een rechterlijke uitspraak welbewust genegeerd.

Voorts heeft het hof er rekening mee gehouden dat de omgangsproblemen een onderdeel zijn van een slepende echtscheidingsproblematiek, waarvoor beide ouders verantwoordelijkheid dragen.

Verder heeft het hof gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 14 september 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf van 60 uren passend en geboden is. In deze straf komt enerzijds het strafwaardige gedrag tot uitdrukking, maar anderzijds ook de bijzondere omstandigheden waarmee het hof rekening houdt. De voorwaardelijke straf dient ook als waarschuwing en als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: 
  • vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
  • verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
  • verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
  • veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;
  • beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier.

==================================

Overzicht van samenhangende artikelen bij Vaderkenniscentrum.nl:

Uitspraak Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep op 16 november 2010:
---------------------------------
Uitspraak Rechtbank Leeuwarden in eerste aanleg op 5 februari 2009:
---------------------------------
Vader Peter Brons wint Vaderdagtrofee m/v 2009 voor doorzettingsvermogen:
---------------------------------
Handreiking Vaderkenniscentrum voor de aangifte van onttrekking (Art. 279):
------------------------------------
Samenhangende berichten:
----------------------------------------
Mediaberichtgeving over civiele gijzeling in het familierecht:

maandag, augustus 02, 2010

356. Negen jaar cel voor oudervervreemding

LJN: BN2989, Gerechtshof Arnhem, 21-004252-08
Datum uitspraak: 19-07-2010
Datum publicatie: 02-08-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie:
Maximale straf voor het onttrekken van een minderjarige aan het gezag.

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004252-08
Uitspraak d.d.: 19 juli 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van
10 oktober 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats], [adres].
thans verblijvende in [adres].

Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 juni 2009 en 5 juli 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,
mr. S. Spans, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2007 tot en met 18 juni 2009, althans tot en met 16 oktober 2007, te Veenendaal, althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland, en/of in Egypte en/of in Soedan tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [dochter] (geboren op ….. 2003), die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, immers heeft verdachte, op voornoemde plaats(en) toen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voornoemde [dochter], waarvan de moeder genaamd is: [moeder], en/of waarvan hij, verdachte, de vader is, en die beiden het ouderlijk gezag uitoefenen, opzettelijk zonder toestemming van de moeder voornoemd (vanuit Egypte) overgebracht naar en/of achter gelaten op een plaats in Soedan, die de moeder niet bekend was (en is), en die zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van die [moeder] lag, dat de uitoefening van dat gezag door die [moeder] onmogelijk was geworden, dat [dochter] daardoor werd onttrokken aan het wettig gezag, hetwelk de moeder van [dochter], [moeder], over [dochter] uitoefende.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoek verdediging
Bij pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de problemen zijn ontstaan op het moment dat de verdachte werd gedetineerd. Deze zaak zou buiten het strafrecht om opgelost moeten worden. Een aanhouding zou de verdachte de gelegenheid geven om de onderhavige kwestie binnen familieverband te bespreken, zodat op die manier mogelijk een oplossing kan worden bereikt.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling, omdat ruim tweeëneenhalf jaar nadat de verdachte werd gedetineerd nog steeds geen oplossing is bereikt. De verdachte denkt steeds ten onrechte dat hij voorwaarden kan blijven stellen, zonder dat hij zelf een wezenlijke bijdrage aan de oplossing biedt. Verder uitstel is zinloos te achten.

Het hof acht de door de verdediging verzochte aanhouding van de behandeling niet noodzakelijk en zal daarom het gedane verzoek afwijzen.

Bewijsoverweging
De verdachte heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de moeder, ten tijde van hun gezamenlijk verblijf in juni 2007 in Egypte, ermee heeft ingestemd dat hun kind [dochter] bij de familie van verdachte in Soedan zou verblijven en dat verdachte het later niet meer in zijn macht heeft gehad om hun kind naar Nederland te laten komen. Om die reden zou hij moeten worden vrijgesproken.

De door de verdediging bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.
In het bijzonder is het hof van oordeel dat de genoemde stellingname van verdachte ongeloofwaardig is. Het is niet aannemelijk dat de moeder in juni 2007 haar toen vierjarig kind vrijwillig zou hebben achtergelaten in een vreemd land bij voor het kind onbekende familieleden, die haar taal niet spreken, en zonder dat zij als moeder op de hoogte was van de exacte verblijfplaats van haar kind.

Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2007 tot en met 18 juni 2009, althans tot en met 16 oktober 2007, te Veenendaal, althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland, en/of in Egypte en/of in Soedan tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [dochter] (geboren op 2003), die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, immers heeft verdachte, op voornoemde plaats(en) toen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voornoemde [dochter], waarvan de moeder genaamd is: [moeder], en/of waarvan hij, verdachte, de vader is, en die beiden het ouderlijk gezag uitoefenen, opzettelijk zonder toestemming van de moeder, voornoemd, (vanuit Egypte) overgebracht naar en/of achter gelaten op een plaats in Soedan, die de moeder niet bekend was (en is), en die zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van die [moeder] lag, dat de uitoefening van dat gezag door die [moeder] onmogelijk was geworden, dat [dochter] daardoor werd onttrokken aan het wettig gezag, hetwelk de moeder van [dochter], [moeder], over [docht4er] uitoefende.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Het hof is van oordeel dat verdachtes handelen, waardoor een jong kind en haar moeder duurzaam van elkaar worden gescheiden – men zou kunnen spreken van kinderroof –, een rechtsschending van uitzonderlijke zwaarte oplevert. De gevolgen hiervan zijn evident. De moeder is haar dochter, haar enig kind, kwijt. Van haar dochter is haar al tweeëneenhalf jaar niets bekend. De moeder kan zich op geen enkele wijze ontfermen over haar eigen dochter. Zij voelt zich volkomen machteloos. Vanwege de jonge leeftijd van het kind is het van groot belang dat de moeder bij de opvoeding van het kind wordt betrokken. Het kind zal daarnaast elke dag meer van haar eigen moeder vervreemden.

Het feit wordt nog in aanzienlijke mate verergerd doordat de verdachte inmiddels jarenlang, ondanks een kort geding, ondanks een strafvervolging en ondanks oplegging door de rechtbank van een gevangenisstraf van niet te verwaarlozen zwaarte, de oplossing van de situatie heeft gestagneerd en heeft gesaboteerd. Een treurig dieptepunt ziet het hof in de wijze waarop de verdachte heeft getracht de deskundige A. Al-Alim te betrekken bij bedrog van alle betrokkenen en van het hof. De verdachte wilde immers een verklaring opstellen en ondertekenen die schijnbaar tot een uitweg uit de impasse zou leiden, welke verklaring dan aan de ambassade zou moeten worden aangeboden met de (uiteraard volkomen valse) mededeling dat die verklaring onder dwang was getekend. Gelijktijdig zou mondeling de boodschap moeten worden overgebracht dat de verdachte de terugkeer van zijn dochter naar Nederland of naar de moeder in werkelijkheid niet wenste.

Daar komt bij dat het delict nog voortduurt en dat de zaak elke maand zwaarder wordt in zijn gevolgen voor de rechtstreeks betrokkenen, die al jaren tussen hoop en vrees balanceren en al meermalen vreselijke teleurstellingen hebben moeten incasseren.

De rechtbank heeft in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar opgelegd. Het hof is van oordeel dat bestraffing met de zwaarst mogelijke sanctie op zijn plaats is en zal een nog zwaardere straf opleggen dan de zeven jaar die in hoger beroep door de advocaat-generaal is gevorderd, namelijk de voor dit feit maximale gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
  • Wijst af het verzoek tot aanhouding van de zaak.
  • Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
  • Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
  • Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
  • Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
  • Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.
  • Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door
mr. M.H.M. Boekhorst Carrillo, voorzitter,
mr. J.M.J. Denie en mr. J.H.M. Zwinkels, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K. van Laarhoven, griffier,
en op 19 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

vrijdag, maart 26, 2010

315. Vonnissen Rechtbank Assen in civiele gijzeling van omgangsfrustrerende moeder Gea uit Hollandscheveld (zgn. lijfsdwang; LJN: BL9070)

Rechtbank Assen - Vonnissen in kort geding 3 februari 2010 en spoed-appel 23 maart 2010 inzake de rechtmatigheid van lijfsdwang na niet-nakoming omgangsregeling

LJN: BL9070,Voorzieningenrechter Rechtbank Assen, 77269 / KG ZA 09-292
Datum uitspraak: 23-03-2010
Datum publicatie: 26-03-2010
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Kort geding

Inhoudsindicatie:

Rechtmatigheid lijfsdwang na niet-nakoming omgangsregeling

Uitspraak

Vonnissen in kort geding 3 februari 2010 en spoed-appel 23 maart 2010

Vonnis in kort geding van 3 februari 2010

Vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 77269 / KG ZA 09-292

Vonnis in kort geding van 3 februari 2010

in de zaak van

[DE MAN],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
toegevoegd advocaat mr. R. Kaya,

tegen

[DE VROUW],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
toegevoegd advocaat mr. R.J. Skála.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de brief met bijlage d.d. 18 januari 2010 van mr. Skála
- de faxbrief met bijlagen d.d. 20 januari 2010
- de mondelinge behandeling op 22 januari 2010, alwaar [de man], vergezeld van zijn advocaat, en [de vrouw], vergezeld van haar advocaat, zijn verschenen.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Partijen hebben tot november 2005 een affectieve relatie gehad.

2.2. Uit de relatie is het navolgende, thans nog minderjarig kind geboren: [het kind] [de vrouw], geboren te [woonplaats] op 31 maart 2002 (hierna genoemd [het kind])

2.3. De vrouw heeft het gezag over [het kind]. [het kind] verblijft sinds de beëindiging van de relatie bij zijn moeder.

2.4. Bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 1 december 2009 is bepaald dat:
- voor een periode van twee maanden, te beginnen op zaterdag 12 december 2009, een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdagmiddag per veertien dagen van 14.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,
- dat de daaropvolgende periode, te beginnen op zaterdag 13 februari 2010 een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,
- dat voor de periode met ingang van zaterdag 18 december 2010 geldt dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, met dien verstande dat man [het kind] haalt en terugbrengt.

3. Het geschil

3.1 De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, de vrouw te veroordelen:
om over te gaan tot nakoming van de omgangsregeling, zoals in voornoemde beschikking is uitgesproken,
- met veroordeling van de vrouw tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat zij, twee dagen na betekening van het vonnis, in gebreke blijft aan het vorenstaande te voldoen,
- met machtiging om het vonnis ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm indien de vrouw in gebreke blijft,
- met machtiging om het vonnis ten uitvoer te leggen met gijzeling van de vrouw gedurende twee dagen voor iedere dag dat zij in gebreke blijft.
Tevens vordert de man de veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

3.2 De vrouw voert verweer. Zij heeft ter zitting onder meer aangevoerd dat cassatie zal worden ingesteld van de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden, omdat zij van mening is dat omgang met de man niet in het belang van [het kind] is. Volgens haar heeft het gerechtshof onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat er in het verleden sprake is geweest van agressief gedrag van de man. Mede gelet op de houding van de man toen hij [het kind] wilde komen halen, acht zij het niet verantwoord om [het kind] met zijn vader mee te laten gaan. Zij stelt dat [het kind] bovendien niet naar zijn vader wil omdat hij zich bij hem niet veilig voelt. [het kind] zal vanwege zijn angsten onder behandeling gaan bij de GGZ en in het kader van de therapie zal de man worden ingeschakeld. Daaraan zal de vrouw haar medewerking verlenen. Volgens de vrouw kan omgang op dit moment nog niet aan de orde zijn.

3.3. De man betwist de stellingen van de vrouw. Volgens de man is er geen reden om hem de omgang met [het kind] te ontzeggen en de door het gerechtshof vastgestelde regeling niet na te komen. Hij wijst op proefcontacten tussen hem en zijn zoon, die goed verliepen zolang moeder er niet bij was. Hij wijst er ook op dat hij al 3 jaar geen contact heeft gehad met zijn zoon en hij vraagt zich af hoe het mogelijk is dat zijn zoon het beeld van hem heeft dat hier door zijn moeder wordt geschetst.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voorzover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De man beroept zich op nakoming van de door het gerechtshof Leeuwarden bij beschikking van 1 december 2009 vastgestelde omgangsregeling. Die beschikking is gegeven naar aanleiding van het hoger beroep dat moeder instelde tegen de beschikking van deze rechtbank van 10 december 2008, alsmede het incidenteel appel van de man, waarin hij verzocht een ruimere omgangsregeling vast te stellen.

4.2. De beschikking van de rechtbank van 10 december 2008 vermeldt onder meer het volgende: “De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [het kind] is dat het contact tussen hem de man wordt hersteld. Bij de vaststelling van de omgangsregeling zal de rechtbank, gelet op de belemmeringen bij de vrouw om tot contactherstel te komen en de lange periode dat [het kind] en de man geen contact met elkaar hebben gehad, een opbouw bepalen naar de door de Raad geadviseerde omgangsregling, […]”.
Deze beschikking heeft niet geleid tot contact tussen vader en zoon. De man heeft daarop een kort geding aanhangig gemaakt waarin hij nakoming vorderde. Partijen maakten toen op 13 februari 2009 afspraken, die wederom niet hebben geleid tot contact tussen vader en zoon. Vervolgens zijn op 24 april 2009 en 15 juli 2009 nog twee korte gedingen behandeld, hetgeen heeft geleid tot twee vonnissen. Niets van dit alles heeft tot contact tussen vader en zoon geleid. Tot slot heeft het hof bij beschikking van 1 december 2009 de hiervoor weergegeven regeling getroffen. De man had ten tijde van de behandeling ter zitting drie keer getracht om zijn zoon op een door het hof bepaald moment op te halen. De vrouw heeft [het kind] nooit met zijn vader laten meegaan.

4.3. In de beschikking van 1 december 2009 heeft het hof onder meer overwogen: “In het onderhavige geval blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof dat de moeder op geen enkele wijze is genegen mee te werken aan het contactherstel tussen [het kind] en zijn vader. Het hof acht het in dit verband zeer kwalijk dat de moeder niet heeft meegewerkt aan de naleving van de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking waarvan beroep. Het hof heeft voor deze houding van de moeder geen enkele rechtvaardiging kunnen vinden in de beschikbare gegevens. In dit verband is ook de raad na uitvoerig onderzoek tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om de omgang tussen de vader en [het kind] te ontzeggen.” Het hof concludeert dat het in het belang van [het kind] is dat binnen een jaar wordt toegewerkt naar een omgangsregeling zoals die vervolgens is bepaald.

4.4. Ter zitting van 22 januari 2010 is gebleken dat het voorgaande voor de vrouw kennelijk geen aanleiding is om haar standpunten en handelwijze met betrekking tot de omgang tussen vader en zoon bij te stellen. Zij leeft ook de beschikking van het hof niet na. De vrouw blijft volhouden dat van haar niet kan worden verwacht dat zij [het kind] met zijn vader laat vertrekken omdat dit niet in het belang is van [het kind]. Zij stelt dat zij het belang van haar zoon moet beschermen. Anderzijds stelt de vrouw ook dat haar niets te verwijten valt, omdat [het kind] niet naar zijn vader wil. De vrouw meent dat aan die keuze van de nu zevenjarige [het kind], die zijn vader nu al jaren niet heeft gezien en die inmiddels vier jaar is opgegroeid in een omgeving waar naar alle waarschijnlijkheid louter negatief over zijn vader is gesproken, een doorslaggevende betekenis moet toekomen. De vrouw is er bij herhaling op gewezen dat zij die keuze niet aan [het kind] kan laten en dat zij hem daar niet mee moet belasten, maar zij volhardt in haar standpunt.
De vrouw is er ook bij herhaling op gewezen dat zij rechterlijke uitspraken niet als irrelevant ter zijde kan leggen, maar ook dat heeft geen verandering te weeg gebracht.

4.5. De vrouw maakt aan de man verwijten omtrent de wijze waarop hij [het kind] nu kwam halen. De vrouw meent dat hij de beschikking van het hof overtreedt door niet alleen aan haar deur te verschijnen. Voor alle duidelijkheid: de beschikking van het hof laat de man vrij om zich door een vertrouwenspersoon te laten vergezellen, als hij zijn zoon komt halen.

4.6. Gezien hetgeen ter zitting naar voren kwam is er ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de vrouw de beschikking wèl had nageleefd als de man alleen was verschenen. Desgevraagd kon de vrouw ook niet aangeven onder welke omstandigheden en voorwaarden zij [het kind] wèl met zijn vader zou laten vertrekken.
Zij volstaat momenteel met verwijzing naar een onderzoek bij de GGZ. Van dat onderzoek legt zij geen stukken over. Zij noemt geen enkel tijdpad en vader zou pas op volstrekt onbekende langere termijn een voor het overige nog onduidelijke rol kunnen krijgen.

4.7. De vrouw verwijt de man dat hij de belangen van [het kind] schaadt door te trachten [het kind] bij de vrouw af te halen, met alle confrontaties van dien. Daarbij gaat zij voorbij aan haar eigen rol in dat geheel. De vrouw heeft een duidelijke taak in deze. De ouders zijn de partijen in de procedure bij het hof en de beschikking richt zich tot de ouders. [het kind] is in deze niet degene die verplicht is de beschikking na te leven. Dat is zijn moeder. De vrouw zal [het kind] moeten motiveren en zal de voorwaarden moeten scheppen waarbinnen [het kind] met zijn vader kan vertrekken. Als de vrouw dat niet doet en volhardt in haar handelwijze, dan is zij degene die het conflict op de spits drijft.

4.8. Het geheel overziend moet de conclusie zijn dat het niet aannemelijk is dat de vrouw zal meewerken aan de uitvoering van de regeling zoals door het hof is bepaald, als er geen stevige stok achter de deur komt.

4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarbij niet worden volstaan met louter een dwangsom en al helemaal niet met een dwangsom in de orde van grootte die de vrouw heeft genoemd. Uit hetgeen ter zitting door of namens de vrouw naar voren is gebracht kan niet worden afgeleid dat een dwangsom voor haar enige aanleiding zal zijn om [het kind] met zijn vader te laten vertrekken. Op het éne moment stelt de vrouw van een dwangsom geen last te hebben omdat die gezien haar inkomen toch niet verhaald kan worden. Op het andere moment geeft de vrouw aan dat zij wellicht bereid is de dwangsommen te betalen, als zij op die manier kan voorkomen dat vader en zoon omgang met elkaar hebben. Het is niet te verwachten dat louter een dwangsom onder die omstandigheden een effectief middel is om naleving af te dwingen.

4.10. De man heeft ook gevorderd dat hij wordt gemachtigd het vonnis met behulp van de sterke arm ten uitvoer te leggen, indien de vrouw ook als het maximum aan dwangsommen is verbeurd, in gebreke blijft. Tevens heeft de man machtiging gevorderd om het vonnis ten uitvoer te leggen door gijzeling van de vrouw. Het daadwerkelijk inzetten van dergelijke dwangmiddelen zal waarschijnlijk impact hebben op [het kind]. Nu er aanleiding is om te vermoeden dat louter een dwangsom geen effectief middel zal zijn, acht de voorzieningenrechter het onontkoombaar om ook deze onderdelen van de vordering toe te wijzen op na te melden wijze. De vrouw hoeft daar geen negatieve gevolgen van te ondervinden. Als zij de beschikking van het hof naleeft, hetgeen van haar verlangd mag worden, zal van verbeuren van dwangsommen, tenuitvoerlegging met de sterke arm en gijzeling immers geen sprake zijn. Als moeder de beschikking van het hof naleeft, zal [het kind] van deze veroordeling in Kort Geding ook geen nadelen hoeven ondervinden.

4.11. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.12. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt dat de vrouw dient mee te werken aan de omgangsregeling zoals is vastgesteld bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden d.d. 1 december 2009, inhoudende dat voor een periode van twee maanden, te beginnen op de eerste zaterdag na betekening van dit vonnis aan de vrouw, een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdagmiddag per veertien dagen van 14.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,
- dat de daaropvolgende periode van een half jaar een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,
- dat voor de periode daaropvolgend de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, met dien verstande dat man [het kind] haalt en terugbrengt;

5.2. bepaalt dat de vrouw voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. van dit vonnis bepaalde, aan de man een dwangsom verbeurt van € 500,- tot een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 4.000,-;

5.3. machtigt de man om de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstelligen door gijzeling van de vrouw gedurende twee dagen voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het onder 5.1. van het vonnis bepaalde te voldoen;

5.4. machtigt de man om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien de vrouw in gebreke blijft aan het onder 5.1. van dit vonnis bepaalde te voldoen;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mv. mr. T.M.L. Veen (rechter aan de Rechtbank Assen sinds 01-01-2008) en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.E. Meijer op 3 februari 2010.

Vonnis in spoed-appel van 23 maart 2010

Vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 77269 / KG ZA 09-292

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[DE MAN]
wonende te [woonplaats],
executant,

tegen

[DE VROUW],
wonende te [woonplaats],
geëxecuteerde.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- Het proces-verbaal van de deurwaarder ex artikel 438 lid 4 Rv;
- de mondelinge behandeling op 23 maart 2010, alwaar [de man], en [de vrouw], zijn verschenen, alsmede gerechtsdeurwaarder E. Cuiper.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben tot november 2005 een affectieve relatie gehad.

2.2. Uit de relatie is het navolgende, thans nog minderjarig kind geboren: [het kind], geboren te [woonplaats] op 31 maart 2002 (hierna genoemd [het kind]).

2.3. De vrouw heeft het gezag over [het kind]. [het kind] verblijft sinds de beëindiging van de relatie bij zijn moeder.

2.4. Bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 1 december 2009 is bepaald dat:
- voor een periode van twee maanden, te beginnen op zaterdag 12 december 2009, een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdagmiddag per veertien dagen van 14.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,
- dat de daaropvolgende periode, te beginnen op zaterdag 13 februari 2010 een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,
- dat voor de periode met ingang van zaterdag 18 december 2010 geldt dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt.

2.5. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 3 februari 2010 is onder 5.1. e.v. onder meer bepaald, dat de vrouw dient mee te werken aan de omgangsregeling zoals is vastgesteld bij beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden d.d. 1 december 2009.
Voorts is bepaald dat de vrouw voor iedere keer dat zij hij in strijd handelt met het onder 5.1. van het vonnis bepaalde handelt, zij aan de man een dwangsom verbeurt van € 500,- tot een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 4.000,-;
- dat de man gemachtigd is om de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstelligen door gijzeling van de vrouw gedurende twee dagen voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het onder 5.1. van het vonnis bepaalde te voldoen;
- dat de man gemachtigd is om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien de vrouw in gebreke blijft aan het onder 5.1. van dit vonnis bepaalde te voldoen; met uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis.

3. De beoordeling

3.1. De man heeft zich naar zijn zeggen ter uitvoering van voormeld vonnis van de voorzieningenrechter driemaal bij de vrouw gemeld, teneinde de nakoming van de omgangsregeling te doen uitvoeren.

3.2. De vrouw heeft haar medewerking niet verleend. Zij voert aan dat de man slechts tweemaal de nakoming heeft verzocht. De vrouw heeft aangevoerd dat [het kind] niet aan de man is meegegeven aangezien zij dat niet in het belang van [het kind] achtte.

3.3. Vervolgens is de man overgegaan tot tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de voorzieningenrechter.

3.4. Daartoe heeft de deurwaarder zich op 23 maart 2010 om 11.45 uur begeven naar het adres van de vrouw, waarna zij om 12.15 uur in gijzeling is gesteld. Daarna heeft de vrouw de rechtmatigheid van de lijfsdwang betwist waardoor het onderhavige executie -geschil is ontstaan en de deurwaarder de vrouw heeft overgebracht naar het gerechtsgebouw te Assen teneinde een uitspraak over de wettigheid van de lijfsdwang te verkrijgen.

3.5. De voorzieningenrechter dient thans te beoordelen of het verzet van de vrouw tegen de rechtmatigheid van meergenoemd verstrekkende executiemiddel gegrond is.

3.6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De vrouw heeft desgevraagd geantwoord dat zij niet van plan is en ook niet in staat is de dwangsom te voldoen aangezien zij een bijstandsuitkering geniet. De vrouw handhaaft haar standpunt dat zij geen medewerking zal verlenen aan de tenuitvoerlegging van de omgangsregeling. Vastgesteld moet worden dat ten minste twee maal het verbeuren van de dwangsom niet heeft geleid tot nakoming van de omgangsregeling. De opgelegde dwangsom is dan ook geen effectief middel gebleken om de nakoming te bewerkstelligen.

3.7. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat een ander dwangmiddel dan lijfsdwang onvoldoende uitkomst zal bieden. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de man bij toepassing van de lijfsdwang opweegt tegen het belang van de vrouw bij het achterwege blijven daarvan. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat de vrouw desgevraagd geen klemmende redenen kon aanvoeren die zich tegen de lijfsdwang verzetten – zo zou tijdens haar gijzeling door haar ouders en een meerderjarige dochter voor [het kind] worden gezorgd - terwijl de man een zwaarwegend belang heeft bij het - eindelijk- kunnen verwezenlijken van de omgangsregeling met [het kind] waarvan hij al geruime tijd verstoken is gebleven. Onder deze, hierbij de eerder genoemde ineffectiviteit van de opgelegde dwangsommen betrekkende, omstandigheden acht de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 februari 2010 door middel van lijfsdwang (van vier dagen) niet disproportioneel.

3.8. Het verzet is dan ook ongegrond en voornoemd vonnis van 3 februari 2010 zal bekrachtigd worden.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

Bekrachtigt het vonnis waarvan verzet.

Dit vonnis is gewezen door dhr. mr. C.J.R. de Locht (vice-president aan de Rechtbank Assen sinds 01-02-2009) en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.E. Meijer op 23 maart 2010.

donderdag, januari 22, 2009

228. Persaankondiging - Moeder voor de eerste keer vervolgd voor niet nakomen omgangsregeling na scheiding

Persbericht: Utrecht, 21 januari 2009

A.s. donderdag 22 januari, 13.00 uur bij de rechtbank Leeuwarden:

Moeder vervolgd voor niet nakomen omgangsregeling na scheiding

Voor de eerste keer in Nederland moet een moeder zich voor de strafrechter verantwoorden, omdat ze jarenlang elke medewerking aan contact en omgang tussen vader en zoon weigerde en de beschikte omgangsregeling niet nakwam. De uitspraak is vooral van belang voor de vele vaders die door hun ex belemmerd worden in de door de rechtbank beschikte omgang met hun kinderen, zonder dat daar tot nu toe veel aan werd gedaan. Daar lijkt nu verandering in te komen.

De moeder in deze zaak wordt vervolgd en gedagvaard door het Openbaar Ministerie op aangifte van vader van onttrekking aan het ouderlijk gezag (Wetboek van Strafrecht, Artikel 279) en moet zich nu komende donderdag 22 januari om 13.00 uur voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Leeuwarden verantwoorden. Uitspraak volgt twee weken later. Veel gescheiden vaders maken hetzelfde door en als gevolg daarvan rolt deze zaak nu ook als een sneeuwbal door het hele land. Het gevolg is dat op 20 februari in Maastricht een gelijksoortige zaak voor de politierechter komt en dat overal in Nederland aangiftes worden gedaan op basis van Art. 279.

Voorgeschiedenis:

Handleiding van Vaderkenniscentrum voor aangifte “Onttrekking Ouderlijk Gezag (WvS, Art 279)” bij niet-nakoming omgangsregeling bij gezamenlijk gezag

25 september 2005 - Vaderkenniscentrum – Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 6 – Belangrijke uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005 voor omgangsouders met gezamenlijk gezag : Het niet-nakomen van de (voorlopige) omgangsregeling bij gezamenlijk gezag is onttrekking aan ouderlijk gezag en strafbaar

25 september 2005 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 7 - Stappenplan aangifte (1)

14 oktober 2005 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding - Bericht 13 - Stappenplan aangifte (2)

21 februari 2007 - Vaderkenniscentrum - Jurisprudentie Ouderschap Na Scheiding, Bericht 110 - Aanbeveling Nationale Ombudsman aan Politie (Rapport 2007/034)

In 2001 wordt de scheiding tussen moeder en vader uitgesproken. Er volgen enkele mislukte bemiddelingspogingen bij de mediator en de kinderbescherming over de omgang tussen vader en zoon. Moeder weigert echter acht jaar lang elke medewerking. In maart 2007 bepaalt het gerechtshof in Leeuwarden dat er omgang tussen zoon en vader moet komen: “Wij kunnen geen enkele reden bedenken waarom het kind zijn vader niet zou kunnen zien.” Moeder geeft echter meteen aan het kind niet voor te zullen bereiden op omgang en wenst hieraan ook verder niet mee te werken. Het Gerechtshof bepaalt dan tevens dat vader m.b.v. de sterke arm van politie/justitie de uitvoering van het vonnis kan afdwingen. Toen vader zich echter na hernieuwde weigering van moeder uiteindelijk bij het politiebureau meldde, werd dit vonnis van het gerechtshof afgeserveerd als “civiele kwestie” en weigerde de politie actie te ondernemen!

Vanaf mei 2007 doet vader dan na elke gemiste omgang bij de politie aangifte van “onttrekking aan het ouderlijk gezag” (WvS, Art. 279). Eerst na veel aandringen bij, en briefwisselingen met, politie en justitie neemt de politie uiteindelijk deze aangifte op. In december 2008 wordt moeder eerst gedagvaard voor de politierechter. Al snel trekt de officier van Justitie de zaak terug en wordt de zaak nu komende donderdag voorgelegd aan de meervoudige strafkamer[1].

Vader

Vader Peter Brons uit Burgum (Frl) zag na 8 jaar wachten geen andere uitweg meer dan aangifte. Hij zegt: “Ik wil als vader graag deel uit blijven maken van het leven van mijn zoon, hem waar nodig helpen bij school en schoolkeuze, hem terzijde staan in verdriet en succes.” “Omdat er in Nederland t.a.v. FAMILY LIFE na scheiding echter tot nu toe geen enkele rechtshandhaving plaatsvindt, bepaald de moeder in feite naar eigen bevinden of een rechtsuitspraak wel of niet wordt nageleefd. In de praktijk heeft de rechtspraak dus geen enkele praktische betekenis. Als het gaat om moeders die verzoeken om rechtshandhaving, is de politie echter niets te dol en zet men klakkeloos het zwaailicht aan.”

Zittingsgegevens Rechtbank Leeuwarden

Tijdstip: donderdag 22 januari om 13.00 uur; Locatie: Rechtbank Leeuwarden, Zaailand 102 te Leeuwarden (Graag bij de balie aanmelden voor de zaak Norbruis - Zaal A)

Verdere inlichtingen bij:

Peter Brons (de vader in deze zaak), e. pbrons@chello.nl

Drs. Peter A.N. Tromp (Vaderkenniscentrum), t. 030-238 3636, e. vaderkenniscentrum@gmail.com



[1] Vanwege het unieke karakter en belang van deze zaak heeft het OM de zaak nu voorgelegd aan de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank. En vanwege de verwachte publieke belangstelling heeft de Rechtbank Leeuwarden de zitting van de donderdagmorgen naar de middag verplaatst. Verder besteed NOVA in haar uitzending van donderdagavond a.s. ook aandacht aan deze zaak.

Zie verder ook


zondag, november 16, 2008

215. Moeder voor het eerst vervolgd voor niet afgeven kind bij omgang (*)

(*) Toelichting vooraf:

Handreiking van het Vaderkenniscentrum voor de aangifte van Onttrekking Ouderlijk Gezag (art 279) bij politie en justitie bij het niet nakomen van een omgangsregeling bij gezamenlijk gezag

·

·

·

In 2005, nu drie jaar geleden, heeft het Vaderkenniscentrum van Stichting Kind en Omgangsrecht er als eerste van de ouderorganisaties de omgangsouders met gezamenlijk gezag op gewezen, dat omgangsfrustratie door verblijfsouders (veelal moeders) bij gezamenlijk gezag bij arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2005 als een strafbare daad ingevolge art. 279 van het Wetboek van Strafrecht ("onttrekking van kinderen aan het gezag") aangemerkt was en gewezen op de noodzakelijkheid voor omgangsouders om hiervan ook aangifte te doen bij politie en justitie. Het Vaderkenniscentrum heeft toen omgangsouders opgeroepen bij omgangsfrustratie zoveel mogelijk aangifte bij politie en justitie te doen en daartoe ook een tweetal handreikingen beschikbaar gesteld over hoe te handelen (zie de links in het kader hiernaast).

Deze aangiften werden echter tot nu toe door een onwillige politie en justitie illegaal steeds enorm tegengewerkt. Het illegaal weigeren van het opnemen van aangifte van onttrekking kwam de politie in februari 2007 ook op een uiterst kritisch rapport van de Nationale Ombudsman te staan (zie voor dit rapport van de Nationale Ombudsman ook het kader hiernaast).

Politie en justitie lijken nu eindelijk hun leven te beteren en hun werk te gaan doen. Hieronder een situatie waarin voor het eerst niet alleen de politie de aangifte heeft opgenomen, maar ook justitie het aangegeven strafbare feit van onttrekking bij omgangsfrustratie ook daadwerkelijk zal gaan vervolgen.

Peter Tromp
Vaderkenniscentrum van Stichting Kind en Omgangsrecht

--------------------
Moeder vervolgd voor niet afgeven kind (*)
Bron: Leeuwarder Courant, Zaterdag 15 november 2008


Leeuwarden - Voor de eerste keer in Nederland (*) moet een vrouw zich voor de strafrechter verantwoorden, omdat ze de omgangsregeling voor haar zoon niet is nagekomen. De uitspraak is vooral van belang voor vaders die door hun ex belemmerd worden in de omgang met hun kinderen.

"Dit is een uniek geval, Nederland houdt zijn adem in", zegt Arthur Ross van de Stichting Ouders Zonder Omgang. Beide ouders hebben sinds een wetswijziging in 1998 gelijke omgangsrechten na een scheiding.

"Dit klinkt goed, maar Nederlandse rechters ontzien vrouwen massaal. Zo bepaalde de Hoge Raad dat er alleen sprake is van een misdrijf, wanneer iemand die geen ouderlijk gezag heeft, het kind onttrekt aan het ouderlijk gezag. Dus als de moeder haar kinderen niet meegaf aan de vader, werd dit door de vinger gezien."

In 2006 echter gaf de Amsterdamse rechtbank een moeder gelijk die haar ex aanklaagde omdat hij de kinderen moest hebben teruggebracht. "Zij had namelijk het bevoegde opzicht op de kinderen vanaf het tijdstip dat hij de kinderen moest hebben teruggebracht. Op deze uitspraak borduurt Brons nu voort."

Advocaat in ruste Peter Prinsen die zich zijn werkzame leven over over familierecht boog, onderstreept het belang van de inmenging van de strafrechter.

"Nu gaat veel tijd verloren aan civiele procedures. Ik hoop op jurisprudentie die ervoor zorgt dat een vader met hulp van de politie zonder veel discussie zijn kind mee kan krijgen. Gelijke monniken, gelijke kappen."

"Doe aangifte als je ex je kind niet geeft"

Burgum - "Mijn zoon heeft het recht zijn vader te zien." Het is kort gezegd de belangrijkste drijfveer van Peter Brons uit Burgum zijn ex voor de strafrechter te slepen. Op 15 december moet zij zich verantwoorden voor de strafrechter.

Hiermee is ze de eerste in Nederland en dat feit blijft niet onopgemerkt. Organisaties als Stichting Ouders Zonder omgang (Stozo) en Justice for Fathers volgen de zaak met argusogen. Het verhaal van Brons staat namelijk niet op zichzelf. Het gaat vaak mis met omgangsregelingen nadat ouders zijn gescheiden. Naar schatting zien 60.000 tot 80.000 kinderen een van hun ouiders niet zegt Arthur Ross van Stozo.

Na de scheiding, acht jaar geleden, zag Brons af van omgang met zijn zoon. "Er was veel ellende, mede door mijn toedoen. Ik wilde ons allen rust gunnen."

Na anderhalf jaar poogde de Burgumer via de rechtbank alsnog een omgangsregeling te krijgen. "Ik miste hem vreselijk."

Na negatief advies van de Kinderbescherming werd zijn verzoek afgewezen. "De kinderbescherming kwam tot dat advies omdat de moeder niet wilde meewerken."Uiteindelijk opperde de rechtbank een poging tot bemiddeling. Na een tijdje 'mediation' stopt dit op verzoek van de moeder. Hierop stelde de rechtbank begeleide omgang voor met Jeugdzorg. De moeder stemde aanvankelijk in, zodat de rechtbank Brons' verzoek om een gewone omgangsregeling afwees.

Brons kaartte de zaak aan bij het Gerechtshof in Leeuwarden. Dit stelde hem in maart 2007 in het gelijk. De moeder moest akkoord gaan met het contact tussen vader en zoon, dat in mei zou beginnen. "Ook toen meldde ze niet te zullen meewerken. Hierop heb ik via de voorzieningenrechter geregeld dat ik een dwangsom kan laten opleggen. Het middel heb ik achter de hand, maar nooit toegepast."

Zoals Brons verwachtte, mislukte de omgang. "Ik heb aangifte gedaan en telkens melding gemaakt als het weer niet was gelukt mijn zoon op zondag eens in de twee weken mee te krijgen. De politie schakelde jeugdzorg in, omdat ze zich zorgen maakte over mijn zoon."

Brons' zoon staat sinds vorig jaar onder toezicht van een voogd. Öp diens verzoek leg ik de dwangsom niet op vanwege de schade die dit mijn zoon kan berokkenen. zo wordt voor mijn gevoel de moeder weer in bescherming genomen. Al acht jaar zegt men dat ik begrip moet hebben en in het belang van mijn kind moet handelen."

Brons vreest dat het grote moeite zal kosten alsnog een band met zijn zoon op te bouwen. Äls het niet tot een veroordeling komt, hoop ik maar dat hij nieuwsgierig naar me wordt als hij een jaar of achttien is." De ex-partner wil vanwege de strafzaak nu niet reageren.

-----------------------------------------
------------------------------------------
Leeuwarder Courant, Zaterdag 15 november 2008
(Klik op de afbeelding voor een beter leesbare weergave)